ECLI:NL:RBAMS:2026:5502

ECLI:NL:RBAMS:2026:5502

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 12070408 CV EXPL 26-1003
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ambtshalve toetsing huur Richlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen)

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis van de kantonrechter

de besloten vennootschap Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V.

[gedaagde]

Verder verloop van de procedure

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12070408 CV EXPL 26-1003

vonnis van: 21 mei 2026

fno.: 506

I n z a k e

statutair gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk (IP Nederland Incasso & Juristen)

t e g e n

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Op 26 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft eisende partij op 23 april 2026 een akte ingediend en, conform hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen, een kopie van de akte, inclusief het tussenvonnis aan gedaagde partij toegestuurd met mededeling dat en op welke wijze gedaagde partij hierop kon reageren. Eisende partij heeft de aan gedaagde partij tijdig gestuurde brief eveneens overgelegd. Van gedaagde partij is geen reactie ontvangen.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening

7 lid 2

1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de bij dagvaarding overgelegde aanmelding van gedaagde partij bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Hieraan heeft eisende partij voldaan.

2. De kantonrechter stelt vast dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.

3. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

4. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).

5. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] en de nadien tussen partijen overeengekomen wijziging huurovereenkomst naar kamernummer [nummer] in het geding gebracht.

6. Het huurprijsbeding (artikel 4, eerste zin) van de huurovereenkomst en het servicekostenbeding (artikel 5) van de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.

7. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De bedingen in de huurovereenkomst die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikel 4, tweede zin, (huurprijswijziging) en artikel 6 lid 1, laatste zin, (wijziging voorschot servicekosten) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.

8. Ook het artikel 7 lid 2 van de huurovereenkomst is getoetst. Dit artikel luidt als volgt:

Bij het uitblijven van betaling of niet tijdige betaling van de door huurder verschuldigde bedragen is huurder een rente verschuldigd aan verhuurder van 1% per maand. Tevens is huurder de incassokosten (…..) verschuldigd, met dien verstande dat incassokosten 15% van de vordering zullen bedragen met een minimum van € 50,- ex. BTW.

9. Het hiervoor geciteerde artikel bestaat uit een rente - en een buitengerechtelijke incassokosten beding.

10. Ten aanzien van de in artikel 7 lid 2 genoemde rente geldt dat deze afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk.

11. Het in artikel 7 lid 2 opgenomen beding over buitengerechtelijke incassokosten is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.

12. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Hoewel eisende partij in het tussenvonnis van 26 maart 2026 (r.o. 4) daartoe nog in de gelegenheid voor is gesteld, heeft zij dit nagelaten.

13. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 8 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen.

De vordering

14. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn is overwogen.

15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de

onroerende zaak (de onzelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres]

;

veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin

vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te

ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking

van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder

bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v.

jo. 444 Rv bepaalde;

veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:

a. a) € 3.430,94 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 januari 2026;

b) € 517,49 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende

partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 253,00 aan

salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van

toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen

binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. Brokkaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand