ECLI:NL:RBAMS:2026:5386

ECLI:NL:RBAMS:2026:5386

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 13/214717-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tussenvonnis. Bewezenverklaring artikel 6 Wvw (feit 1 primair) en artikel 8 Wvw (feit 2). Door met veel te hoge snelheid en onder invloed van alcohol en cannabis te rijden heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Heropening van het onderzoek. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte en geeft de officier van justitie opdracht een reclasseringsrapport te laten opstellen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

tussenvonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/214717-25

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Molleman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 november 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1 primair: het zich als bestuurder van een bedrijfsauto zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair: het zich als bestuurder van een bedrijfsauto zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;

2. het besturen van een motorrijtuig onder invloed van THC (5,0 microgram per liter bloed) en alcohol (0,68 milligram per milliliter bloed).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW) kan worden bewezen. Verdachte heeft aanmerkelijke schuld aan het ongeval. Aan [het slachtoffer] is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Feit 2 (artikel 8 WVW) kan ook worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair (artikel 6 WVW) bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat geen sprake is van aanmerkelijke schuld. Het ging om een eenmalige fout en een enkel moment van onoplettendheid en dat is onvoldoende voor de bewezenverklaring van schuld. Mocht de rechtbank toch tot (enige) schuld in de zin van artikel 6 WVW komen, dan bepleit de raadsvrouw subsidiair dat in ieder geval van roekeloosheid geen sprake is. Ten aanzien van feit 1 subsidiair (artikel 5 WVW) heeft de raadsvrouw bepleit dat geen sprake is van gevaarzettend gedrag nu verdachte gelet op de omstandigheden ter plaatse niet te hard heeft gereden. Verdachte was weliswaar onder invloed van alcohol en THC, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit invloed heeft gehad op zijn rijgedrag. Feit 3 (artikel 8 WVW) kan volgens de raadsvrouw worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 19 november 2024 uur omstreeks 20:08 uur heeft op [straat 1] in Amsterdam een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed als bestuurder in een bedrijfsauto, een Peugeot Partner. Hij kwam uit de richting van [straat 2] en reed in de richting van [straat 3] . [het slachtoffer] zat als bijrijder in het voertuig.

[straat 1] bestaat uit vier rijbanen. Bij de onderdoorgang van [naam plein] maakt de weg een bocht naar links. Daar is de weg door middel van een middengeleider onderverdeeld in twee rijbanen voor verkeer uit tegenovergestelde richtingen. De rijbaan die verdachte bereed was ter hoogte van het verkeersongeval verdeeld in twee rijstroken, die onderling werden gescheiden door een onderbroken wegmarkering. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse is 30 kilometer per uur.

Op de camerabeelden van [naam plein] is te zien dat de bestelauto van verdachte in beeld komt, waarbij geen overig verkeer zichtbaar is. De bestelauto slipt en botst tegen een lichtmast die op de middengeleider staat. Vervolgens begint het voertuig te roteren waardoor een persoon (de rechtbank begrijpt: [het slachtoffer] ) uit de rechterzijde van het voertuig wordt geslingerd.

Door de Forensische Opsporing Verkeer is op basis van de camerabeelden een onderzoek gedaan naar de snelheid van het voertuig van verdachte. De snelheid is berekend over de laatste 16,13 meter tot 20,09 meter voorafgaand aan de plaats waar de bedrijfsauto de lichtmast heeft geraakt. Uit het onderzoek blijkt dat de minimale snelheid die verdachte op dit stuk heeft gereden 62 kilometer per uur is en de maximale snelheid 78 kilometer per uur. Hierbij is opgemerkt dat dit een gemiddelde snelheid betreft. De berekening heeft plaatsgevonden bij een voertuig die een slipbeweging maakt. Volgens het onderzoeksteam zal de snelheid van het voertuig voorafgaand aan deze berekening hoger moeten hebben gelegen, omdat de snelheid van het voertuig wordt verminderd door de slippende beweging.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bekend was met [straat 1] . Hij verloor de controle over het voertuig. Vervolgens voelde hij een harde klap en hij zag dat [het slachtoffer] uit de auto werd geslingerd. Verder kan verdachte zich niets herinneren van het ongeluk.

Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (0,68 milligram alcohol per milliliter bloed) en cannabis (5,0 microgram cannabis (THC) per liter bloed).

[het slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval ernstig hersenletsel en meerdere aangezicht- en schedelfracturen opgelopen. Hij heeft op 27 mei 2025 verklaard dat hij een hersenbloeding heeft gehad en twee dagen in coma heeft gelegen in het ziekenhuis. Hij heeft weer moeten leren lopen in het revalidatiecentrum waar hij anderhalve maand is opgenomen geweest. Hij is nog steeds aan het revalideren en moet een aantal keer per week naar het revalidatiecentrum. Hij kan niet te lang naar school, omdat hij dan overprikkeld en oververmoeid raakt.

Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW)

Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.

Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De gereden snelheid

Wat de exacte snelheid is geweest waarmee verdachte heeft gereden, is op basis van het dossier niet met zekerheid vast te stellen. Uit de berekening van de Forensische Opsporing Verkeer volgt dat verdachte de laatste meters voor de botsing met de lichtmast met een snelheid van tussen de 62 en 78 kilometer per uur heeft gereden. Omdat deze berekening is gebaseerd op het korte traject dat is te zien op de camerabeelden en op dat moment de slipbeweging van het voertuig al was ingezet, moet echter de snelheid van het voertuig voorafgaand aan de camerabeelden hoger hebben gelegen. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte voorafgaand aan het ongeval met een veel te hoge snelheid heeft gereden.

Mate van schuld

Door met een veel te hoge snelheid en onder invloed van alcohol en cannabis te rijden heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het alcoholgehalte in het bloed van verdachte meer dan driemaal zo hoog was als is toegestaan bij gecombineerd middelengebruik en het THC-gehalte (cannabis) vijfmaal zo hoog. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijk gebruik van alcohol en drugs de rijvaardigheid en het reactievermogen van een verkeersdeelnemer negatief beïnvloedt. Bij gebreke van enige concrete aanwijzing voor een andere oorzaak stelt de rechtbank vast dat dit rijgedrag en het middelengebruik door verdachte ertoe heeft geleid dat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt en daardoor het ongeval heeft plaatsgevonden waarbij [het slachtoffer] uit de auto is geslingerd. Anders dan door de raadsvrouw betoogd is gelet op de gedragingen van verdachte, die de rechtbank in samenhang beziet, van één moment van onoplettendheid of eenmalige fout dan ook geen sprake geweest.

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt vast dat het hiervoor omschreven letsel van [het slachtoffer] , dat is veroorzaakt door het ongeval, van dien aard was dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Uit de verklaring van [het slachtoffer] van 27 mei 2025 blijkt bovendien dat hij op dat moment, dus zes maanden na het ongeval, nog niet was hersteld en dat hij nog een aantal keer per week naar het revalidatiecentrum ging. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Beoordeling van feit 2 (artikel 8 WVW)

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor in rubriek 3.3.1. is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.3.1, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte

1.

op 19 november 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Peugeot Partner), daarmee rijdende op [straat 1] , zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [het slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten breuken in het gezicht en de schedel en hersenletsel,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over [straat 1] , komende uit de richting van [straat 2] en gaande in de richting van [straat 3] ,

terwijl verdachte onder invloed was van alcohol en cannabis, verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid, te weten minimaal 62 kilometer per uur op een plaats waar de toegestane maximumsnelheid 30 kilometer per uur betrof, in elk geval met een snelheid die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, en

verdachte heeft niet, althans onvoldoende voor zich gekeken en opgelet en de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig geregeld dat hij in staat was om deze gelet op het wegverloop onder controle te houden en

verdachte is vervolgens in een slip gekomen en tegen een lichtmast op de middengeleider tussen de rijbanen aangebotst, waardoor de auto is gaan roteren en voornoemde [het slachtoffer] als bijrijder uit de auto is geslingerd,

waardoor aan deze [het slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

2.

op 19 november 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW 1994 het gehalte in zijn bloed van die aangewezen stof 5,0 microgram THC per liter bloed, en alcohol 0,68 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Heropening van het onderzoek

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) gevorderd voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke problematiek van verdachte, die ernstig en meervoudig is. Hij is zijn moeder verloren na een lang ziekbed, hij heeft schulden en mentale klachten. Verdachte werkt momenteel bij zijn vader, maar die werkzaamheden houden slechts in dat hij naast zijn vader in de auto zit. Andere klussen kan verdachte niet aan. Verdachte staat nadrukkelijk open voor hulp en toezicht omdat hij vastloopt in het leven. De vader van verdachte vraagt dringend om hulp. Er is momenteel contact met een jongerenadviseur van de gemeente Amsterdam en reclasseringshulp zou goed aansluiten op die reeds ingezette ondersteuning. De raadsvrouw heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde taakstraf en OBM te matigen. Daarnaast heeft zij verzocht om reclasseringscontact op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aan zien van de op te leggen straf neemt de rechtbank het volgende n aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte is onder invloed van alcohol en cannabis de weg opgegaan en hij heeft met veel te hoge snelheid over [straat 1] gereden. Vervolgens kon hij zijn voertuig niet onder controle houden, is hij in de slip geraakt en tegen een lichtmast aangebotst, waardoor de auto is gaan roteren en [het slachtoffer] uit de auto werd geslingerd. Door zijn rijgedrag heeft verdachte veel leed veroorzaakt bij [het slachtoffer] . [het slachtoffer] , die ten tijde van het ongeval 17 jaar oud was, heeft door het ongeval hersenletsel en breuken in zijn gezicht en schedel opgelopen. Zes maanden na het ongeluk was hij nog aan het revalideren.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 maart 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een Opiumwetfeit.

Heropening van het onderzoek

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De reclassering heeft meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met verdachte teneinde een reclasseringsrapport op te stellen. Ook de officier van justitie heeft verdachte bij meerdere brieven geïnformeerd over de procedure die tegen hem liep en hem geadviseerd om een advocaat in te schakelen. Verdachte heeft nooit op de reclassering gereageerd en pas een week voor de zitting contact met een advocaat gezocht. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat het in die periode niet goed met hem ging en dat hij zich pas heel laat realiseerde dat hij hulp nodig heeft. Om die reden heeft zijn raadsvrouw, zodra zij de zaak in behandeling kreeg en met verdachte had gesproken, voorafgaand aan de zitting een aanhoudingsverzoek gedaan om alsnog een reclasseringsrapport te laten opstellen. Dat verzoek heeft de rechtbank niet op voorhand toegewezen, maar de gestelde noodzaak van het alsnog op laten stellen van een reclasseringsrapport is ter zitting wel aan de orde geweest.

Ter zitting is de rechtbank gebleken dat verdachte gebaat is bij hulp. Verdachte heeft ook uitdrukkelijk verklaard dat hij geholpen wil worden. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat sprake is van problematiek en onmacht bij verdachte en dat hij en zijn vader, ondanks de inspanningen die door vader worden geleverd, tegen de beperkingen van het systeem aanlopen. Het is onduidelijk welke hulp in gang is gezet en welke hulp aanvullend nodig is. De rechtbank acht het van belang dat dit door de reclassering in kaart wordt gebracht en dat wordt geadviseerd of reclasseringstoezicht nodig is, en zo ja, welke bijzondere voorwaarden daarbij moeten gelden.

Nu het onderzoek ter terechtzitting gelet hierop niet volledig is geweest, zal de rechtbank dit om die reden heropenen. De rechtbank geeft de officier van justitie opdracht een adviesrapportage door de reclassering op te (laten) stellen.

8. Beslissing

De rechtbank

- heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

- geeft de officier van justitie opdracht om een adviesrapport door de reclassering op te laten stellen;

- beveelt de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen terechtzitting;

- bepaalt dat de zaak vervolgens moet worden aangebracht en dat daarvoor 45 minuten moeten worden uitgetrokken;

- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;

- beveelt dat de benadeelde partij schriftelijk in kennis wordt gesteld van de datum en het tijdstip van de volgende terechtzitting;

- beveelt de zaak op een zitting met dezelfde zittingscombinatie aan te brengen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. Beunk, voorzitter,

mrs. D. Bode en D.M.S. Gribling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.M. Beunk

Griffier

  • mr. S. van Gerven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand