ECLI:NL:RBAMS:2026:5151

ECLI:NL:RBAMS:2026:5151

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 13-227860-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a Opiumwet. Veroordeling voor het voorhanden hebben van 5,32 gram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/227860-25Parketnummer vordering tul: 16/200728-19

Datum uitspraak: 30 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [Penitentiaire Inrichting] .

(hierna: verdachte)

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij

Ten aanzien van feit 1:

zich op 11 februari 2025 te Amsterdam al dan niet in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van diverse goederen ten behoeve van de voorbereiding en/of bevordering van het bereiden of vervaardigen van MDMA, amfetamine of cocaïne;

Ten aanzien van feit 2:

op 11 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk 5,32 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt. De rechtbank leest hierbij in verband met kennelijke misslagen feit 1 verbeterd, zoals in de bijlage staat beschreven.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat uit het dossier volgt dat verdachte ten tijde van het feit woonde in de woning waarin de in de tenlastelegging opgesomde goederen zijn aangetroffen. Verdachte had daarmee beschikkingsmacht over die goederen. Ook de woning moet in dit geval worden beschouwd als een goed waarmee voorbereidingshandelingen zijn gepleegd. Het DNA van verdachte is aangetroffen op de scheurrand van het grijze vezeltape op de binnenste zak waarin het natriumzout van PMK-glycidezuur is aangetroffen. Op de buitenste zak zijn ook zijn vingerafdrukken aangetroffen. Verdachte moet daarom, mede omdat hij zelf drugsgebruiker is, wetenschap hebben gehad van die inhoud en bestemming. Omdat de aangetroffen hennep, het slakkenhuis en de koolstoffilters niet bestemd zijn om een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden of te bevorderen moet verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gewezen op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de conclusie van het NFI dat sprake is van cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet wist of moest weten dat in de woning goederen aanwezig waren waarmee voorbereidingen worden getroffen om verdovende middelen te maken. Hiermee ontbreken de vereiste wetenschap van en beschikkingsmacht over die goederen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Het zwaartepunt van de verdenking ten aanzien van feit 1 ligt bij het aangetroffen natriumzout van PMK-glycidezuur. Verdachte was in de woning aanwezig toen de in tenlastelegging genoemde goederen daar werden aangetroffen. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, kan uit het dossier niet worden opgemaakt dat verdachte in die woning woonde. Dat verdachte meermalen in en rondom de woning is gezien en dat de telefoon die aan hem wordt toegeschreven over een langere periode meermalen in de buurt van de woning heeft aangestraald, is onvoldoende om dat te kunnen concluderen. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij in de woning is geweest, maar dat hij daar niet heeft gewoond en dat het de woning van een andere persoon betrof. Die verklaring wordt niet weerlegd door de inhoud van het dossier.

De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet – reeds op basis van de aanwezigheid van de verdachte in de woning – vaststellen dat verdachte de feitelijke macht over het natriumzout heeft gehad. Evenmin kan de rechtbank om die reden vaststellen dat verdachte de woning als voorbereidingsmiddel ‘voorhanden heeft gehad’.

De officier van justitie heeft gewezen op de DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte op de zakken waarin het natriumzout van PMK-glycidezuur is aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat ook op basis van deze sporen niet kan worden geconcludeerd dat verdachte dit natriumzout van PMK-glycidezuur voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat dit bestemd was voor het bereiden van of vervaardigen van MDMA of amfetamine. Het natriumzout was verpakt in twee zakken over elkaar en de door de officier van justitie bedoelde sporen bevonden zich niet aan de binnenzijde van de binnenste zak. Het is daarmee niet gebleken dat verdachte heeft gezien wat in de zakken zat en evenmin dat hij wist of moest weten waartoe die inhoud bestemd was.

Ten aanzien van de overige goederen genoemd op de tenlastelegging kan de rechtbank – gelet op de aard van de goederen en de omstandigheden waaronder die zijn aangetroffen – niet vaststellen dat deze bestemd waren tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet. In het bijzonder kan de rechtbank niet vaststellen dat deze goederen geschikt waren om een middel als vermeld op lijst I van de Opiumwet te bereiden, bewerken, verwerken of vervaardigen.

De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van feit 1.

Ten aanzien van feit 2

De bewijsmiddelen

Aangezien verdachte feit 2 heeft bekend en namens verdachte geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:

De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2026;

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025034181-15 van 11 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s Z59 tot en met Z63;

Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2025.03.13.141 (aanvraag 1) van 12 maart 2025, doorgenummerde pagina Z86;

Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2025.03.13.141 (aanvraag 2) van 12 maart 2025, doorgenummerde pagina Z87.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgesomde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 11 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,32 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feite is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem een gevangenisstraf op te leggen die het voorarrest niet te boven gaat.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne. Verdovende middelen zoals cocaïne vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel erin gaat vaak gepaard met (ernstige) criminaliteit, die ontwrichtend is voor de maatschappij.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor diverse feiten. Ten tijde van het feit liep verdachte in verschillende proeftijden.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rapportages van 30 maart 2026 en 15 april 2026 die door GGZ Reclassering Inforsa over verdachte zijn opgemaakt. Uit deze rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op vrijwel ieder leefgebied. Daarnaast is sprake van problematisch middelengebruik en is een verstandelijke beperking bij verdachte vastgesteld. In de afgelopen jaren zijn meerdere interventies ingezet om het recidiverisico – dat als hoog wordt ingeschat – te beïnvloeden. Deze interventies waaronder ambulante en klinische behandeling en het (ISD)toezicht bij de reclassering hebben echter niet geleid tot structurele gedragsverandering en het voorkomen van delictgedrag. Verdachte heeft aangegeven nu open te staan voor een langdurige klinische behandeling gericht op verslavingsproblematiek en zijn medewerking daaraan te zullen verlenen. GGZ Reclassering Inforsa adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden die bestaan in een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik.

Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op 16 april 2026 door de politierechter van de rechtbank Amsterdam (onherroepelijk) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd zijn de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden verbonden. De rechtbank houdt, mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening met deze tussenliggende veroordeling. De rechtbank acht het in het belang van de verdachte dat hij zo spoedig mogelijk nadat hij het onvoorwaardelijk strafdeel in die zaak heeft uitgezeten, zal kunnen beginnen met de begeleiding door GGZ Reclassering Inforsa. De rechtbank ziet daarbij in het bijzonder het belang van een klinische opname van verdachte, waarvoor verdachte nu gemotiveerd is.

De strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de tot feit 2 beperkte bewezenverklaring – en alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van één dag, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

8. Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Zak G6622050

2. 1 STK Zak G6622051

3. 1 STK Niet te definiëren goederen G6622052

4. 26 GR Verdovende Middelen G6618058

5. 24 KG Verdovende Middelen G6618099

6. 6 STK Verdovende Middelen G6618051

7. 3 GR Verdovende Middelen G6618055

8. 5 STK Verdovende Middelen G6618056

Deze voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl die voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel dat de goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij de stukken bevindt zich de op 13 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16-200728-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 30 oktober 2020 van de politierechter te Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar.

Verder bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank acht toewijzing van de vordering niet opportuun. Hierbij is voor de rechtbank doorslaggevend dat verdachte nu gemotiveerd is voor begeleiding door de reclassering, ook als dit een klinische opname zal inhouden. De tenuitvoerlegging zou de start van deze begeleiding vertragen, hetgeen niet in het belang is van verdachte. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:

1. STK Zak G6622050

2. 1 STK Zak G6622051

3. 1 STK Niet te definiëren goederen G6622052

4. 26 GR Verdovende Middelen G6618058

5. 24 KG Verdovende Middelen G6618099

6. 6 STK Verdovende Middelen G6618051

7. 3 GR Verdovende Middelen G6618055

8. 5 STK Verdovende Middelen G6618056

Vordering tot tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/200728-19.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I. Struijkenkamp, voorzitter,

mrs. H.B.W. Beekman en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Struijkenkamp

Griffier

  • mr. A.M.M. van Leuven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand