ECLI:NL:RBAMS:2026:5193

ECLI:NL:RBAMS:2026:5193

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 13-312850-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. EAB I. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Artikel 6a OLW: het gelijkstellingsverweer slaagt. Het onderzoek wordt heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en het onderliggende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-312850-25 (EAB I)

Datum uitspraak: 27 mei 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 17 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2025 door the Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VII Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Pruszków [Sąd Rejonowy w Pruszkowie] van 6 maart 2020, met kenmerk II K 1972/19.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te gaan of de gegeven adresinstructie specifiek ziet op de zaak met kenmerk II K 1972/19. Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 22 april 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een adres zou hebben opgegeven, maar hij is in deze zaak niet als verdachte verhoord. Het kan zijn dat de gegeven adresinstructie niet specifiek ziet op deze zaak, aangezien de opgeëiste persoon op dat moment in meerdere zaken werd verdacht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW en heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek een adresinstructie heeft gekregen. Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 7 april 2026 specifiek gevraagd of in deze zaak (met kenmerk II K 1972/19) een adresinstructie is gegeven. Daarom bestaat geen twijfel over de vraag of de adresinstructie in deze specifieke zaak is gegeven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek als verdachte is gehoord en een adres heeft opgegeven en dat de oproepingen voor de zitting op 27 januari 2020 en 4 februari 2020 ook daadwerkelijk naar het door hem opgegeven adres zijn verstuurd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een instructie ondertekend waaruit volgt dat hij was gehouden om iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten door te geven. Ook is de opgeëiste persoon gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de op hem rustende verplichting om adreswijzingen door te geven. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen twijfel bestaat over de vraag of de verstrekte adresinstructie ziet op de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 6 maart 2020 met kenmerk II K 1972/19, nu op 7 april 2026 door het IRC specifiek is gevraagd of in de zaak met dat kenmerk een adresinstructie is gegeven. Vervolgens is hier in de brief van 22 april 2026 een antwoord op gegeven en staat in deze brief als zaaknummer het kenmerk II K 1972/19. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij een adres heeft opgegeven en een adresinstructie heeft ontvangen is, gelet op het vertrouwensbeginsel, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

5. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman en de officier van justitie

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Zij hebben verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om toezending van het certificaat en het vonnis door de Poolse autoriteiten af te wachten.

Oordeel van de rechtbank

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Eerste voorwaarde

De opgeëiste persoon staat vanaf 27 juli 2021 ingeschreven in de Basisregistratie personen. Daarnaast heeft hij ter onderbouwing van zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander onder meer aanslagen Inkomstenbelasting overgelegd waaruit de hoogte van zijn verzamelinkomen vanaf 2020 tot en met 2023 blijkt. Daarnaast zijn er jaaropgaven van werkgever over 2024 en 2025 overgelegd. Voorts heeft de opgeëiste persoon een overzicht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt waarin staat hoeveel uur per jaar de opgeëiste persoon vanaf 2020 tot en met 2025 in Nederland heeft gewerkt. Gelet op het aantal gewerkte uren vanaf 2020 kan het niet anders dan dat de opgeëiste persoon vanaf dat jaar in Nederland woont. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Aan deze voorwaarde is dus voldaan.

Tweede voorwaarde

De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 14 april 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.

Ook aan deze voorwaarde is voldaan.

De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.

Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.

De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.

De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

Het arrest C.J. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)

Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak C.J. In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen volgt uit dat arrest - samengevat - dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest C.J. van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the District Court of Pruszków van 6 maart 2020 (met kenmerk II K 1972/19) op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen in dat vonnis opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.

Verlenging van de beslistermijn

De beslistermijn die op de zitting van 13 mei 2026 is verlengd, verstrijkt op 12 juni 2026. Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet de nieuwe lijn zoals uitgezet in het arrest C.J. van het HvJ EU nog steeds als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

8. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en het onderliggende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 11 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 28 juli 2026 opnieuw op zitting wordt gepland, tezamen met de zaak met parketnummer 13-077923-26 (EAB II).

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M. de Bie

Griffier

  • mr. G. Riedijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand