ECLI:NL:RBAMS:2026:5542

ECLI:NL:RBAMS:2026:5542

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 13/345248-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

EAB Polen; verweren m.b.t. de detentieomstandigheden en evenredigheid verworpen; overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/345248-25

Datum uitspraak: 3 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025 door de Sąd Okręgowy in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een judgment issued by the Regional Court Kielce dated on 29 April 2022 (II K 1693/21).

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vijf maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

De raadsvrouw heeft nadrukkelijk verzocht om in deze uitspraak op te nemen dat de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht van het strafrestant worden afgetrokken.

De officier van justitie heeft aangegeven dat aan de wens van de raadsvrouw tegemoet wordt gekomen omdat bij de feitelijke overlevering aan de Poolse autoriteiten wordt meegedeeld hoelang de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie heeft gezeten en volgens artikel 26 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ EAB zullen deze dagen van de Poolse reststraf worden afgetrokken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de door de officier van justitie genoemde werkwijze niet zal worden gevolgd en vertrouwt erop dat de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft gezeten conform het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Poolse reststraf zullen worden afgetrokken.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon op 20 april 2022 in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de zittingsdatum en -plaats en dat in zijn afwezigheid ook een beslissing kan worden genomen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I, II, III, V niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

I. afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

II. opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden; III. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; V. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het feit onder IV kan niet naar Nederlands recht worden gekwalificeerd, omdat de informatie ontbreekt welke psychotrope stof het betreft. De strafbaarheid van dit feit kan dus niet worden vastgesteld en de overlevering zou voor dit feit kunnen worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat het feit geen aanknopingspunt heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is namelijk begaan door een Poolse onderdaan in Polen. Daar komt bij dat de overlevering voor de overige feiten al toelaatbaar wordt geacht.

5. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw

Hoewel er bij executieoverleveringen door de rechtbank vanuit wordt gegaan dat de detentieomstandigheden in Polen voldoen aan de eisen die het Europees Handvest (de rechtbank begrijpt: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) daaraan stelt, heeft de raadsvrouw verzocht om desondanks de zaak aan te houden om hierover in deze zaak toch garanties op te vragen. De detentieomstandigheden in Polen zijn minder gunstig zijn dan de detentieomstandigheden in Nederland en het is de vraag of er aan de CPT-normen wordt voldaan. Daarbij speelt ook een rol dat de rechtbank wel een algemeen gevaar heeft aangenomen voor het ‘remand regime’ in Poolse detentie-instellingen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor de overlevering.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf uitzitten in Polen het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, blijkt. Daarom hoeft er ook geen detentiegarantie te worden opgevraagd en wijst de rechtbank het verzoek om aanhouding af. De detentieomstandigheden staan niet in de weg aan overlevering.

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7. Evenredigheid

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het uitvaardigen van het EAB niet proportioneel is en dat er andere alternatieven beschikbaar waren. Zo had gebruik kunnen worden gemaakt van Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ. Het is opportuun om de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland te laten uitzitten, omdat hij zijn leven nu in Nederland heeft opgebouwd. Daarbij moet ook worden meegenomen dat het vierde feit niet strafbaar is naar Nederlands recht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van het EAB evenredig is en dat de door de raadsvrouw genoemde Kaderbesluiten niet van toepassing zijn op de opgeëiste persoon.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank, dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het geval van de opgeëiste persoon niet gebleken. Kaderbesluit 2008/909/JBZ is niet van toepassing op de situatie van de opgeëiste persoon, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft (gehad). Evenmin is Kaderbesluit 2008/947/JBZ van toepassing, omdat aan de opgeëiste persoon in Polen geen voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, waarvan de voorwaarden verbonden aan de proeftijd aan Nederland zou kunnen worden overgedragen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

8. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 282 en 317 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy in Kielce (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Klomp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand