RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12050652 \ CV EXPL 26-489
Vonnis van 24 april 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
RSN DELIVERY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: RSN,
gevolmachtigde: I.S. Sardjoe Mishre.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025, met producties,
- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van 13 januari 2026,
- het tussenvonnis van 27 januari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2. De feiten
[eiser] heeft een eenmanszaak en voert daarmee schoonmaakwerkzaamheden en bezorgdiensten uit. RSN is een bedrijf dat zich bezighoudt met bezorgdiensten.
Tussen partijen bestond een mondelinge overeenkomst op grond waarvan [eiser] bezorgers ter beschikking stelde aan RSN. RSN liet deze bezorgers diensten uitvoeren voor opdrachtgevers als DHL.
RSN stuurde voor de bezorgdiensten ‘self-billing-facturen’ aan [eiser] waarin de gewerkte uren en de uit te betalen bedragen werden gespecificeerd. [eiser] werd vervolgens betaald door RSN.
In december 2024 heeft RSN bij [eiser] bepaalde stukken opgevraagd in het kader van de Wet Ketenaansprakelijkheid (hierna: WKA en WKA-stukken). RSN heeft die WKA-stukken niet ontvangen en heeft op een gegeven moment de betalingen aan [eiser] stopgezet.
In april en mei 2025 heeft [eiser] facturen aan RSN gestuurd voor uitgevoerde bezorgdiensten van week 6 tot en met week 11 van 2025. Het totaalbedrag van de gestuurde facturen is € 7.980,83 en komt overeen met (het totaal van) de bedragen die staan op de door RSN verstrekte self-billing-facturen van die weken.
RSN heeft de facturen van [eiser] of haar eigen self-billing facturen tot op heden niet betaald.
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, RSN veroordeelt tot betaling van:
€ 7.980,83 aan hoofdsom;
€ 524,58 aan rente tot 12 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 7.980,83 vanaf 12 december 2025;
€ 774,04 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten, te vermeerderen met rente.
Aan deze vorderingen legt [eiser] kort gezegd ten grondslag dat hij bezorgdiensten heeft laten uitvoeren voor RSN en dat hij op grond van de mondelinge overeenkomst tussen partijen daarvoor betaald moet krijgen.
RSN voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Zij beroept zich kort gezegd op opschorting van de betalingsverplichting omdat zij de gevraagde WKA-stukken niet heeft gekregen van [eiser].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
RSN heeft een betalingsverplichting
Tussen partijen is niet in geschil dat de door [eiser] gefactureerde bezorgdiensten zijn uitgevoerd en dat RSN hem daar in principe voor moet betalen. Verder zijn partijen het eens over de hoogte van de facturen van [eiser], nu deze overeenkomt met de hoogte van de door RSN zelf opgestelde self-billing facturen. In beginsel heeft RSN dus een betalingsverplichting tegenover [eiser].
Voor die betalingsverplichting is niet relevant dat [eiser] normaal gesproken alleen op basis van de self-billing facturen werd betaald of dat de facturen van [eiser] ‘schoonmaakwerkzaamheden’ vermelden in plaats van bezorgdiensten. RSN heeft immers erkend dat zij (op grond van de mondelinge overeenkomst) [eiser] moet betalen voor de geleverde bezorgdiensten.
RSN kan haar betalingsverplichting niet opschorten
RSN voert aan dat [eiser] zich niet aan de voorwaarde heeft gehouden om WKA-stukken te sturen. Zonder deze stukken kan RSN niet aantonen dat [eiser] aan de WKA voldoet, waardoor DHL op haar beurt RSN niet betaalt voor de geleverde bezorgdiensten. RSN hoeft [eiser] niet te betalen zolang hij de gevraagde stukken niet aanlevert, aldus steeds RSN.
De rechtbank begrijpt het verweer van RSN als een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting. Dat beroep slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op opschorting is in dit geval nodig dat op [eiser] de verbintenis rust om (op verzoek) WKA-stukken te sturen aan RSN. Uit niets blijkt echter dat partijen daarover iets zijn overeengekomen of dat de ontvangst van de WKA-stukken een ‘voorwaarde’ is voor betaling. Tussen partijen bestaat slechts een mondelinge overeenkomst, en gesteld noch gebleken is dat partijen iets hebben afgesproken over de verantwoordelijkheden van [eiser] in het kader van de WKA. RSN had en heeft dus geen geldige reden om de betaling van de door [eiser] geleverde bezorgdiensten op te schorten.
Hoewel RSN belang heeft bij de ontvangst van WKA-stukken van [eiser] en het voorstelbaar is dat zij bij het gebrek daaraan problemen krijgt met opdrachtgevers, ligt dat in de risicosfeer van RSN. Als zij dit soort risico’s had willen beperken, had zij dat moeten doen vóórdat zij [eiser] inschakelde. Bijvoorbeeld door hem vooraf te controleren of door anderszins vooraf afspraken te maken over (het meewerken aan) de WKA-controles. RSN kan zich niet achteraf – nadat de bezorgdiensten zijn uitgevoerd – op een voorwaarde beroepen die niet is afgesproken.
Het voorgaande betekent dat op RSN onverkort een betalingsverplichting rust en dat zij de facturen van [eiser] moet betalen. Daarom wordt het volgende bedrag toegewezen:
- hoofdsom - rente tot 12 december 2025
€€
7.980,83524,58
+
Totaal
€
8.505,41
rente
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 12 december 2025. Die vordering wordt als onbetwist toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. RSN heeft dit ook niet betwist. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 774,04 worden toegewezen.
proceskosten
RSN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
360,00
(1 punt × € 360,00)
Totaal
€
747,35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt RSN om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.505,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.980,83, met ingang van 12 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt RSN om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 774,04 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt RSN in de proceskosten van € 747,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als RSN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt RSN tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.