RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/131227-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 7 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1952 in [geboorteplaats] (Indonesië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [adres 2] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat in Amsterdam. De raadsvrouw heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een detention order in absentia van Södertörn District Court van 6 mei 2026, case B 3943-26.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Zweeds recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd.
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Namens the Prosecutor General in Stockholm is op 11 mei 2026 de volgende garantie gegeven:
´The Netherlands has made surrender to Sweden subject to the condition that [de opgeëiste persoon] is returned to the Netherlands in order to serve an unconditional prison sentence passed on him in Sweden (article 5.3 in the Council framework decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States).
Decision
The Prosecutor General accepts the condition.
Conditions laid down by a foreign state in connection to surrender to Sweden shall apply in Sweden according to Chapter 2 Section 13 of the Penal Code. Consequently, if [de opgeëiste persoon] is convicted to a custodial sentence or detention order, he will be returned to the Netherlands in order to serve the sentence after the judgment has gained legal force.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, onderdeel a), OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het strafrechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd in Zweden;
- de vervolging vindt plaats in Zweden;
- de drugs zijn uitgevoerd vanuit Zweden;
- de rechtsorde is derhalve in Zweden het meest geschokt; en
- het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens de feiten uit het EAB te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van deze weigeringsgrond.
7. Verzoeken van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de overleveringsdetentie te schorsen, omdat geen sprake is van vluchtgevaar. Het gezin van de opgeëiste persoon woont in Nederland en zijn bedrijf is hier ook gevestigd. De opgeëiste persoon kan als enige betalingen voor het bedrijf doen en zonder hem stagneert de bedrijfsvoering en kan het bedrijf zelfs failliet gaan, met alle gevolgen van dien. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een aandoening aan zijn oog. Hij moet in de eerste week van juni een injectie krijgen in zijn oog om te voorkomen dat hij zijn zicht verliest. Wanneer het bezwaarschrift tegen de beperkingen ongegrond wordt verklaard en het schorsingsverzoek wordt afgewezen heeft de raadsvouw verzocht om een voorziening te treffen, waarbij de opgeëiste persoon toestemming wordt verleend om een volmacht te geven aan zijn boekhouder om betalingen namens zijn bedrijf te kunnen doen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing, omdat een schorsing zich niet verhoudt met de noodzaak van de beperkingen, waarin de opgeëiste persoon zich bevindt. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de toestemming voor een uitzondering op de opgelegde beperkingen, zoals die door de raadsvrouw is verzocht, niet ter beoordeling aan deze rechtbank is, maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie stelt voorts vast dat vergelijkbare verzoeken in een eerder stadium al zijn voorgelegd aan de Zweedse autoriteiten en deze niet bereid waren tot inwilliging daarvan.
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing af. De raadkamer van deze rechtbank heeft op 20 mei 2026 het bezwaarschrift tegen de beperkingen ongegrond verklaard en een schorsing van de overleveringslevering verhoudt zich hier niet mee. Daarnaast is de toetsing om een uitzondering op het bevel beperkingen te maken niet aan deze rechtbank, maar aan de officier van justitie en de uitvaardigende justitiële autoriteit.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime (Zweden) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.