RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-071622-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2025 door the Circuit Court in Katowice, V Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [de penitentiaire inrichting]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor het sluiten van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Circuit Court in Katowice van 26 juni 2024 met het kenmerk XVI K 215/23.
Blijkens onderdeel F van het EAB is sprake geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Katowice van 2 april 2025 met kenmerk II AKa 546/24.
Onderdeel F maakt verder melding van beslissingen van the Court of Appeal in Katowice van 2 februari 2024 met kenmerk II AKa 103/23 en van the Circuit Court in Katowice met kenmerk XVI 255/21. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is desgevraagd in de aanvullende informatie van 15 april 2026 medegedeeld dat laatstgenoemde zaken met kenmerken II AKa 103/23 en XVI 255/21 per abuis in het EAB zijn vermeld. De overlevering wordt enkel verzocht voor het vonnis van the Circuit Court in Katowice van 26 juni 2024, met het kenmerk XVI K 215/23, met bijbehorend arrest van the Court of Appeal in Katowice van 2 april 2025 met kenmerk II AKa 546/24.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van 2 april 2025 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en één maand, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, vier maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten naar Nederlands recht op:
medeplegen van een ander, door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden;
meerdaadse samenloop van: diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 284, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice, V Penal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.