RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-080772-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 februari 2026 door the Regional Court in Rybnik 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Wodzisław Śląski van 12 maart 2025, met kenmerk II K 543/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in zijn geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW De opgeëiste persoon ontkent dat hij is verhoord over de feiten die aan het EAB te grondslag liggen en dat hij een adresinstructie heeft ondertekend. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht niet af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. Uit de toelichting onder D.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn ‘personally appointed defence counsel’. Hieruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon zijn advocaat zelf heeft gekozen en ook heeft gemachtigd. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie gehad en hij is opgeroepen op het door hem opgegeven adres.
Oordeel van de rechtbank
Anders dan de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De toelichting onder D.2) van het EAB vermeldt namelijk alleen dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn ‘personally appointed defence counsel’, maar niet dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd om namens hem ter zitting de verdediging te voeren.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de toelichting onder D.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 27 december 2023 als verdachte is verhoord en dat hij tijdens dat verhoor een adres heeft opgegeven. De oproepingen voor de zittingen zijn per post naar het door hem opgegeven adres verstuurd en op dat adres zijn twee afhaalberichten achtergelaten. Ook blijkt dat de opgeëiste persoon op 27 december 2023 een instructie heeft ondertekend waaruit volgt dat hij was gehouden om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven. Hij heeft toen ook de aanklacht ontvangen. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de procedure. Daarnaast is de opgeëiste persoon geïnformeerd dat post die aan het door hem opgegeven adres is gezonden en niet in ontvangst wordt genomen, als ‘correct betekend’ wordt aangemerkt.
Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de voornoemde informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat deze informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
5. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over het vereiste van dubbele strafbaarheid.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat feit 2 voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid en naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht (Sr). Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, aangezien het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde en het in Polen is begaan door een Poolse onderdaan tegen een Pools slachtoffer. Bovendien moet worden voorkomen dat sprake is van straffeloosheid.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Het schenden van de lichamelijke integriteit van een minderjarige door aan deze persoon te trekken levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op. Mishandeling in de zin van artikel 300 Sr bestaat namelijk in het opzettelijk toebrengen van lichaamspijn of lichamelijk letsel en uit de feitomschrijving onder E) van het EAB blijkt niet van het toebrengen van enige vorm van pijn. Dat betekent dat feit 2 niet strafbaar is naar Nederlands recht en dat de overlevering geweigerd kan worden op grond van artikel 7, eerste lid onder b, OLW.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van weigering af te zien. Het feit heeft namelijk geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde, want het is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een Pools slachtoffer. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf door de Nederlandse autoriteiten zou kunnen worden overgenomen. Daarnaast is de overlevering al toelaatbaar voor de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf voor feit 1 en gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraf dient bovendien het belang van het voorkomen van straffeloosheid.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rybnik 3rd Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.