RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/766213 / HA ZA 25-852
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
de vereniging
[VvE] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: de VvE,
advocaat: mr. R.H.W. van Ewijk,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde 2] h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [vestigingsplaats 3] ,
gedaagden,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en samen (in enkelvoud): [gedaagden] ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stuken, - de akte vermindering van eis van de VvE,- het B16-formulier van [gedaagden]
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2. De beoordeling
De eisvermindering van de VvE: deskundigenrapportage niet meer nodig
De VvE vorderde onder meer (primair) dat de rechtbank [gedaagden] onvoorwaardelijk verbiedt om in de bedrijfsruimte, althans in welke tot de VvE behorende bedrijfsruimte dan ook, een mozzarellafabriek te (doen) exploiteren (zie bijlage I bij het tussenvonnis onder ii). De VvE heeft in dit verband onder meer gesteld dat de omwonenden als gevolg van het gebruik door [gedaagde 2] van de bedrijfsruimte dusdanige geur- en geluidsoverlast ervaren, dat dit het door haar gevorderde exploitatieverbod rechtvaardigde.
Daarnaast vorderde de VvE (subsidiair) dat de rechtbank voorwaarden aan [gedaagden] zou opleggen waaronder [gedaagde 2] haar bedrijf mag voeren in de bedrijfsruimte (zie bijlage I bij het tussenvonnis onder ii).
De rechtbank heeft in het tussenvonnis – op basis van het toen voorliggende partijdebat – overwogen dat zij op dat moment geen definitieve beslissing kon geven over het (primair) door de VvE gevorderde exploitatieverbod, omdat zij nog niet kon vaststellen dat sprake was van de door de VvE in dit verband gestelde geur- en geluidsoverlast. De rechtbank zag aanleiding om ter beoordeling daarvan een deskundige te benoemen en heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
De VvE heeft na het tussenvonnis – bij haar akte vermindering van eis – haar hiervoor geschetste primaire en subsidiaire vorderingen ingetrokken. Bij deze stand van zaken kan de in het tussenvonnis aangekondigde deskundigenrapportage achterwege blijven.
De toewijsbare vorderingen van de VvE
In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat de vorderingen – zoals omschreven in bijlage I onder v en viii bij dat vonnis – zullen worden toegewezen. Verder is in het tussenvonnis geoordeeld dat de vordering zoals omschreven in bijlage I onder vi bij dat vonnis zal worden toegewezen tot een bedrag van € 8.393,76 alsook de daarover gevorderde wettelijke rente.
De rechtbank wijst de vordering zoals omschreven in bijlage I onder v eerste alinea bij het tussenvonnis toe, met inachtneming van het volgende. De VvE vordert dat de rechtbank:
[gedaagden] verbiedt schade toe te brengen aan de gemeenschappelijke gevel althans verbiedt deze te (doen) bevuilen,
[gedaagden] veroordeelt maatregelen te treffen om die schade in de toekomst te voorkomen,
de gevel aan de achterzijde van het gebouw professioneel te laten reinigen binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis, een en ander op kosten van [gedaagden] te beoordelen door of namens De Alliantie VvE diensten of een (andere) door de VvE te nomineren deskundige, onder bepaling dat het vonnis ook een titel tot verhaal op gedaagden van de daaraan verbonden kosten inhoudt.
De rechtbank begrijpt uit de – door [gedaagden] onweersproken – toelichtingen van de VvE dat bij de kaasproductie in de bedrijfsruimte vrijgekomen dampen een witte waas hebben achtergelaten op de gemeenschappelijke achtergevel van het gebouw en dat die gevel in die zin beschadigd is geraakt. De hiervoor in 2.6 geschetste vordering van de VvE houdt hiermee verband en wordt dan ook met dien verstande toegewezen dat:
het [gedaagden] in ieder geval verboden wordt dat zij schade toebrengt aan de gemeenschappelijke gevel, althans deze bevuilt of doet bevuilen, in de zin dat als gevolg van haar kaasproductie in de bedrijfsruimte een witte waas op die gevel ontstaat,
[gedaagden] in ieder geval maatregelen dient te treffen om het ontstaan van die witte waas in de toekomst tegen te gaan,
de op dit moment aanwezige witte waas op de achtergevel van het gebouw door een professionele partij dusdanig wordt gereinigd dat die – voor zover mogelijk volledig – verwijderd wordt.
De VvE heeft over de hiervoor in 2.6 geschetste vordering ook een veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom gevorderd (zie bijlage I onder v tweede alinea bij het tussenvonnis). Ook daartegen heeft [gedaagden] geen verweer gevoerd.
Een dwangsom kan evenwel niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat de door de VvE gevorderde dwangsom niet wordt toegewezen over de hieronder in 3.4 uit te spreken veroordeling van [gedaagden] in de door de VvE te maken kosten in verband met de beoordeling van De Alliantie VvE Diensten of een (andere) door de VvE te nomineren deskundige van de reiniging van de achtergevel van het gebouw.
Voor het overige wordt de door de VvE gevorderde dwangsom toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom verschuldigd zal zijn per dag dat [gedaagden] in gebreke blijft met de uitvoering van het hieronder in 3.1 uit te spreken verbod en de hieronder in 3.2 en 3.3 uit te spreken veroordelingen en niet – zoals de VvE ook vordert – per gedeelte daarvan.
De overige vorderingen van de VvE worden afgewezen
In het tussenvonnis is reeds aangekondigd dat de overige vorderingen van de VvE – zoals omschreven in bijlage I onder i, iii, iv, vi (derde alinea) en vii bij dat vonnis – worden afgewezen.
De proceskosten
Omdat partijen over en weer op punten in het (on)gelijk worden gesteld, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in de zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
verbiedt [gedaagden] schade toe te brengen aan de gemeenschappelijke gevel, althans deze te (doen) bevuilen, met inachtneming van wat hiervoor in 2.7 onder i is overwogen,
veroordeelt [gedaagden] maatregelen te treffen om schade aan de gemeenschappelijke gevel in de toekomst te voorkomen, met inachtneming van wat hiervoor in 2.7 onder ii is overwogen,
veroordeelt [gedaagden] de gevel aan de achterzijde van het gebouw, waarop een witte waas zichtbaar is, binnen veertien dagen na heden op eigen kosten professioneel te laten reinigen, met inachtneming van wat hiervoor in 2.7 onder iii is overwogen en een en ander te beoordelen door of namens De Alliantie VvE Diensten of een (andere) door de VvE te nomineren deskundige,
veroordeelt [gedaagden] in de door de VvE te maken kosten in verband met de
hiervoor in 3.3 omschreven beoordeling van De Alliantie VvE Diensten of een (andere) door de VvE te nomineren deskundige,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom aan de VvE van € 1.000,00 per dag na de betekening van dit vonnis dat zij in gebreke blijft met de uitvoering van het hiervoor in 3.1 genoemde verbod en de hiervoor in 3.2 en 3.3 genoemde veroordelingen,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom aan de VvE van € 2.500,00 per dag vanaf de elfde dag na de betekening van dit vonnis dat zij in gebreke blijft met de uitvoering van het hiervoor in 3.1 genoemde verbod en de hiervoor in 3.2 en 3.3 genoemde veroordelingen,
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 8.393,76, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 28 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan de VvE van € 12.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 28 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in de zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt,
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.