2. De beoordeling
[eiser] was werkzaam bij Evean per 1 augustus 2023 op basis van een leerwerkovereenkomst als leerling verzorgende IG, naast haar opleiding bij het ROC . Op 26 juni 2024 is de overeenkomst als gevolg van twee onvoldoende beoordelingen op grond van een beding in de arbeidsovereenkomst door Evean opgezegd per 1 september 2024. [eiser] heeft Evean op 17 november 2025 gedagvaard.
[eiser] vordert in deze procedure primair € 30.000,00 aan schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en subsidiair een billijke vergoeding van € 25.000,00 vanwege kennelijk onredelijk ontslag.
Evean voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid omdat [eiser] niet tijdig een verzoekschrift hiertoe heeft ingediend.
Ter zitting heeft [eiser] haar standpunten toegelicht en verklaard dat zij van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst niet had mogen worden beëindigd. Evean heeft haar ten onrechte onvoldoende beoordelingen gegeven, haar daarbij ten onrechte beschuldigd van diefstal en onheus bejegend. Hierdoor heeft zij de gevorderde schade geleden.
Gelet op het gesloten ontslagstelsel en de omstandigheid dat de schadevergoedingsvordering dus kennelijk alleen ziet op het ontslag en de wijze waarop dit ontslag tot stand is gekomen, had [eiser] ingevolge artikel 7:686a juncto 7:681 van het Burgerlijk Wetboek binnen twee maanden na het ontslag per 1 september 2024 een verzoekschriftprocedure moeten starten en daarbij om een billijke vergoeding kunnen verzoeken. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij ook toen al werd bijgestaan door haar gemachtigde. Door dit niet te doen is het recht om dit nu alsnog te doen vervallen. [eiser] is dan ook niet ontvankelijk in haar primaire en subsidiaire vorderingen, nog los van de omstandigheid dat de kennelijk onredelijk ontslagprocedure op 1 juli 2015 met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is vervallen.
[eiser] is niet-ontvankelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Evean worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.158,00
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.158,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan proces-verbaal,