RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 011954-26
Datum beschikking: 2 juni 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteland] (geboorteplaats onbekend),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: klager.
1. Procesgang
Het klaagschrift is op 15 april 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 19 mei 2026 het klaagschrift behandeld. De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is, hoewel daartoe op de juiste wijze opgeroepen, niet verschenen.
2. Feiten en omstandigheden
De Belgische autoriteiten hebben door middel van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 6 januari 2026 verzocht om bevriezing van (de tegoeden tot een bedrag van € 67.013,- op) de Duitse virtuele bankrekening op naam van klager en in beheer bij [naam bedrijf] te Amsterdam. Dit in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klager ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EBB.
Op 14 januari 2026 is ter uitvoering van het EBB – op grond van artikel 5.5.15 in combinatie met artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – in Amsterdam in beslag genomen onder klager:
- het saldo/tegoed op rekeningnummer met [rekeningnummer] , in ieder geval ter hoogte van € 67.013,-.
3. Inhoud klaagschrift en standpunt klager
Het klaagschrift betreft de enkele mededeling van klager dat hij het tegoed op de bankrekening niet erkent als aan hem toebehorend. De bankrekening zou zonder zijn wetenschap en toestemming zijn gebruikt. Klager stelt slachtoffer te zijn van fraude.
4. Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om het klaagschrift te behandelen. Het betreft namelijk enkel een mededeling van klager en geen klaagschrift. Immers wordt niet geklaagd over de inbeslagneming, over het voortduren van het beslag, over de wijze van tenuitvoerlegging of dat het beslag onrechtmatig is. Ook wordt niet verzocht om opheffing dan wel teruggave van het beslag. Subsidiair moet het klaagschrift gelet op voornoemde ongegrond worden verklaard. Meer subsidiair moet klager niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat in het klaagschrift nergens om wordt verzocht.
5. Het oordeel van de rechtbank
Bevoegdheid van de rechtbank
In artikel 5.5.18 Sv is voor klaagschriften die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel artikel 552a Sv zonder enig voorbehoud van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat uit artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen in een Nederlandse strafzaak de vervolging is ingesteld (derde lid) of, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, de rechtbank van het arrondissement waarbinnen inbeslagneming is geschied (vierde lid). Nu in deze zaak geen sprake is van een vervolging in Nederland en de inbeslagneming heeft plaatsgevonden in Amsterdam, is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat zij bevoegd is van het klaagschrift kennis te nemen.
Ontvankelijkheid van klager
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een kennisgeving beklagrecht ex artikel 552a Sv bevindt. Klager is middels de brief op de hoogte gebracht van de inbeslagname, waarbij melding wordt gemaakt van rechtsmiddelen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat klager via het in de brief genoemde e-mailadres voor het instellen van een klaagschrift de volgende mededeling heeft gedaan:
“I am writing regarding the seizure of funds (€67.013.00) from my bank account ( [rekeningnummer]
), as stated in your letter dated 14 January 2026.
I would like to inform you that I do not recognize these funds as mine. My bank account was compromised and used without my knowledge or consent.
I consider myself a victim of fraud and misuse of my personal data. Therefore, I kindly ask you to take my situation into consideration.
Please inform me about the next steps and whether any additional documentation is required.”
Bij de beoordeling van het klaagschrift moet de rechtbank bezien of aan de vereisten is voldaan zoals opgenomen in artikel 552a Sv. Volgens artikel 552a Sv moet allereerst sprake zijn van het ‘schriftelijk beklagen’ door de belanghebbende. In het schrijven waarmee klager zich tot de rechtbank heeft gewend, is daarvan geen sprake. In de tekst van de e-mail leest de rechtbank niet dat sprake is van een schriftelijk beklag over inbeslagneming, maar enkel een mededeling dat klager de gelden niet als de zijne erkent en dat hij slachtoffer is geworden van fraude. Zelfs met enige goede wil valt niet uit dat schrijven af te leiden dat er sprake is van ‘het zich beklagen’. Daarmee voldoet het klaagschrift niet aan de minimumvereisten zoals opgenomen in artikel 552a Sv.
De rechtbank kan daarom niet anders dan concluderen dat de door klager toegezonden e-mail geen klaagschrift is in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv. Gelet hierop zal de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaren in het beklag.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 2 juni 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers,