RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-289336-25
Datum uitspraak: 27 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2025 door the Rybnik Regional Court 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de zitting van 5 februari 2026, zodat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Omdat in deze zaak sprake is van een uitzonderlijk geval, heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vierde lid, OLW vervolgens met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 5 februari 2026
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 19 februari 2026
Bij tussenuitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nadere motivering bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen.
Zitting van 26 maart 2026
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Zitting van 13 mei 2026
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 19 februari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4), de dubbele strafbaarheid (onder 5) en artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (onder 7). In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat zij op grond van artikel 12 OLW de overlevering zal weigeren voor het verzamelvonnis van 20 december 2021 (met kenmerk II K 80/21).
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, en dat de overlevering moet worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de in Polen bij het vonnis van 27 mei 2021 met kenmerk II K 1151/19 (hierna: vonnis 2) opgelegde vrijheidsstraf van 250 dagen door Nederland.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven en dat daarmee aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Deze overwegingen kunnen hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 23 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon door de strafrechtelijke veroordelingen niet zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen bij vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraf van 250 dagen kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de in de tussenuitspraak van 19 februari 2026 onder punt 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf van 250 dagen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW voor vonnis 2 te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering voor vonnis 2 weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van 250 dagen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
5. Schorsingsverzoek
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft op de zitting van 26 maart 2026 verzocht om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW na uitspraak te schorsen en handhaaft het verzoek.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW na de uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW af. Een schorsing van de overleveringsdetentie nadat uitspraak is gedaan waarbij - in dit geval - de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal worden bevolen, is slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde. Ofschoon de rechtbank oog heeft voor de gezondheidsklachten van de opgeëiste persoon, is in zijn geval niet van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden gebleken.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 68 en 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.
8. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Rybnik Regional Court 3rd Criminal Division (Polen) ten aanzien van het verzamelvonnis van 20 december 2021 (met kenmerk II K 80/21).
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Rybnik Regional Court 3rd Criminal Division (Polen) ten aanzien van het vonnis van 27 mei 2021 (met kenmerk II K 1151/19, vonnis 2);
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van
19 februari 2026 bedoelde vrijheidsstraf van 250 dagen in Nederland;
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon];
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.