ECLI:NL:RBAMS:2026:5461

ECLI:NL:RBAMS:2026:5461

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer C/13/771545 / HA ZA 25-1227
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Rechtbank Amsterdam is bevoegd op grond van artikel 6 onder e Rv en de vaste jurisprudentie daarover. GPI stelt dat ET onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het instellen van twee strategische rechtszaken in de VS die gaan over de deelname van GPI aan het publieke debat (of: SLAPP) en door op internet zich negatief uit te laten over GPI. De SLAPP Richtlijn is niet van toepassing op deze procedure omdat de rechtszaken in de VS zijn ingesteld voordat de Richtlijn in werking is getreden (dus geen richtlijn conforme uitleg). Dit geldt ook voor de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 17 van de SLAPP Richtlijn die bovendien nog niet is geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/771545 / HA ZA 25-1227

Vonnis in incident van 3 juni 2026

in de zaak van

STICHTING GREENPEACE COUNCIL,

tegenwoordig geheten: STICHTING GREENPEACE INTERNATIONAL,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: GPI,

advocaat: mr. E.W. Jurjens,

tegen

de rechtspersonen naar buitenlands recht

1. ENERGY TRANSFER LP,

2. ENERGY TRANSFER OPERATING, L.P.,

3. DAKOTA ACCESS LLC,

alle gevestigd te Delaware (Verenigde Staten van Amerika), en kantoorhoudende te Dallas respectievelijk Houston, Texas (Verenigde Staten van Amerika),

gedaagde partijen in de hoofdzaak,

eisende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: ET,

advocaat: mr. J.H. Duyvensz,

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 11 februari 2025, met producties,

het vervangend processtuk van de incidentele conclusie strekkende tot exceptie van onbevoegdheid van rechtsmacht tevens litispendentie, met producties,

de conclusie van antwoord in het incident strekkende tot exceptie van onbevoegdheid van rechtsmacht tevens litispendentie, met producties,

de e-mail van 11 december 2025 van deze rechtbank waarin een mondelinge behandeling in het incident (op verzoek van partijen) is gelast,

de akte wijziging statutaire naam van GPI,

de akte overlegging producties 55 tot en met 58 van GPI,

de akte overlegging producties 74 tot en met 108 van ET,

het proces-verbaal van de op 16 april 2026 gehouden mondelinge behandeling en de daarin opgenomen proceshandelingen en processtukken,

de brief van 12 mei 2026 van mr. Jurjens met aanvullingen op het proces-verbaal,

de brief van 13 mei 2026 van mr. Duyvensz met aanvullingen op het proces-verbaal.

Van de nadere producties 55 tot en met 58 van GPI zijn voor de beoordeling in het incident toegelaten: producties 56 en 57. Van de nadere producties 74 tot en met 108 van ET zijn voor de beoordeling in het incident toegelaten: producties 96, 99 tot en met 102 en 105 tot en met 107.

Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.

2. De feiten in het incident

Het statutaire doel van GPI is het bevorderen van natuurbehoud. GPI heeft een ANBI status in Nederland. GPI heeft een lange-termijn strategisch campagne-programma ontwikkeld voor acties en activiteiten die haar statutaire doel dienen.

GPI coördineert het Greenpeace-netwerk, bestaand uit onafhankelijke nationale en regionale organisaties wereldwijd. De nationale en regionale organisaties zijn bestuurlijk onafhankelijk van GPI en ontwikkelen op basis van het strategisch campagne-programma zelfstandig projecten die zij in hun land of regio uitvoeren. Daarbij kunnen de nationale en regionale organisaties ondersteuning krijgen van GPI.

Gedaagden sub 1 en sub 2 hebben als kernactiviteit het vervoeren en opslaan van brandstoffen zoals gas en olie en zijn eigenaar van een van de grootste pijplijnsystemen in de Verenigde Staten van Amerika (VS). Gedaagde sub 3 is een joint-venture waarvan gedaagde sub 1 de belangrijkste partner is. Gedaagde sub 3 is eigenaar en exploitant van de ondergrondse oliepijpleiding bekend als de Dakota Access Pipeline (verder: DAPL).

In 2014 is ET (de drie gedaagden gezamenlijk) begonnen met de voorbereiding van de bouw van de bijna 2.000 km lange DAPL die vanuit North Dakota naar Illinois loopt. Deze oliepijpleiding kruist de Missouri-rivier op een kleine kilometer van het huidige reservaat van de Standing Rock Sioux-stam en loopt via een tunnel onder Lake Oahe (een stuwmeer in de Missouri-rivier). De Standing Rock Sioux-stam heeft zorgen geuit over de aanleg van DAPL, omdat wordt gevreesd voor de watervoorziening, alsook dat mogelijk schade wordt aangebracht aan oude begraafplaatsen of andere plaatsen van cultureel of historisch belang.

In 2016 heeft de Nederlandse NGO BankTrack een (open) brief aan een aantal financiers (internationaal opererende banken) gestuurd, waarin zij worden opgeroepen de financiering van DAPL te pauzeren totdat de zorgen van de Standing Rock Sioux-stam zijn geadresseerd. GPI heeft die brief ondertekend, tezamen met meer dan 500 andere organisaties.

ET heeft op 22 augustus 2017, na oplevering van DAPL, een artikel op internet geplaatst waarin zij aankondigt een rechtszaak in te stellen tegen onder andere GPI. De tekst van dit artikel luidt:

“(…) [ET, rb] today filed a federal lawsuit in the United States District Court for the District of North Dakota against Greenpeace International, Greenpeace Inc., Greenpeace Fund, Inc., BankTrack, Earth First!, and other organizations and individuals. The Complaint (…) alleges that this group of co-conspirators (the "Enterprise") manufactured and disseminated materially false and misleading information about Energy Transfer and the Dakota Access Pipeline ("DAPL") for the purpose of fraudulently inducing donations, interfering with pipeline construction activities and damaging Energy Transfer's critical business and financial relationships. The Complaint also alleges that the Enterprise incited, funded, and facilitated crimes and acts of terrorism to further these objectives. It further alleges claims that these actions violated federal and state racketeering statutes, defamation, and constituted defamation and tortious interference under North Dakota law.

The alleged Enterprise is comprised of rogue environmental groups and militant individuals who employ a pattern of criminal activity and a campaign of misinformation for purposes of increasing donations and advancing their political or business agendas. The Complaint describes the Enterprise's misinformation campaign that aggressively targeted Energy Transfer's critical business relationships, including the financing sources for DAPL and Energy Transfer's other infrastructure projects, by publicly demanding these financial institutions sever ties with Energy Transfer or face crippling boycotts and other illegal attacks.

The Complaint asserts that the attacks were calculated and thoroughly irresponsible, causing enormous harm to people and property along the pipeline's route. Dakota Access was a legally permitted project that underwent nearly three years of rigorous environmental review and for this reason, Energy Transfer believes it has an obligation to its shareholders, partners, stakeholders and all those negatively impacted by the violence and destruction intentionally incited by the defendants to file this lawsuit.

The DAPL misinformation campaign was predicated on a series of false, alarmist, and sensational claims that plaintiffs:

 encroached on tribal treaty lands;

 desecrated sacred sites of the Standing Rock Sioux Tribe's ("SRST") in constructing DAPL;

 constructed DAPL without consulting with and over the rights and objections of SRST; and

 used excessive and illegal force against peaceful protestors.

The Enterprise also claimed that the pipeline will inevitably result in catastrophic oil spills, poisoned water, and massive climate change, while ironically, members of the Enterprise deliberately and maliciously attempted to cut holes in the pipeline with torches which, if successful, would have resulted in significant environmental damage and possible loss of life.

The Enterprise supported these false claims with manufactured evidence, including phony GPS coordinates purporting to show the existence of cultural and religious artifacts along DAPL's corridor, and sham affidavits submitted in court.

In addition to its misinformation campaign, the Enterprise directly and indirectly funded eco-terrorists on the ground in North Dakota. These groups formed their own outlaw camp among peaceful protestors gathered near Lake Oahe, and exploited the peaceful activities of these groups to further the Enterprise's corrupt agenda by inducing and directing violent and destructive attacks against law enforcement as well as Plaintiffs' property and personnel. The Enterprise then flagrantly manipulated these "made-for-TV" events to raise more funds for the Enterprise. These terrorist groups also funded their activities and the Enterprise by using donations to fund a lucrative drug trafficking scheme inside the camps.

Other illegal activities directed at Energy Transfer and its executives that are alleged in the Complaint include persistent attempted cyber-attacks and telephonic and electronic threats to the physical safety of executives.

The Enterprise has conceded that their campaign has inflicted "hundreds of millions of dollars of damage to the Company," including increased costs of financing resulting from the Enterprise's interference with the Company's financial relationships and mitigation costs in response to the Enterprise's illegal and malicious campaign. These damages, as well as the harm to the Company's reputation, resulting from the Enterprise's misinformation campaign, continue to this day. Energy Transfer is seeking compensatory damages in an amount to be proven at trial as well as treble and punitive damages.

(…)”

Op 22 augustus 2017 heeft ET een rechtszaak tegen onder andere GPI ingesteld bij de federale rechter van North Dakota, zoals vermeld in bovenstaand artikel en met vergelijkbare of dezelfde stellingen (verder: de Federale Rechtszaak). ET beroept zich in deze Federale Rechtszaak op het federale recht van North Dakota, specifiek de Racketeer Influenced and Corrupt Organizations Act (verder: RICO Act).

Over het instellen van deze rechtszaak is de (toenmalige) CEO van ET geïnterviewd door ( [naam] van) televisiezender CNBC. Die CEO heeft toen gezegd:

“(…)

But, you know, [naam] , what happened to us here was tragic. I mean, that lies were being told, tens of millions of dollars were being raised by Greenpeace and others based on these lies. That - it’s clear. I mean, that the facts will show that they knew that the things that they were saying about us were inaccurate, things like we were on, uh, Indian property. Things that we didn’t communicate with the Standing Rock Sioux, things like that. I mean it was

just crazy stuff that they were saying, and we were greatly harmed by that, [naam] , and we're, we’re angry.

(…)

Well, they, first of all, they torched a lot of our equipment costing us millions of dollars. They attempted to cut holes in our pipeline. And [naam] , think about that, I mean, here’s some people that are saying we’re going to poison their water, and they’re trying to cut holes in on our pipeline so that it will leak, so that they can say that ‘yeah look, look what you did’. I mean, they - and not only that, our project was delayed by let’s say about 90 days, and we we lost millions of dollars as a result of this. And [naam] , we’ve got to do something. It’s, it’s, everybody’s afraid of these environmental groups and the fear that it may look wrong if you, if you, fight back with these people, but what they did to us is wrong and they are going to pay for it.

(…)

I am not afraid of these people at all. And, and I will tell you, they, they’re, they’re going to pay for this, they’re going to pay for this. The facts are good, and this can’t be allowed to happen. They’re doing this elsewhere in the country, same cast of characters, and somebody’s gotta stand up and we-we chose to do that.

(…)”

Deze CEO van ET heeft zich in andere interviews met televisiekanalen in vergelijkbare woorden uitgelaten over GPI.

In het vonnis van 14 februari 2019 heeft de Federale rechtbank van North Dakota de vorderingen van ET afgewezen omdat ten onrechte een beroep is gedaan op de RICO Act.

Op 21 februari 2019 heeft ET een rechtszaak ingesteld bij de Morton County District Court in North Dakota tegen onder andere GPI en lokale Greenpeace-entiteiten (verder: de Staatsrechtszaak). ET vordert in de Staatsrechtszaak een schadevergoeding van 300 miljoen USD, te vermeerderen met een vergoeding voor zogenoemde “exemplary damages”, die kunnen oplopen tot tweemaal het toegewezen bedrag aan gevorderde schadevergoeding.

De Staatsrechtszaak is door ET gebaseerd op onrechtmatige daad, waarin GPI onder meer wordt beschuldigd van

het maken van een “unlawful and violent scheme to cause financial harm”,

het hebben van een extremistische agenda door “means far outside the bounds of democratic political action, protest and peaceful, legally protected expression or dissent” en “militant direct action”,

het opzetten van een “large-scale, intentional dissemination of misinformation and outright falsehoods regarding [ET, rb] (…)”, en “a defamatory campaign to interfere with and (…) destroy [ET’s, rb] relationships with investors, financiers and other constituents”,

het plegen van “violent attacks against Plaintiff’s [ET, rb] employees and property”,

zich diffamerend uit te laten over ET,

het ondernemen van allerlei acties zoals inbraak, hinder, vernielingen, bedreigingen, sabotage, het onrechtmatig betreden van land, en anderen opzetten tot het betreden van land, hulp bieden aan andere demonstranten, onrechtmatig bemoeien met zakelijke relaties van ET en ‘civil conspiracy’ met de andere gedaagden om dit alles te bereiken.

Inmiddels hebben de jury en de rechter uitspraak gedaan in de Staatsrechtszaak. GPI is daarin aansprakelijk bevonden voor haar deelname in de campagne financiers te overtuigen zich terug te trekken uit de DAPL en het bevorderen van demonstraties tegen de aanleg van de DAPL waarin op onrechtmatige wijze is geprotesteerd tegen de aanleg van de DAPL. Dit betreft de beschuldigingen uit de dagvaarding van ET van: ‘conspiracy’, ‘defamation’ en ‘tortious business interference’. De gedaagden gezamenlijk zijn veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van een bedrag van USD 345.000.000, het aandeel van GPI daarin is vastgesteld op USD 64.357.100. GPI heeft aangekondigd een ‘Motion for a New Trial’ in te dienen en ET heeft aangekondigd hoger beroep te zullen instellen van het vonnis van de Morton County District Court.

Het bericht van 22 augustus 2017 (zie onder 2.6) is in 2025 ook beschikbaar gemaakt op de door ET beheerde website “GREENPEACE LAWSUIT: THE FACTS ABOUT ENERGY TRANSFER PARTNERS VS. GREENPEACE”.

Sinds de dagvaarding in deze procedure heeft ET in verschillende publicaties meningen over GPI geuit die vergelijkbaar zijn met het artikel over de Federale Rechtszaak en de standpunten van ET in de Staatsrechtszaak. De Amerikaanse advocaat van ET heeft zich ook in die termen uitgelaten over GPI in websiteartikelen uit maart 2025.

In juli 2025 heeft ET in de Staatsrechtszaak de rechter verzocht GPI een gebod op te leggen deze procedure voor deze rechtbank te staken (in de VS bekend als ‘anti-suit injunction’). Dit verzoek is bij vonnis van 9 september 2025 afgewezen door de Morton County District Court. ET heeft hoger beroep ingesteld van die beslissing.

3. Het geschil

in de hoofdzaak

GPI vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat

o de handelswijze van ET jegens GPI, waaronder het aanspannen van de Federale rechtszaak en de Staatsrechtszaak en het doen van onjuiste uitingen over GPI, onrechtmatig jegens GPI is, en

o ET misbruik van recht heeft gemaakt door het aanspannen van de Federale rechtszaak en de Staatsrechtszaak en dat deze rechtszaken kwalificeren als SLAPP procedures in de zin van Richtlijn 2024/1069 (de SLAPP Richtlijn);

en verder veroordeling van ET tot

o betaling van een schadevergoeding (op te maken bij staat),

o het publiceren van het vonnis in de Engelse taal op haar website,

o het plaatsen van een persbericht op haar website met – kort gezegd – uitleg over de uitkomst van deze procedure, en

o betaling van de volledige proceskosten.

GPI stelt daartoe – in hoofdlijnen voor zover van belang in dit incident – dat ET zogenaamde SLAPP procedures heeft ingesteld tegen GPI in North Dakota (de Federale Rechtszaak en de Staatsrechtszaak) en, na de dagvaarding in deze procedure, de anti-suit injunction en het hoger beroep tegen de afwijzing daarvan. GPI heeft slechts de brief van BankTrack mede ondertekend en zo geparticipeerd in het publieke debat over de aanleg van DAPL. Daarbij maakt GPI gebruik van haar vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM). ET mag die uitingsvrijheid niet proberen te beperken door langdurige en kostbare gerechtelijke procedures in haar thuisland in te stellen waarin bovendien een zeer hoge schadevergoeding wordt gevorderd. De gerechtelijke procedures in North Dakota zijn ongegrond omdat ET zonder enige feitelijke basis GPI beschuldigt van:

het uiten van onjuiste informatie over ET en DAPL,

extremistische en terroristische doeleinden en

allerlei strafbare feiten die GPI niet heeft gepleegd.

ET heeft haar ongegronde beschuldigingen richting GPI ook geuit in publicaties op internet die ook in Nederland kunnen worden gelezen en in televisie-interviews.

Dit alles kwalificeert als misbruik van recht (artikelen 6:162 en 3:13 BW). Volgens het wetsvoorstel ter implementatie van de SLAPP Richtlijn en de (concept) Memorie van Toelichting (MvT) daarbij voldoet het Nederlandse materiële recht al aan hetgeen de SLAPP Richtlijn verlangt van de lidstaten. De bepalingen uit die Richtlijn waren dus al geldend recht in Nederland. Daarom kan GPI een beroep doen op de SLAPP Richtlijn, in ieder geval op de richtlijnconforme uitleg van voormelde artikelen.

Uit de MvT bij het wetsvoorstel ter implementatie van de SLAPP Richtlijn volgt ook dat artikel 17 lid 1 van die Richtlijn geen omzetting behoeft omdat het Nederlandse procesrecht in artikel 6 onder e Rv al voorziet in rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Volgens de MvT mag immers in geval van een SLAPP in een derde land gericht tegen een in Nederland woonachtig persoon worden aangenomen dat de directe schade zich (ook) in Nederland voordoet. De Nederlandse rechter heeft dus rechtsmacht omdat moet worden aangenomen dat GPI (ook of in elk geval) in Nederland schade lijdt, waar het centrum van haar belangen is.

GPI lijdt in Nederland schade als gevolg van de procedures in North Dakota en de uitingen van ET. Dit betreft financiële schade, namelijk de kosten van advocaten en externe experts in de VS, reis- en verblijfskosten van GPI-medewerkers voor proceshandelingen in de VS die GPI moet betalen, en mogelijk een lager bijdrage van de Amerikaanse Greenpeace-entiteiten aan GPI. Daarnaast heeft GPI teams en projecten samengesteld om te reageren op de rechtszaken en de reputatie en de vrijheid van meningsuiting van GPI te verdedigen; de medewerkers die aan deze teams, projecten en campagnes deelnemen kunnen hun gewone werk voor het statutaire doel van GPI (natuurbehoud) niet doen, wat leidt tot frustratie van het ideële doel van GPI. Dit raakt ook het vervullen van de doelstellingen van GPI in andere delen van de wereld.

GPI lijdt ook reputatieschade als gevolg van de Amerikaanse rechtszaken en de uitingen van ET op internet. Die reputatieschade wordt geleden in Amsterdam, het centrum van de belangen van GPI. Sinds de oprichting is zij namelijk gevestigd en kantoorhoudend te Amsterdam. Daarnaast voldoet zij in Amsterdam aan haar wettelijke verplichtingen voor een NGO met ANBI-status en op veel door GPI gesloten overeenkomsten (arbeidsovereenkomsten met werknemers en licentieovereenkomsten voor gebruik van handelsmerken van GPI) is Nederlands recht van toepassing. Deze rechtbank komt daarom rechtsmacht toe voor de vorderingen van GPI op ET, aldus steeds GPI.

in het incident

ET vordert primair dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van GPI (op ET), dan wel (subsidiair) dat de rechtbank:

i) de behandeling van de zaak aanhoudt totdat in de Staatsrechtzaak dan wel in een daaropvolgend hoger beroep een in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing is gewezen en

ii) nadat die voornoemde in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing is gewezen, zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van GPI (op ET).

Een en ander met veroordeling van GPI in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

ET stelt daartoe – kort gezegd – dat de SLAPP Richtlijn in 2024 van kracht is geworden, en op 7 mei 2026 moet zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving. De SLAPP Richtlijn heeft geen terugwerkende kracht en is dus niet van toepassing op de in 2017 ingestelde Federale Rechtszaak en de in 2019 aanhangig gemaakte Staatsrechtszaak.

De rechtsmacht van deze rechtbank dient in dit geval te worden vastgesteld aan de hand van artikel 6 onder e Rv. Daaraan is niet voldaan. De door GPI gestelde schadebrengende feiten hebben plaatsgevonden in North Dakota, de VS (Handlungsort). Of deze rechtbank rechtsmacht toekomt op grond van de in Nederland ingetreden gestelde schade (Erfolgsort) dient te worden getoetst aan de jurisprudentie van het HvJ EU over artikel 7 punt 2 Brussel I bis. Daaruit volgt dat niet iedere plaats waar de beweerde schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In dit geval waarin slechts sprake is van (beweerdelijk) zuivere vermogensschade als gevolg van schade die zich initieel in de VS heeft voorgedaan, kwalificeert Nederland niet als Erfolgsort, tenzij sprake is van andere bijzondere omstandigheden van de zaak die bevoegdheid rechtvaardigen. Dergelijke bijzondere omstandigheden moeten zich in Nederland hebben voorgedaan, dan wel merkbaar zijn, en er moet een causaal verband zijn tussen die bijkomstige omstandigheden en de beweerde onrechtmatige daad van ET. GPI heeft dat niet gesteld, dan wel niet onderbouwd. De standpunten van GPI betreffen slechts vermogensschade (zuiver financieel) dan wel gevolgschade van die gemaakte kosten voor de procedures in de VS. Daarbij is het maar de vraag of GPI de proceskosten voor de procedures in de VS zelf heeft betaald.

Uit niets is gebleken dat GPI disproportioneel veel tijd moet besteden aan de Amerikaanse procedures waardoor er minder ruimte is voor het vervullen van haar doelstellingen. Dan nog is dit een gevolg van het beweerde schadeveroorzakende voorval dat in de VS heeft plaatsgevonden.

Voor de gestelde reputatieschade geldt dat eventuele reputatieaantasting in de VS plaatsvindt, waar de beweerdelijke SLAPPs zijn ingesteld. Verder is vereist het centrum van belangen van GPI te lokaliseren. In het geval dat het grootste deel van de activiteiten wordt verricht in een andere (lid)staat dan de statutaire zetel, zoals in het geval van GPI, ligt het voor de hand dat een gerecht van die andere (lid)staat het best kan oordelen over de beweerde aantasting van de reputatie. GPI is een wereldwijd opererende organisatie, en zij coördineert haar nationale organisaties bij de uitvoering van de doelstellingen en verleent bijstand aan nationale en regionale organisaties over de gehele wereld, zoals gebleken is in de anti-DAPL protesten in de VS. Verder zijn de meeste werknemers van GPI buiten Nederland werkzaam. Er is dus geen centrum van belangen van GPI te lokaliseren in Amsterdam.

Bovendien is het redelijkerwijs niet voorzienbaar geweest voor ET dat zij voor deze rechtbank zou kunnen worden gedagvaard terzake de door GPI gestelde onrechtmatigheid van de Amerikaanse procedures, die zijn gebaseerd op feiten die zich in de VS hebben voorgedaan en die zijn ingesteld voordat de eerste resolutie over de gewenste aanpak van SLAPP-procedures is aangenomen door het Europees Parlement.

In dit geval kan deze rechtbank geen rechtsmacht aannemen om kennis te nemen van de vorderingen uit onrechtmatige daad van GPI op ET.

Voor zover deze rechtbank zich wel bevoegd acht, dient deze procedure te worden aangehouden totdat een onherroepelijke eindbeslissing is genomen in de Staatsrechtszaak. Beide procedures zijn tussen dezelfde partijen en gaan over hetzelfde onderwerp. In deze procedure gaat het immers om de vraag of de vorderingen van ET in de Staatsrechtszaak kennelijk ongegrond zijn dan wel misbruik van recht opleveren. In de Staatsrechtszaak gaat het om de vraag of ET een deugdelijke grondslag heeft voor haar vorderingen op GPI tot het vergoeden van de door ET geleden schade. In beide procedures is dus de vraag of ET een gegronde vordering heeft. Dit is hetzelfde onderwerp. Bovendien is er kans op tegenstrijdige beslissingen door de twee rechtbanken. In artikel 12 Rv is bepaald dat in een dergelijk geval de rechter de Nederlandse procedure (die later is ingesteld) kan aanhouden en zich later onbevoegd dient te verklaren indien in de Amerikaanse procedure een eindbeslissing wordt genomen die voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt, aldus steeds ET.

GPI voert verweer overeenkomstig haar standpunten in de hoofdzaak over de bevoegdheid van deze rechtbank. Daar voegt zij aan toe dat de wetgever met de formulering van artikel 6 onder e Rv heeft beoogd de Nederlandse rechter ruimte te laten om zelf te beslissen of deze de uitleg van het HvJ EU van artikel 7 lid 2 Brussel I bis wil volgen, zodat dit artikel moet worden geïnterpreteerd conform de SLAPP Richtlijn. Hoewel het enkele feit dat schade is geleden op een Nederlandse bankrekening onvoldoende is voor het aannemen van rechtsmacht op grond van artikel 6 onder e Rv, zijn er talrijke andere elementen op grond waarvan deze zaak verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer. In dat verband voert GPI onder meer aan dat de directeur van GPI vanuit Nederland een (getuigen)verklaring heeft afgelegd in de Staatsrechtszaak, en dat die directeur en andere leden van het managementteam van GPI in Nederland een groot deel van hun tijd kwijt zijn aan het aansturen van juristen en advocaten, programmateams en operationele teams die zich bezighouden met reacties op de Staatsrechtszaak, ten koste van de kerntaken van GPI. Verder heeft GPI vanwege de hoge kosten van de procedures in de VS een vacaturestop in Nederland ingesteld. Tot slot is sprake van immateriële schade bij medewerkers van GPI in Nederland die veel stress en onrust ondervinden van de wijze waarop ET zich jegens GPI gedraagt. Door de nauwe verbinding met de Nederlandse rechtssfeer was voor ET zonder meer voorzienbaar dat zij in Nederland voor de rechter gedaagd zou kunnen worden.

Ten aanzien van de reputatieschade die zij lijdt ten gevolge van online uitingen verwijst GPI verder naar vaste rechtspraak van het HvJ EU, waaruit volgt dat de volledige schade kan worden gevorderd bij de rechter van het centrum van belangen van eiser.

Volgens GPI is het beroep van ET op artikel 12 Rv onjuist. Deze procedure gaat over een ander onderwerp dan de Staatsrechtszaak. In die rechtszaak beroept ET zich op toepasselijke rechtsregels van North Dakota en staat centraal of de protestacties tegen de DAPL hebben geleid tot schade voor ET en wat de rol van GPI in die protestacties is geweest. Deze procedure gaat over de handelwijze van ET jegens GPI naar Nederlands recht (in samenhang met Europees Recht). GPI vraagt in deze procedure om bescherming tegen het onrechtmatig procederen door ET, waaronder ook de Federale Rechtszaak. De twee procedures gaan dus niet over hetzelfde onderwerp, zodat er geen reden is deze procedure aan te houden totdat een eindbeslissing is genomen in de Staatsrechtszaak of het hoger beroep dat daarin zal worden ingesteld, aldus steeds GPI.

GPI verzoekt ET bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de volledige kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden.

Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in het incident

Inleidende opmerkingen

GPI stelt in deze procedure nadrukkelijk dat ET de twee rechtszaken in North Dakota is begonnen als strategische rechtszaken tegen publieke participatie door GPI in het publieke debat over de DAPL. Dat is onder de gegeven omstandigheden misbruik van recht althans onrechtmatig, aldus GPI. Deze procedure betreft dus (hoofdzakelijk) de beweerde onrechtmatigheid van rechtszaken die in een land buiten de EU zijn ingesteld met het doel het de wederpartij onmogelijk te maken deel te nemen aan een publiek debat.

De hoofdzaak gaat expliciet niet over de erkenning en tenuitvoerlegging van een Amerikaans vonnis in Nederland.

ET heeft woonplaats in de VS, zodat dit een internationaal geschil is. De vraag is of deze rechtbank rechtsmacht toekomt voor de vorderingen van GPI op ET op grond van bijzondere bevoegdheidsregels, zoals bepaald in Brussel I bis en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit specifieke geval heeft GPI haar vorderingen en de gestelde bevoegdheid van deze rechtbank mede gebaseerd op de SLAPP Richtlijn. Daarop wordt eerst ingegaan.

De SLAPP Richtlijn is in deze zaak niet van toepassing

De SLAPP richtlijn is in werking getreden op 6 mei 2024 (zie artikel 23 van de SLAPP Richtlijn) en de lidstaten dienen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren om uiterlijk 7 mei 2026 aan de Richtlijn te voldoen (zie artikel 22 van de SLAPP Richtlijn). De regering heeft daartoe een voorstel van wet ingediend, dat nog bij de Tweede Kamer in behandeling is.

Artikel 17 van de SLAPP Richtlijn bevat een bepaling over de bevoegde rechter die als volgt luidt:

Artikel 17 Bevoegdheid voor vorderingen in verband met procedures in derde landen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer misbruik van procesrecht wordt gemaakt gericht tegen publieke participatie aanhangig is gemaakt door een buiten de Unie wonende of gevestigde eiser bij een gerecht in een derde land tegen een in een lidstaat wonende natuurlijke persoon of gevestigde rechtspersoon, die persoon voor de gerechten van zijn of haar woon- of vestigingsplaats vergoeding kan vorderen voor de schade en de kosten die in verband met de procedure voor het gerecht van het derde land zijn geleden.2. Zolang een procedure aanhangig is in het derde land, kunnen de lidstaten de uitoefening van bevoegdheid uit hoofde van lid 1 beperken.”

In de MvT bij het wetsvoorstel ter implementatie van de SLAPP Richtlijn staat onder meer het volgende:

“Op de in deze richtlijn opgenomen maatregel van zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding na, voorziet het Nederlandse(proces)recht reeds in de door de richtlijn voorgeschreven procedurele waarborgen. Hiervoor is dus geen afzonderlijke implementatie nodig.”

In de MvT wordt onder het kopje “Artikel 17 van de richtlijn” het volgende opgemerkt:

“Op grond van deze bepaling moeten de lidstaten ervoor zorgen dat als een SLAPP aanhangig is gemaakt door een buiten de Unie wonende of gevestigde eiser bij een gerecht in een derde land tegen een in een lidstaat wonend SLAPP-doelwit, dat SLAPP-doelwit bij een gerecht van zijn of haar woon- of vestigingsplaats vergoeding kan vorderen voor de schade en de kosten die in verband met de procedure voor het gerecht van het derde land zijn geleden. Het Nederlandse recht voorziet al in deze regeling.

De Nederlandse regeling sluit aan op artikel 7, onder 2, Brussel I bis Verordening en het daaraan gelijkluidende artikel 6, onderdeel e, Rv, voor gevallen waarin de Brussel I bis Verordening niet van toepassing is. Op basis van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) over artikel 7, onder 2, van die verordening (dat bepaalt dat bij een onrechtmatige daad de rechter bevoegd is van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan) ziet die bepaling zowel op de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (het «Handlungsort») als op de plaats waar de directe schade is ingetreden (het «Erfolgsort»). Bij SLAPPs in een derde land gericht tegen een in Nederland woonachtig persoon is goed voorstelbaar dat er zowel materiële schade (o.a. de kosten van de procedure) als immateriële schade is voor degene tegen wie de SLAPP zich richt. Voor zuiver financiële schade vereist het HvJEU voor het aannemen van bevoegdheid andere bijzondere omstandigheden naast de plaats van de bankrekening in de woonplaats van de benadeelde.[noot 26] Is dat het geval dan mag de rechter van de plaats van de financiële schade bevoegdheid aannemen. Zulke andere bijzondere omstandigheden zouden mede in het licht van de richtlijn bij een in het buitenland aangespannen SLAPP bijvoorbeeld kunnen zijn: het feit dat de deelname aan het publieke debat vanuit die woonplaats is gedaan of dat de benadeelde zelfs nooit een voet heeft gezet op de bodem van het land waar de SLAPP aanhangig is gemaakt. In zulke gevallen kan worden aangenomen dat de directe schade voor deze persoon zich (ook) voordoet in Nederland, zodat er in Nederland een bevoegde rechter is waar een SLAPP-doelwit de voornoemde schade kan vorderen. Voor immateriële schade ligt het nog meer voor de hand om aan te nemen dat deze zich voordoet in de woonplaats van de persoon tegen wie de SLAPP zich richt. Dit betekent dat voor de implementatie van artikel 17 richtlijn al een voorziening is getroffen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 17 van de richtlijn kunnen lidstaten de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in de lidstaat van het SLAPP-doelwit beperken zolang een procedure aanhangig is in een derde land. Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt, omdat er geen reden is om de mogelijkheden van potentiële SLAPP-doelwitten in deze te beperken.

[noot 26: HvJ EU 16 juni 2016, Universal Music International Holding BV tegen Michael Tétreault Schilling e.a., C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, r.o. 38–40.]”

Een richtlijn heeft geen directe werking. Dat betekent dat alleen een beroep kan worden gedaan op de nationale wetgeving die op grond van de richtlijn is vastgesteld. Tot op heden is de SLAPP Richtlijn niet in het Nederlandse recht geïmplementeerd. Nadat de omzettingstermijn is verstreken ontstaat wel voor de rechter de verplichting het nationale recht in overeenstemming met de richtlijn te interpreteren, ook als de richtlijn nog niet in nationaal recht is omgezet.

In dit geval kan echter ook richtlijnconforme interpretatie niet plaatsvinden, omdat de SLAPP Richtlijn geen terugwerkende kracht heeft. Dat betekent dat hierop geen beroep kan worden gedaan voor gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan voordat de SLAPP Richtlijn in werking is getreden. Voor zover de gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft op het aanspannen van de Federale Rechtszaak en de Staatsrechtszaak gaat het om gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in 2017 respectievelijk 2019, dus voor het in werking treden van de SLAPP Richtlijn in 2024.

Dit roept de vraag op welke betekenis moet worden gehecht aan de onder 4.6 aangehaalde passages uit de MvT. Daar zou immers uit kunnen worden afgeleid dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend Nederlands recht is en dat dus mogelijk ook al was in 2017 en 2019.Dit is evenwel onjuist. De MvT stelt ten onrechte dat artikel 17 SLAPP Richtlijn geen implementatie behoeft. Uit overweging 44 van de SLAPP Richtlijn blijkt dat het hier gaat om een nieuwe bijzondere bevoegdheidsgrond, die dus als lex specialis geldt ten opzichte van bestaande bevoegdheidsgronden, zoals artikel 7 lid 2 Brussel I bis en artikel 6 onder e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze overweging luidt:

“(44) Deze richtlijn voorziet in een nieuwe bijzondere bevoegdheidsgrond om ervoor te zorgen dat in de Unie wonende of gevestigde doelwitten van SLAPP’s in de Unie over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken tegen misbruik van procesrecht gericht tegen publieke participatie in procedures die bij een gerecht in een derde land aanhangig worden gemaakt door een buiten de Unie wonende of gevestigde eiser. (…)” 4.10. Het verschil met de bestaande bevoegdheidsregels komt in de geciteerde passage tot uiting: volgens artikel 17 van de SLAPP Richtlijn is het enkel woonachtig of gevestigd zijn in een lidstaat van de EU voldoende om in een SLAPP-zaak bevoegdheid aan te nemen, volgens de bestaande bevoegdheidsregels kan de rechter alleen bevoegdheid aannemen als het gaat om een onrechtmatige daad waarvan het Handlungsort of Erfolgsort is gelegen in de betrokken lidstaat. Naar in de MvT aangehaalde vaste rechtspraak is daarvoor financiële schade op een bankrekening in een lidstaat van de EU niet voldoende. De MvT geeft voorbeelden van bijkomende omstandigheden waarin in een SLAPP-zaak zou kunnen worden aangenomen dat op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis (of artikel 6 onder e Rv) bevoegdheid kan worden aangenomen. Dat maakt duidelijk dat volgens de MvT naar geldend recht die bijkomende omstandigheden vereist zijn, waardoor het geldend recht afwijkt van artikel 17 van de SLAPP Richtlijn.

Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat de SLAPP Richtlijn in deze zaak geen toepassing kan vinden en ook niet via richtlijnconforme interpretatie een rol kan spelen, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend recht is in Nederland.

Bevoegdheid in internationale geschillen

Zoals onder 4.3 al is overwogen is dit een internationaal geschil omdat ET woonplaats heeft in de VS. GPI baseert de gevorderde verklaring voor recht dat de handelwijze van Energy Transfer jegens GPI onrechtmatig is op twee gronden:

het aanspannen van de Federale Rechtszaak en de Staatsrechtszaak,

het doen van onjuiste uitingen.

De rechtsmacht van deze rechtbank dient daarom te worden vastgesteld aan de hand van artikel 6 onder e Rv.

Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van Brussel I bis. Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) Brussel I bis. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ EU. Beide rechtsregels gaan echter uit van hetzelfde: waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen (het Handlungsort) en waar de directe schade is ingetreden (het Erfolgsort). Het verschil tussen de Nederlandse en de Europese rechtsregel over bevoegdheid voor verbintenissen uit onrechtmatige daad is: volgens de Nederlandse regel (artikel 6 onder e Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe als het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (of kan voordoen), en in de Europese rechtsregel (artikel 7 punt 2 Brussel I bis) is het gerecht in de plaats waar het schadebrengende feit zich voordoet (of kan voordoen) het bevoegde gerecht. Dat verschil is in dit incident niet van belang omdat centraal staat of de door GPI gestelde schade is ingetreden in Nederland, specifiek haar woonplaats Amsterdam (Erfolgsort). Daarvoor dient te worden aangesloten bij de jurisprudentie van het HvJ EU over artikel 7 punt 2 Brussel I bis.

De door het HvJ EU gegeven uitleg van de voorlopers van de huidige bepalingen in Brussel I bis geldt ook voor de huidige artikel 7, punt 2, Brussel I bis en daarmee ook voor artikel 6 onder e Rv.

De rechter moet bij de toetsing van de rechtsmacht op grond van Brussel I bis acht slaan op alle beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waaronder de betwistingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van de vordering. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie of summierlijk oordeel). Dit geldt ook voor toetsing van de rechtsmacht op grond van het commune recht.

Zoals hiervoor al overwogen onder 4.10, vereist artikel 6 onder e Rv dat schade wordt geleden in Nederland, in dit geval specifiek dat die schade is ingetreden in Nederland (Erfolgsort). Uit vaste jurisprudentie van het HvJ EU – die ook is aangehaald door partijen en door de wetgever in de MvT bij het wetsvoorstel ter implementatie van de SLAPP Richtlijn – volgt dat onvoldoende is dat de enige schadepost zuiver financiële schade is, bijvoorbeeld het betalen van facturen van buitenlandse dienstverleners vanaf de bankrekening in Nederland. Er moet ook sprake zijn van bijkomende of bijzondere omstandigheden die aanknopingspunten bieden voor de rechtsmacht van deze rechtbank op grond van artikel 6 onder e Rv. Daarnaast volgt uit de vaste jurisprudentie van het HvJ EU dat in geval van beweerdelijk geleden reputatieschade door uitingen op internet, het gerecht van het centrum van belangen van de schadelijdende partij bevoegd is.

Beide onderwerpen (bijkomende omstandigheden en centrum van belangen van GPI) zijn onderdeel geweest van het debat tussen partijen. GPI stelt dat haar schade is te kwalificeren als (i) vermogensschade, (ii) schade door het opzettelijk frustreren van GPI in het verwezenlijken van haar ideële doelen en (iii) reputatieschade. Deze drie schadeposten zijn veroorzaakt door het instellen van de twee rechtszaken in de VS en de publicatie van onder meer het in 2.6 geciteerde artikel op internet door ET, aldus GPI.

GPI heeft summierlijk aannemelijk gemaakt dat zij in Nederland financiële schade lijdt als gevolg van de hoge (advocaat)kosten voor haar verdediging in de twee rechtszaken in de VS (de schadepost hierboven genummerd (i)). ET betoogt dat onvoldoende is gebleken van die financiële schade en voert daartoe aan dat tussen GPI en de Amerikaanse Greenpeace-entiteiten jaarlijks miljoenen dollars heen en weer vloeien. Dat laatste komt overeen met de standpunten van GPI over de wijze waarop de financiën binnen het gehele Greenpeace-netwerk worden verzorgd, en dus ook de stelling van GPI dat die Amerikaanse Greenpeace-entiteiten jaarlijks een bijdrage aan GPI betalen die in gevaar komt door de kosten voor de verdediging in de Staatsrechtszaak (en een eventuele toewijzing van een hoge schadevergoeding). Het betoog van ET doet er niet aan af dat aannemelijk is dat (ook) aanzienlijke kosten ten laste van GPI komen. Onder deze omstandigheden kan de stelling van ET dat onvoldoende is gebleken dat GPI financiële schade in Nederland heeft geleden niet leiden tot toewijzing van haar primaire vordering in dit incident. In deze fase van de procedure hoeft immers niet te worden vastgesteld dat GPI daadwerkelijk vermogensschade heeft geleden. Zoals hiervoor al overwogen is het lijden van financiële schade in Nederland op zich onvoldoende voor de rechtsmacht van deze rechtbank in deze procedure op grond van artikel 6 onder e Rv. GPI heeft echter ook bijkomende omstandigheden aangevoerd. Hieronder zal worden ingegaan op het debat tussen partijen over deze bijkomende omstandigheden, daarna zal aan de orde komen het debat over het centrum van belangen van GPI voor haar beweerde reputatieschade.

Erfolgsort: bijkomende omstandigheden

GPI stelt als bijkomende en bijzondere omstandigheid onder meer dat zij verschillende werknemers of medewerkers (voltijd) heeft moeten inzetten voor de verdediging in de twee rechtszaken die ET in North Dakota heeft ingesteld tegen GPI (de schadepost in 4.18 genummerd (ii)). Daardoor kunnen die werknemers of medewerkers van GPI geen andere werkzaamheden uitvoeren, zoals bijvoorbeeld voor het strategisch campagne-programma ter bevordering van haar statutair doel of het bijstaan van nationale en regionale organisaties (ook in andere delen van de wereld dan de VS) bij de uitvoering van dat programma, aldus GPI.

ET betwist die stelling van GPI omdat zij dit niet kan verifiëren en betoogt verder dat GPI niet aannemelijk heeft gemaakt hoe zij door de Amerikaanse procedures in Nederland in de verwezenlijking van haar ideële doelen is gefrustreerd of hoe dit alles heeft geleid tot immateriële schade in Nederland voor GPI.

Deze standpunten van ET zijn onvoldoende om prima facie deze specifieke stelling van GPI over de bijkomende en bijzondere omstandigheden te verwerpen.

Vast staat immers dat GPI in Nederland het strategisch campagne-programma opstelt ter bevordering van het natuurbehoud en dat dit programma de basis is voor de activiteiten die nationale en regionale Greenpeace-organisaties uitvoeren in hun land of regio. Het ligt dan ook voor de hand dat GPI vanuit haar hoofdkantoor in Nederland de leiding neemt voor de verdediging tegen de stellingen en vorderingen in de twee rechtszaken in North Dakota, waarin ook Amerikaanse (nationale) Greenpeace-entiteiten zijn gedagvaard.

In die rechtszaken heeft ET uitvoerige en vergaande stellingen ingenomen over GPI en haar rol (en die van de Amerikaanse nationale Greenpeace-entiteiten) in de protesten tegen DAPL, waarop ET haar vorderingen tot verkrijgen van schadevergoedingen van honderden miljoenen dollars heeft gebaseerd. Toewijzing van een dergelijke schadevergoeding kan voor een niet op winst gerichte organisatie als GPI – die ook volgens ET een lager bedrag aan jaarlijkse inkomsten geniet dan de gevorderde schadevergoeding in de Staatsrechtszaak – vergaande gevolgen hebben voor de activiteiten ten behoeve van haar statutair doel en ook voor haar ANBI-status in Nederland.

Het is dus (meer dan) summierlijk aannemelijk dat GPI zich genoodzaakt heeft gezien de verdediging in de twee Amerikaanse rechtszaken vanuit Nederland te coördineren en daarvoor medewerkers in te zetten die daardoor minder toekomen aan werkzaamheden in het kader van haar statutaire ideële doel. Dat zijn – naast de gestelde financiële schade die GPI lijdt door de Amerikaanse procedures – bijkomende of bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen en op grond waarvan deze rechtbank (ook) bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van GPI op ET uit hoofde van de Federale Rechtszaak en de Staatsrechtszaak die ET in North Dakota heeft ingesteld jegens GPI.

De rechtsmacht van deze rechtbank voor de vorderingen van GPI gebaseerd op misbruik van recht door het instellen van de twee Amerikaanse rechtszaken volgt dus uit de gestelde financiële schade van GPI en uit bijkomende omstandigheden. Daarmee is er een nauwe band tussen deze rechtbank en de vorderingen van GPI. De bevoegdheid gebaseerd op een nauwe band tussen het gerecht en de vordering, voldoet aan het voorzienbaarheidsvereiste van Brussel I bis. De standpunten van ET dat voor haar niet voorzienbaar is geweest dat zij voor deze rechtbank zou kunnen worden gedagvaard voor het (naar de stellingen van GPI onrechtmatig) instellen van de rechtszaken in de VS over feiten die zich hebben voorgedaan in de VS, slagen daarom niet.

Reputatieschade door de Amerikaanse rechtszaken

Omdat de hiervoor besproken bijkomende omstandigheden al leiden tot bevoegdheid van de rechtbank voor de vorderingen wegens onrechtmatig procederen, is het debat van partijen over de beweerdelijk geleden reputatieschade van GPI door de twee Amerikaanse rechtszaken niet van belang in dit incident.

Uit het vorenstaande volgt wel dat hier resteert de vraag of deze rechtbank ook rechtsmacht toekomt voor de vorderingen terzake reputatieschade van GPI gebaseerd op de beweerdelijk onrechtmatige uitingen van ET op internet. De rechtbank gaat daarop hierna in.

Reputatieschade door uitingen op internet

GPI stelt dat zij reputatieschade lijdt als gevolg van de beweerdelijke onrechtmatige uitingen die ET heeft gedaan over GPI op internet en in televisie-interviews (de schadepost in 4.18 genummerd (iii)). GPI wijst daarbij op de beschuldigingen die ET heeft geuit in haar internetpublicatie van 22 augustus 2017 (en die in 2025 opnieuw is gepubliceerd op een andere door ET beheerde website) die in Nederland kan worden gelezen (zie onder 2.6 en 2.14).

ET betwist niet dat zij het bewuste artikel in 2017 op internet heeft geplaatst en in 2025 heeft herplaatst op een andere website, en dat die websites ook in Nederland zijn te benaderen en te lezen. ET betwist evenmin de door GPI aangehaalde inhoud van het artikel op internet. ET stelt wel dat deze rechtbank niet bevoegd is voor de vordering gebaseerd op uitingen op internet. Daarbij beroept ET zich op het arrest Shevill.

ET stelt dat haar uitingen in de VS zijn gedaan en betwist dat GPI reputatieschade in Nederland lijdt door die uitingen, althans voert aan dat GPI dit onvoldoende heeft onderbouwd. Deze standpunten van ET kunnen niet leiden tot toewijzing van haar primaire incidentele vordering. In deze fase van de procedure hoeft niet te worden onderzocht of GPI daadwerkelijk reputatieschade heeft geleden door de beweerdelijk onrechtmatige uitingen van ET over GPI op internet. In deze fase moet onderzocht worden of de door partijen gestelde aanknopingspunten de bevoegdheid van deze rechtbank rechtvaardigen. Daarbij kunnen alle relevante beweringen van partijen worden betrokken, zoals in dit geval: de uitingen van ET zijn te lezen in Nederland en GPI beweert dat zij op basis daarvan reputatieschade lijdt in Nederland omdat daar het centrum van haar belangen is gelegen – wat ET betwist.

Uit vaste jurisprudentie over reputatieschade volgt dat het gerecht van het centrum van belangen van iemand die stelt reputatieschade te hebben geleden, rechtsmacht heeft kennis te nemen van vorderingen die betreffen herstel (zoals het plaatsen van een bericht op een website of een rectificatie) en betaling van een schadevergoeding. In dit geval dient dus te worden vastgesteld dat het centrum van belangen van GPI in Amsterdam ligt.

ET stelt dat het centrum van de belangen van GPI zich niet in Nederland bevindt, omdat GPI mondiaal actief is en dat het overgrote deel van de activiteiten van Greenpeace in het buitenland plaatsvinden. De meeste werknemers van GPI zijn werkzaam in het buitenland (228 werknemers buiten Nederland en 131 in Nederland). Amsterdam is dus niet het centrum van belangen van GPI, aldus ET.

GPI is van mening dat het centrum van haar belangen in Nederland is, omdat zij:

een Nederlandse rechtspersoon is, met statutaire zetel in Amsterdam en kantoorhoudend aan het Surinameplein te Amsterdam;

zij in Nederland een ANBI-status heeft;

jaarlijks de verplichte informatie voor NGO’s met een ANBI-status publiceert in Nederland vanuit haar statutaire zetel;

haar bankrekeningen aanhoudt in Nederland;

werkgever is van 113 werknemers werkzaam in Nederland, en van in totaal 228 werknemers op diverse plaatsen elders in de wereld. De in Nederland werkzame werknemers van GPI hebben een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is;

houder is van de handelsmerken van het Greenpeace-netwerk. De andere entiteiten in het internationale Greenpeace-netwerk ontvangen toestemming van GPI om deze rechten te gebruiken via een licentieovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is;

bevrachter is van verschillende schepen, waar onder de Arctic Sunrise en de Rainbow Warrior, die varen onder Nederlandse vlag. Er zijn in totaal 89 bemanningsleden in dienst bij GPI, die allen een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht hebben. De crew die werkt op de schepen van GPI, en woonachtig is in de EU, valt onder de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij in Nederland.

Deze door GPI daarvoor aangevoerde gronden zijn voldoende om aan te nemen dat het centrum van haar belangen in Nederland is. Dat zij mondiaal actief is doet daar niet aan af omdat zij die activiteiten in belangrijke mate aanstuurt vanuit Nederland. Dat door die vele activiteiten buiten Nederland het merendeel van de werknemers van GPI buiten Nederland werkzaam is, is – onder alle andere gestelde feiten en omstandigheden –onvoldoende om het centrum van belangen van GPI ook buiten Nederland te lokaliseren. Het standpunt van ET zou immers meebrengen dat van GPI in het geheel geen centrum van belangen zou kunnen worden aangewezen, wat een onaannemelijk resultaat is. Het centrum van belangen van GPI is dus gelegen in Amsterdam. In dat geval heeft de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht kennis te nemen van de vorderingen van GPI op ET ter zake de beweerdelijk onrechtmatige uitingen over GPI die ET in 2017 en in 2025 op internet heeft geplaatst.

Wat betreft het beroep van ET op het arrest Shevill, geldt nog het volgende. Dit arrest is niet relevant omdat het HvJEU in de veel later gewezen eDate en Bolagsupplysningen arresten – die beiden gaan over een op internet geplaatst bericht – een van het Shevill-arrest afwijkend oordeel heeft gegeven. Dat oordeel in de eDate en Bolagsupplysningen arresten betreft precies de casus zoals die zich hier voordoet.

Voorzienbaarheid van deze procedure ten overstaan deze rechtbank

ET stelt ook dat het voor haar niet voorzienbaar is geweest dat zij in Nederland zou worden gedagvaard door GPI betreffende uitingen op internet die in de VS zijn gedaan. Daarbij beroept ET zich op het voorzienbaarheidsvereiste als genoemd in het arrest eDate.

Het HvJ EU overweegt in punt 50 van het arrest eDate (en herhaalt dit in punt 35 van het arrest Bolagsupplysningen) dat de bevoegdheid van de rechter gebaseerd op het centrum van belangen van het beweerde slachtoffer strookt met het doel dat de bevoegdheidsregels voorzienbaar moeten zijn zoals is overwogen in de overwegingen 15 en 16 van de considerans van Brussel I bis. Daaruit volgt dus dat indien vast komt te staan dat het centrum van belangen van GPI in Amsterdam is, ook is voldaan aan het voorzienbaarheidsvereiste voor de rechtsmacht van deze rechtbank voor de vorderingen van GPI op ET gebaseerd op de gestelde reputatieschade als gevolg van de beweerde onrechtmatige uiting op internet door ET.

Beroep ET op arrest Marinari

Uit hetgeen onder 4.22.3 en 4.30 is overwogen volgt dat Amsterdam de plaats is waar de door GPI beweerde schade daadwerkelijk is ingetreden en dus niet slechts een plaats is waar de schadelijke gevolgen voor haar voelbaar zijn. Het beroep van ET op verschillende arresten (waaronder Marinari) waarin is overwogen dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (als Erfolgsort) niet zo ruim kan worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt, slaagt in dit geval dus niet.

Afsluitende overweging bevoegdheid

De slotsom is dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vorderingen van GPI op ET, zodat de primaire vordering in het incident van ET wordt afgewezen.

Aanhouden deze procedure tot onherroepelijke beslissing in Staatsrechtszaak

ET vordert subsidiair deze procedure aan te houden op grond van litispendentie (artikel 12 Rv). Daarvoor is vereist dat in een ander land een procedure tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp aanhangig is (voordat deze procedure is ingesteld).

Deze procedure gaat echter over andere onderwerpen dan de Staatsrechtszaak in North Dakota, VS. In deze procedure staat centraal de stelling van GPI dat ET onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het instellen van de twee rechtszaken in de VS en door uitingen over GPI op internet (en de volgens GPI daardoor geleden schade). Daarbij is volgens GPI – kort gezegd – ook aan de orde dat de Amerikaanse rechtszaken zijn ingesteld om haar vrijheid van meningsuiting in het publieke debat te raken.

In de Staatsrechtszaak staat centraal de stelling van ET dat zij schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van GPI bij de aanleg van DAPL. Daarbij is dus vooral aan de orde dat de aanleg van DAPL is vertraagd door (volgens ET) onwettige en onrechtmatige acties waarin GPI een rol zou hebben gespeeld en verder ook dat ET andere schade is toegebracht (in het internet artikel: “(…) These damages, as well as the harm to the Company's reputation, resulting from the Enterprise's misinformation campaign (…)”), aldus ET. Dat zijn andere onderwerpen dan die aan de orde zijn in deze procedure.

Bovendien zal in deze procedure ook de vrijheid van meningsuiting van ET aan de orde komen ter zake haar uitingen over GPI op internet en in televisie-interviews. Dat is geen onderwerp van de Staatsrechtszaak. Dat GPI zich in de Amerikaanse procedures verdedigt met een beroep op de vrijheid van meningsuiting (het Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet) is niet hetzelfde als een procedure instellen gebaseerd op de stelling dat de verweerder (ET in dit geval) ten onrechte een (strategische) rechtszaak is begonnen in de VS tegen GPI vanwege haar participatie in het publieke debat over de DAPL.

Er is dan ook geen aanleiding om deze procedure aan te houden op grond van artikel 12 Rv. De subsidiaire vordering in dit incident van ET wordt eveneens afgewezen.

Afsluitende overwegingen

Het verzoek van ET tussentijds hoger beroep te mogen instellen van dit vonnis in incident wordt niet ingewilligd, omdat tussentijds hoger beroep tot onredelijke vertraging van deze procedure zal leiden. Daarbij is van belang dat de rechtsmacht van deze rechtbank is vastgesteld aan de hand van het nationale recht, mede op basis van voor de uitlegging daarvan relevante vaste jurisprudentie over bevoegdheid bij een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 7 punt 2 Brussel I bis en artikel 6 onder e Rv). Daarom is er ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU zoals voorgesteld door ET.

ET zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Anders dan GPI heeft verzocht is er geen aanleiding om ET in de volledige proceskosten van GPI in het incident te veroordelen. GPI heeft bij dit verzoek gewezen op het bepaalde in artikel 14 lid 1 van de SLAPP-Richtlijn waarin – kort gezegd – aan de lidstaten is opgedragen om ervoor te zorgen dat een partij die misbruik maakt van procesrecht gericht tegen publieke participatie kan worden veroordeeld in de volledige kosten van de wederpartij. Die richtlijn is echter niet van toepassing in deze procedure, zoals is overwogen onder 4.4 tot en met 4.11. Dan kan een veroordeling in de volledige proceskosten slechts worden toegewezen als sprake is van misbruik van procesrecht in deze procedure. Daarvan is in dit geval geen sprake. De kosten in dit incident aan de zijde van GPI worden begroot op € 1.495 (twee punten x tarief onbepaalde waarde en de nakosten van € 189,00), te vermeerderen met de verhoging in geval van betekening zoals opgenomen in de beslissing. De gevraagde vermeerdering met wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis.

in de hoofdzaak

De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol over zes weken voor conclusie van antwoord. Daarbij wordt opgemerkt dat ET in haar vervangend processtuk van de incidentele conclusie 22 pagina’s heeft besteed aan het geschil in de hoofdzaak, ondersteund met 55 producties. Daarom wordt ET opgedragen haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak te beperken tot maximaal 40 pagina’s, waarbij zij mag verwijzen naar de tekst en de producties van de incidentele conclusie, mits die verwijzing concreet en duidelijk is. Tot slot wordt opgemerkt dat in de hoofdzaak van deze procedure “Greenpeace” (als verwijzing naar verschillende entiteiten binnen het internationale Greenpeace-netwerk) geen partij is. ET wordt opgedragen voor iedere feitelijke handeling concreet, nauwkeurig en exact aan te geven wie van de drie gedaagden in de Staatrechtzaak die feitelijke handeling volgens haar (heeft) verricht.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt ET in de proceskosten, aan de zijde van GPI tot op heden begroot op € 1.495, te vermeerderen met € 98 indien ET niet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis voldoet aan deze veroordeling en dit vonnis wordt betekend,

veroordeelt ET tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis tot de dag van voldoening,

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van GPI op ET,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 juli 2026 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. D. Sullivan, rechters, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand