RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.281846.24
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 2008,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats]
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.A. van den Munckhof, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door
mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en mevrouw [naam 2] , namens William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSS).
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] en haar raadsman, mr. S.M. Diekstra, ter zitting naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 2 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] , opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde partij] , - op de grond heeft/hebben getrokken en/of heeft/hebben gegooid en/of - (vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben getrapt en/of - een of meermalen (met kracht) met zijn/hun vuisten, althans met zijn/hun handen, tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
hij op of omstreeks 2 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan
[benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde partij] - op de grond heeft/hebben getrokken en/of heeft/hebben gegooid en/of - (vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben getrapt en/of - een of meermalen (met kracht) met zijn/hun vuisten, althans met zijn/hun handen, tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2. hij op of omstreeks 2 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland openlijk, te weten op de Stadionkade, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , door: - op de grond te trekken en/of te gooien en/of - (vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam te trappen en/of - een of meermalen (met kracht) met zijn/hun vuisten, althans met zijn/hun handen, tegen het hoofd en/of lichaam te slaan ( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank overweegt dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . Het kan namelijk niet vastgesteld worden dat de gepleegde geweldshandelingen van dien aard waren dat daardoor de aanmerkelijke kans ontstond dat letsel zou worden veroorzaakt waardoor [benadeelde partij] zou komen te overlijden. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
5. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, conform haar op schrift gestelde requisitoir, bewezenverklaring gevorderd van de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling met voorbedachten rade in vereniging en de onder feit 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft, conform zijn op schrift gestelde pleitnota, vrijspraak bepleit van de poging zware mishandeling. De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij] tegen het hoofd is getrapt. Verdachte had na het incident last van een black-out. De verbalisant die verdachte op straat sprak heeft ook opgetekend dat hij de indruk kreeg dat verdachte licht geheugenverlies had aangezien hij meermalen achter elkaar hetzelfde vroeg. Het is dus niet duidelijk of verdachte bij de politie uit eigen wetenschap heeft verklaard dat hij tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft getrapt, of dat hem dat voorafgaand of tijdens dit verhoor was verteld. De trap tegen het hoofd wordt verder ook niet door getuigen genoemd en is ook niet op de beelden te zien.
De uiterlijke waarneming van het geweld zoals te zien op de beelden wijzen op mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het wetboek van strafrecht. De gepleegde geweldshandelingen waren niet van dien aard dat daardoor de aanmerkelijke kans ontstond dat zwaar lichamelijk letsel zou worden veroorzaakt.
De raadsman concludeert dat de handelingen van verdachte een eendaadse samenloop van een (eenvoudige) mishandeling en openlijke geweldpleging opleveren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat niet ter discussie staat dat verdachte betrokken is geweest bij het gepleegde geweld tegen aangeefster [benadeelde partij] . De vraag die aan de rechtbank voorligt is op welke wijze het handelen van verdachte en zijn medeverdachte juridisch dient te worden gekwalificeerd.
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte [medeverdachte] heeft gereageerd op een Snapchatbericht waarin geld werd aangeboden voor het mishandelen van een vrouw.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens van zijn opdrachtgever instructies gekregen en nadere gegevens over en foto’s van het beoogde slachtoffer ontvangen. Er zouden twee personen nodig zijn om het geweld te plegen en de geweldshandelingen moesten worden gefilmd. Daar stond een beloning van in totaal 1500 euro tegenover.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft hierop verdachte benaderd om met hem mee te gaan en hem gevraagd de mishandeling te filmen. [medeverdachte] is op verzoek van de verdediging in de zaak van verdachte als getuige gehoord. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem vroeg of hij naast het filmen nog meer moest doen en dat hij hem heeft gezegd dat als hij dat wilde hij dat mocht doen.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft in een chat met verdachte een aantal afbeeldingen van [benadeelde partij] gestuurd. Uit de inhoud van de chat blijkt dat zij vervolgens samen hebben vastgesteld ‘o zij gaat snel laag, dunne beentjes, gwn vegen en trappen’.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben [benadeelde partij] vervolgens op 2 september 2024 in de buurt van haar woning opgewacht. Toen [benadeelde partij] haar woning verliet en naar haar auto liep om haar zoontje naar school te brengen, is zij aan haar haren naar de grond getrokken en getrapt en geslagen. [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij zeker twintig trappen/klappen tegen haar hoofd heeft gehad. Het op dat moment vierjarige zoontje van [benadeelde partij] is hier getuige van geweest.
Meerdere getuigen hebben gezien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geweld uitoefenden terwijl het slachtoffer op de grond kroop/lag.
Op de telefoon van verdachte is een filmfragment aangetroffen. Hierop is te zien dat [benadeelde partij] bij de start van het fragment al op de grond ligt en dat zij vuistslagen op haar hoofd en bovenlichaam en trappen tegen haar bovenlichaam krijgt. Ongeveer om de halve seconde wordt een trap of een stoot gegeven.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [benadeelde partij] met vuistslagen op het hoofd en lichaam heeft geslagen en tegen het lichaam heeft getrapt.
Verdachte heeft in zijn eerste verklaring bij de politie verklaard dat hij [benadeelde partij] op haar hoofd heeft getrapt. Bij de rechter commissaris heeft hij verklaard dat hij tijdens het filmen tegen de rib van [benadeelde partij] heeft getrapt. Ter zitting geeft verdachte aan dat hij niet meer weet wat er precies is gebeurd en niet meer weet of hij heeft getrapt. Met betrekking tot zijn eerste verklaring bij de politie verklaarde verdachte ter zitting dat hij van de politie en/of van zijn advocaat zou hebben gehoord dat hij tegen het hoofd van [benadeelde partij] had getrapt. Zijn verklaring tijdens zijn politieverhoor dat hij [benadeelde partij] tegen het hoofd had getrapt was volgens verdachte daarop gebaseerd en niet op eigen wetenschap.
Poging zware mishandeling
Aangeefster [benadeelde partij] heeft gelukkig geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De vraag die nu voorligt is of het geweld zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken en indien dat het geval is, of verdachte die kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij] op de grond is getrokken en vervolgens tenminste eenmaal met kracht tegen haar hoofd is getrapt en meermalen tegen haar lichaam is getrapt en meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen haar hoofd en lichaam is geslagen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de eerste verklaring van verdachte dat hij [benadeelde partij] op het hoofd heeft getrapt. Tijdens dit verhoor verklaarde verdachte: ‘Ik weet dat ik haar op het hoofd heb getrapt. Dat is het enige dat ik weet’. Dit verhoor is kort na het incident afgenomen, in aanwezigheid van een advocaat en uit niets blijkt dat die woorden hem in de mond zouden zijn gelegd. Het kan zijn dat verdachte na het incident door de spanning en de val die hij heeft gemaakt een beetje verward was, maar dit maakt niet aannemelijk dat verdachte daarna onjuist heeft verklaard. Bovendien blijkt uit hetgeen verdachte verklaarde ter zitting dat hij zijn geheugen met betrekking tot de gebeurtenissen niet geheel kwijt was. Zo kon hij nog vertellen over de emoties die hij had ervaren zeer kort voorafgaand aan het geweld en wist hij ook nog te verklaren wat er direct na het geweld was gebeurd.
Uit de inhoud van het chatgesprek blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] van tevoren al van plan waren om [benadeelde partij] ‘te vegen en te trappen’.
Er is vervolgens door twee jongens, in de kracht van hun leven, geweld gepleegd. Dit geweld kende een hoge frequentie: elke halve seconde werd een trap of stoot gegevens aan een slachtoffer dat op de grond lag. De rechtbank overweegt dat deze intensiteit en combinatie van geweldshandelingen, en zeker het met een geschoeide voet trappen op een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd, de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid met zich brengt dat een persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt.
Dat op de beschikbare camerabeelden het schoppen tegen het hoofd niet is te zien, maakt dit niet anders. Verdachte heeft het incident gefilmd. Het betreft een fragment van het incident aangezien de beelden beginnen op het moment dat [benadeelde partij] al op de grond ligt en de geweldshandelingen van de filmer zijn niet op de camerabeelden te zien.
Verdachte heeft verklaard dat het niet de bedoeling was om aangeefster letsel te geven.
Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte de wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden (bewustheid) en dat hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties- niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard. De gedragingen, zoals hiervoor weergegeven, zijn, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat hieruit wordt afgeleid dat de verdachte in elk geval de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar letsel heeft aanvaard.
Nauwe en bewuste samenwerking
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] . Er was een vooropgezet plan met als doel om [benadeelde partij] te mishandelen en dit te filmen en zij hebben dit plan vervolgens samen uitgevoerd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn over en weer verantwoordelijk voor elkaars handelingen.
Voorbedachte rade
De mishandeling van [benadeelde partij] was gepland en voorbereid en is dus met voorbedachte rade uitgevoerd.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en openlijke geweldpleging.
6. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1. Subsidiair:
op 2 september 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij][benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde partij]- op de grond heeft getrokken en heeft gegooid en- vervolgens met kracht tegen het hoofd en lichaam heeft getrapt en- meermalen met kracht met de vuisten, tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.op 2 september 2024 te Amsterdam, te weten op de Stadionkade, op de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , door haar:- op de grond te trekken en te gooien en- vervolgens een of meermalen met kracht tegen het hoofd en lichaam te trappen en- meermalen met kracht met devuist, tegen het hoofd en lichaam te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 81 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en gezinssituatie van verdachte. Verdachte heeft het thuis niet makkelijk (gehad), hij is een first offender en hij was ten tijde van het feit pas 15 jaar. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen door vanaf het begin mee te werken met het politieonderzoek, zijn rol toe te geven en spijt te betuigen. Verdachte is er op het laatste moment door medeverdachte [medeverdachte] bij gehaald en heeft impulsief gehandeld. Verdachte heeft zelf aan het voorval een gebroken tand en geheugenverlies overgehouden en hij en zijn moeder hebben last ondervonden van de media-aandacht die de zaak heeft gekregen. De schorsingsperiode is goed verlopen en het IFA-traject is positief afgerond. Er worden vanuit de hulpverlening daarom ook geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De raadsman heeft concluderend verzocht geen aanvullende vrijheidsontnemende straf op te leggen en te volstaan met een onvoorwaardelijke taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders.
Het betreft in de onderhavige zaak een poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Daarbij is onder meer eenmaal geschopt tegen het hoofd van het slachtoffer.
Als uitgangspunt voor strafoplegging voor een dergelijk feit gelden als oriëntatiepunten dat bij zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf 80 uren zal worden opgelegd en bij zwaar lichamelijk letsel door middel van schoppen tegen het hoofd dan wel gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden zal worden opgelegd.
Strafverzwarende omstandigheden kunnen de strafmaat naar boven wijzigen. De rechtbank zal hier straks verder op ingaan.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een (vrijheidsbenemende) straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot zware
mishandeling met voorbedachte rade van [benadeelde partij] en openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij] . Verdachte is door medeverdachte [medeverdachte] meegevraagd om in ruilvoor een geldelijke beloning geweld toe te passen op een voor hem volstrekt onbekende vrouw. [medeverdachte] heeft hem gevraagd om te filmen.
De aanval is door anderen op een professionele manier voorbereid, waarbij het huis van [benadeelde partij] vooraf is geobserveerd en foto's van [benadeelde partij] zijn gedeeld.
De rechtbank is geschrokken van de respectloze toon waarop verdachte en de medeverdachte over het slachtoffer en het te verrichten geweld (‘dunne beentjes, gewoon vegen en trappen’) hebben gecommuniceerd.
[benadeelde partij] is vervolgens op klaarlichte dag voor haar eigen woning aan haar haren naar de grond getrokken, met kracht tegen haar hoofd en lichaam geschopt en meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen haar hoofd en lichaam geslagen.
Uit het filmfragment blijkt dat [benadeelde partij] weerloos op de grond lag toen voorgaande geweldshandelingen werden gepleegd en dat zij om hulp schreeuwde. Hier zijn veel omstanders getuige van geweest. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat het vierjarige zoontje van [benadeelde partij] hierbij was. Het moet voor hem zeer traumatisch zijn geweest om te hebben moeten aanschouwen hoe zijn moeder in elkaar geslagen werd.
In eerste instantie werd gevreesd dat [benadeelde partij] een hersenkneuzing, maar gelukkig zijn de neurologische afwijkingen beperkt gebleven. De lichamelijke gevolgen voor [benadeelde partij] hadden echter gelet op het gebruikte geweld veel ernstiger kunnen zijn. Verdachte heeft zijn eigen aandeel aan dit incident erkend. Helaas heeft hij geen duidelijkheid kunnen geven over de opdrachtgevers die erachter zaten. Dit zorgt voor veel onrust bij [benadeelde partij] omdat zij nog steeds niet weet uit welke hoek de dreiging van geweld komt en zij zich mede daardoor nog steeds onveilig voelt. Uit haar slachtofferverklaring blijkt op indringende wijze hoe beangstigend die voortdurende dreiging voor haar is en welke invloed die voortdurende angst op haar dagelijkse leven, haar zoontje en haar bewegingsvrijheid heeft.
Verdachte verklaarde dat hij op dat moment veel spanningen thuis ervaarde en hij de beloning interessant vond. Hij heeft niet goed nagedacht voordat hij op het verzoek van [medeverdachte] is ingegaan. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat verdachte alleen maar voor geld dergelijk ernstig geweld heeft toegepast en niet goed heeft nagedacht over de consequenties daarvan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
het rapport van de Raad van 10 september 2024;
de evaluatie van de WSS van 9 januari 2026.
De Raad heeft geen recente rapportage opgemaakt. De Raad heeft ter zitting toegelicht dat dat verdachte tot september 2024 niet in beeld is geweest bij politie of de jeugdhulpverlening. Het is moeilijk te begrijpen hoe verdachte in deze situatie is beland. Helaas ziet de Raad vaker dat er via Snapchat zogenaamde ‘jobs’ worden aangeboden waarop jongeren zonder daar goed over na te denken en verblind door het geld dat wordt aangeboden toehappen. Gebleken is dat verdachte het niet makkelijk heeft (gehad) in de thuissituatie. De Raad heeft daar een beter beeld over gekregen en er is hulp van Stichting MEE ingezet waardoor verdachte zich meer op zijn eigen ontwikkeling kan richten. IFA is intensief met verdachte aan de slag gegaan. De hulpverlening vertrouwt erop dat verdachte heeft geleerd van zijn fouten en dat het hem lukt om hier lering uit te halen voor zijn toekomst. Inmiddels is het nu een jaar en vier maanden verder en vandaag de dag ziet de Raad geen toegevoegde waarde in het opleggen van verdere begeleiding of andere bijzondere voorwaarden. Na de zitting is het tijd om de blik weer vooruit te richten en de havo af te ronden. De Raad adviseert de rechtbank aan verdachte een (een deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen.
De WSS heeft naar voren gebracht dat verdachte zich gedurende de schorsing aan alle voorwaarden heeft gehouden en hard heeft gewerkt aan zijn school. Verdachte heeft geprofiteerd van de IFA-coach. De doelen zijn behaald en de WSS ziet geen verdere aanknopingspunten voor een reclasseringsmaatregel.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit, zoals hierboven uiteengezet, een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt. De rechtbank vindt het heel zorgelijk dat jongeren geconfronteerd worden met dergelijke aanbiedingen op Snapchat en daar ook argeloos op ingaan, vooral voor het geld.
Kijkend naar de aard en intensiteit van de vindt de rechtbank voor de hoogte van de strafmaat aansluiting tussen de twee hierboven voornoemde oriëntatiepunten in.
De rechtbank neemt daarnaast de omstandigheden waaronder dit geweld op bestelling heeft plaatsgevonden in aanmerking, namelijk in georganiseerd verband en in aanwezigheid van het nog jonge kind van het slachtoffer. Het is bijzonder triest dat dit jonge kind machteloos heeft moeten toezien hoe zijn moeder werd belaagd en mishandeld.
Gelet op het tijdsverloop, de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het feit, het gegeven dat hij niet eerder is veroordeeld, de positieve ontwikkeling die hij in het afgelopen jaar en vier maanden met intensieve begeleiding van IFA en de WSS heeft doorgemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding om nog een voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op wat de deskundigen ter zitting naar voren hebben gebracht en geadviseerd.
De rechtbank vindt een jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorarrest, en een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende jeugddetentie, passend en geboden.
Die straf is lager dan wat aan de medeverdachte wordt opgelegd, omdat hij een beperktere rol heeft gehad bij de voorbereiding en omdat hij een stuk jonger is.
10. Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslaggenomen:
1. STK Telefoontoestel
(Omschrijving: 2024208171-BZAE1147, Zwart, Merk: iPhone 11
De officier van justitie heeft verzocht de telefoon verbeurd te verklaren in het geval de telefoon niet al is vernietigd.
De raadsman heeft teruggave van de telefoon aan verdachte verzocht.
De rechtbank is gebleken dat de telefoon toebehoort aan verdachte. Nu met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is voorbereid en begaan (gefilmd), wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
11. De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 851,72 aan vergoeding van materiële schade en €
7.500,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en
met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van de gehele vordering van de
benadeelde partij.
Materiële schade (kosten psycholoog)
De verdediging heeft deze kostenposten niet betwist.
De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom, ter hoogte van € 851.72 worden toegewezen.
Immateriële schade
De verdediging heeft verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot maximaal €4.000,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.000,00.
Conclusie
De rechtbank wijst, gelet op bovenstaande, een schadevergoeding van € 5.851,72 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.
De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar
vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke
rechter aanbrengen.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze
uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op
heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens
het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen
verklaarde is toegebracht.
De rechtbank constateert de medeverdachte Vreden inmiddels onherroepelijk is veroordeeld en dat het voornoemde bedrag van € 5.851,72 inmiddels via het CJIB aan de benadeelde partij is uitgekeerd. Dit betreft een voorschotregeling om het slachtoffer schadeloos te stellen. Het CJIB zal dit verhalen op de (mede)daders. Het is geen reden om af te zien van toewijzing van de vordering.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77aa, 77gg en 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2
Eendaadse samenloop van
Poging zware mishandeling met voorbedachten rade, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
Openlijke geweldpleging tegen personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 10 (tien) dagen, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 (honderd en veertig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen.
Verklaart verbeurd:
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: 2024208171-BZAE1147, Zwart, Merk: iPhone 11
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€5.851,72 (vijfduizend achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent),
bestaande uit € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent) aan
vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van
het ontstaan van de schade, te weten 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele
voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd,
behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige gedeelte ter hoogte van € 2.500,00
(tweeduizendvijfhonderd euro) niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 5.851,72
(vijfduizend achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent). Voornoemd bedrag bestaat uit € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.000.00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Diepraam, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K. Duker en M. van Aalderen kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.