RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-399290-24
Datum uitspraak: 27 mei 2026
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 november 2024 door the Regional Court in Konin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt drie vonnissen:
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk één jaar, één jaar en drie maanden en één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De opgelegde straffen resteren in hun geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd voor het tweede vonnis met kenmerk II K 710/21 in verband met het in de aanvullende informatie genoemde vonnis met kenmerk II 1322/20. Ten aanzien van de overige vonnissen ziet hij geen reden voor weigering op grond van artikel 12 OLW.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van alle zaken de weigeringsgrond van toepassing is, maar dat van toepassing van de weigeringsgrond kan worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon adresinstructies heeft ontvangen. De tenuitvoerleggingsbeslissing met kenmerk II Ko 160/22 hoeft niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst. De tenuitvoerlegging is bevolen wegens een nieuw strafbaar feit, te weten het tweede vonnis met kenmerk II K 710/21. Zoals hiervoor overwogen kan ten aanzien van dat vonnis worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest met het kenmerk II Ka 268/22
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Blijkens de aanvullende informatie van 23 maart 2026 heeft in vervolg op de zaak in eerste aanleg met kenmerk II K 979/20 een procedure in hoger beroep plaatsgevonden die heeft geleid tot de beslissing met kenmerk II Ka 268/22. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
Vast staat dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon op de zitting in eerste aanleg aanwezig is geweest en is bijgestaan door een advocaat. Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 blijkt verder dat aan de opgeëiste persoon op 21 mei 2020 een adresinstructie is gegeven, welke zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg en dat zij er van op de hoogte was dat zij in het geval van een eventueel hoger beroep op het door haar opgegeven adres bereikbaar moest zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten.. Blijkens de aanvullende informatie is het hoger beroep is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon die ook aanwezig was bij de procedure in hoger beroep. De oproepingen voor de zitting in hoger beroep zijn gezonden aan het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Nu de opgeëiste persoon naar Nederland is vertrokken voordat aan haar een straf is opgelegd, had het op haar weg gelegen om een ander adres op te geven, of ten minste contact met haar advocaat te onderhouden over het verdere verloop van de procedure. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Ten aanzien van het vonnis met het kenmerk II K 710/21
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon gedurende het vooronderzoek op 18 juni 2021 een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij zij is gewezen op de rechten en verplichtingen van een verdachte, inclusief de verplichting om gedurende de procedure adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Zij heeft de correspondentie niet in ontvangst genomen, ondanks dat het twee keer aan haar is gestuurd. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen haar op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1186/19 (II Ko 160/22)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op 25 juli 2019 gedurende het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij zij is gewezen op de rechten en verplichtingen van een verdachte, inclusief de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en door een volwassen huisgenoot in ontvangst genomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen haar op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Deze vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Konin van 25 april 2022 (met kenmerk II Ko 160/22) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen vanwege een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit.
Deze beslissing tot tenuitvoerlegging met het kenmerk II Ko 160/22 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat deze beslissing daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Uit datzelfde arrest volgt echter ook dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 volgt dat het triggerende vonnis voornoemde beslissing met kenmerk II K 710/21 betreft, oftewel het tweede vonnis dat ten grondslag ligt aan dit EAB. Zoals de rechtbank hierboven al heeft geoordeeld levert het toestaan van de overlevering ten aanzien van dat vonnis geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.
Voor zover de raadsman nog heeft verwezen naar het vonnis met kenmerk II K 1322/20, constateert de rechtbank dat uit de aanvullende informatie van 2 april 2026 kan worden afgeleid dat alleen het vonnis met kenmerk II K 710/21 het triggerende vonnis betreft.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De raadsman heeft nog aangevoerd dat 3-CMC pas ná de pleegdata van de in het EAB genoemde feiten strafbaar zou zijn geworden in de Europese Unie en vervolgens, per
18 augustus 2022, ook in Nederland. In reactie hierop overweegt de rechtbank dat het gelet op de veroordeling voor de feiten zoals opgenomen in het EAB en het uitvaardigen van het EAB niet anders kan dan dat ten tijde van de pleegdata in Polen sprake moet zijn geweest van een strafbaarstelling van 3-CMC. De raadsman heeft ook niet onderbouwd dat het bezit van 3-CMC destijds in Polen nog niet strafbaar was. Door de raadsman is enkel verwezen naar een bijlage met een nieuwsupdate over Europese regelgeving rondom designerdrugs, waarin wordt vermeld dat 3-MMC en 3-CMC onder de Europese definitie van ‘drugs’ vallen. Bij gebrek aan nadere onderbouwing met concrete en objectieve informatie door de raadsman en gelet op het vertrouwensbeginsel ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betreffende strafbaarstelling in Polen en verwerpt het verweer van de raadsman.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
Volgens de raadsman en officier van justitie kan de opgeëiste persoon met een Nederlander worden gelijkgesteld. Nu de opgeëiste persoon een beroep doet op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW hebben de raadsman en de officier van justitie verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde het reeds opgevraagde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de vonnissen af te wachten. Uit de aanvullende informatie van 6 mei 2026 valt af te leiden dat in Polen nog een zitting zal plaatsvinden op 20 mei 2026 waar de tenuitvoerlegging van de straffen in Nederland aan de orde zal komen, onder kenmerk II Kop 13/26.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 15 april 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
telkens: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van haar belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan haar maatschappelijke re-integratie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak C.J. (C-305/22)
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak C.J. In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder in haar uitspraak van 30 september 2025 heeft overwogen volgt uit dat arrest – kort samengevat – dat, voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest C.J. van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de vonnissen (nogmaals) op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
Verlenging van de beslistermijn
De op de zitting van 19 mei 2026 verlengde beslistermijn verstrijkt op 28 mei 2026. In artikel 22, vierde lid, OLW is bepaald dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet de lijn zoals uiteengezet in het arrest C.J. van het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, mede gelet op het feit dat in Polen klaarblijkelijk nog een procedure nodig is voordat de straffen kunnen worden overgedragen aan Nederland, en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
8. 8. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de veroordelende vonnissen op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 27 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór 27 juli 2026, zijnde de verlengde beslistermijn, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.