RECHTBANK AMSTERDAM
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/960
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op 21 mei 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. C. Willekes)
en
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 26 augustus 2024 om een VOG P voor de functie van [functie 1] bij [bedrijf 1] in [plaats 2] .
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft op 29 januari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beslissing
De rechtbank:
Motivering
Besluitvorming
2. Eiser heeft op 26 augustus 2024 een VOG P aangevraagd voor de functie van [functie 1] bij de [bedrijf 1] . Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de terugkijktermijn in principe 30 jaar, maar in het geval van eiser is deze termijn langer omdat eiser vrijheidsstraffen heeft ondergaan. Verweerder heeft de terugkijktermijn daarom verlengd met 4 jaren, 11 maanden en 25 dagen. Binnen die termijn heeft verweerder een aantal relevante justitiële gegevens aangetroffen. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is opgenomen in het bestreden besluit. Volgens verweerder vormen deze justitiële gegevens een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG P is aangevraagd, zodat is voldaan aan het objectieve criterium. De afweging die verweerder onder het subjectieve criterium heeft gemaakt, is ten nadele van eiser uitgevallen. Verweerder vindt dat het tijdsverloop sinds zijn laatste veroordeling bezien in het licht van de toepasselijke terugkijktermijn, te kort is voor de conclusie dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen.
Standpunt eiser
3. Eiser stelt dat zijn persoonlijke belangen zwaarder wegen dan het belang van de bescherming van de samenleving. Hij baseert dit op het tijdsverloop sinds zijn laatste veroordeling, de omstandigheden waaronder de feiten plaatsvonden, en zijn persoonlijke ontwikkeling sinds die tijd. Eiser legt uit dat de detentieperiode een optelsom van meerdere korte gevangenisstraffen is door vermogensdelicten die hij pleegde om zijn verslaving te kunnen betalen. Zijn laatste veroordeling dateert van 2 december 2009. Sindsdien gebruikt hij geen drugs meer, waardoor hij geen risico meer vormt om opnieuw strafbare feiten te plegen. Verder verricht eiser al anderhalf jaar vergelijkbare werkzaamheden voor [bedrijf 1] waar geen VOG P voor nodig is en hij krijgt daar goede beoordelingen. Niet elke inrichtingsdirecteur laat hem echter zonder VOG P werken. Daarom wil hij toch een VOG P krijgen. Ook wordt hij beperkt in het doen van werk waarvoor wel een VOG P nodig is, vooral gesprekken met gedetineerden alleen. Tot slot stelt eiser dat zijn werk als ervaringsdeskundige ook een belangrijke maatschappelijke waarde heeft.
Oordeel van de rechtbank
4. Partijen zijn het erover eens dat aan het objectieve criterium is voldaan. Wat nog ter discussie staat, is of ook aan het subjectieve criterium is voldaan.
Voor zover het gaat om de afdoening van de strafzaken, het tijdsverloop en de hoeveelheid strafbare feiten, heeft verweerder gelijk dat het gaat om in ieder geval meerdere ernstige strafbare feiten (bijvoorbeeld diefstal met braak dan wel geweldpleging) waarvoor eiser niet licht is gestraft, en dat de terugkijktermijn nog niet is verstreken. Dat het gaat om een functie bij [bedrijf 1] , waarvoor hoge integriteitseisen gelden en dat om die reden een extra lange terugkijktermijn geldt, is duidelijk. Verweerder heeft die omstandigheden terecht bij zijn afweging betrokken. Maar verweerder moet ook alle overige persoonlijke omstandigheden van de aanvrager bij zijn afweging betrekken. Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2021.
Ter zitting heeft eiser verteld dat hij in 2009 in de gevangenis in contact is gekomen met een ervaringsdeskundige. Dit is voor hem een keerpunt in zijn leven geweest. Vanaf dat moment heeft zijn leven namelijk een positieve wending gekregen. Eiser is in een safe house terechtgekomen en kreeg uiteindelijk na 11 maanden een vaste woning. Eiser is toen ook van zijn verslaving afgekomen en eiser is nog steeds vrij van verslaving. Dat staat ook niet ter discussie. En zoals eiser ter zitting heeft verteld gaat hij na ruim 16 jaar nog steeds twee keer per week naar de Narcotics Anonymous voor het onderhoud van zijn herstel. Eiser heeft verder een opleiding SPW 4 afgerond en heeft hij zich als ervaringsdeskundige bij verschillende opdrachtgevers ingezet. Zo heeft eiser bijvoorbeeld bij [bedrijf 2] en het [bedrijf 3] gewerkt en heeft dit naar volle tevredenheid van zijn opdrachtgevers gedaan. Dit volgt uit de verschillende referenties die eiser heeft bijgevoegd en is verder ook niet in geschil.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de ontwikkeling die eiser vanaf 2009 heeft doorgemaakt, niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat het risico voor de samenleving, en dan meer specifiek dus het recidiverisico, onvoldoende is afgenomen.
Als er alleen sprake zou zijn van het verstrijken van tijd sinds 2009, zonder dat eiser zich al die tijd positief had ontwikkeld, zou het weigeren van de VOG begrijpelijk kunnen zijn. Maar in dit geval zijn er meer omstandigheden: de strafbare feiten hadden direct te maken met de verslaving van eiser, omdat hij daarmee in zijn verslaving voorzag. Sinds 2009 heeft eiser echter geen verslaving meer. Dat betwist de gemachtigde van verweerder niet. Zonder nadere motivering valt daarom niet in te zien waarom verweerder, ondanks het feit dat vaststaat dat eiser sinds 2009 niet meer verslaafd is, vindt dat het risico voor de samenleving onvoldoende is afgenomen.
Bovendien heeft eiser sinds zijn herstel vanaf 2009 intensief gewerkt aan zijn terugkeer in de maatschappij en zich bij verschillende opdrachtgevers als ervaringsdeskundige ingezet voor soortgelijke werkzaamheden als waar hij nu een VOG voor aanvraagt. Sinds april dit jaar werkt eiser als [functie 2] bij het [bedrijf 4] voor 28 uur. Deze functie is speciaal voor eiser gecreëerd, omdat het [bedrijf 4] graag met eiser wilde samenwerken. Dat zegt dus iets over het vertrouwen dat er is in eiser. Verder werkt eiser op woensdagen in de gevangenis in [plaats 3] voor 5 uur per week. Waarom één op één contact met gedetineerden, wat eiser nu nog niet heeft in zijn werk, een dusdanig risico geeft voor de samenleving, gelet op de eerdere positieve ervaringen met eiser, heeft verweerder niet duidelijk gemotiveerd. En hoewel een functie bij de [bedrijf 1] hoge integriteitseisen kent, gaat het in de situatie van eiser nu juist om zijn expertise als ex-gedetineerde en ex-verslaafde. Ook dat heeft verweerder onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.
De conclusie is dat de verweerder zijn besluit op bezwaar 30 december 2024 niet toereikend heeft gemotiveerd en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 7:12 van de Awb.
Conclusie en gevolgen
5. Dat betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen. Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden en die door verweerder niet worden betwist, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat aan eiser een VOG P moet worden verleend. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien door verweerder de opdracht te geven een VOG P te verlenen.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026 door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
griffier rechter
Het proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.