[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om een tweede bewonersvergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoekster heeft op 8 mei 2026 een tweede bewonersvergunning aangevraagd voor kenteken [kenteken] . Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij een tweede bewonersvergunning toegewezen krijgt.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster voert aan dat zij een volle baan heeft, twee kinderen en dat zij de tweede bewonersvergunning nodig heeft voor allerlei activiteiten en verplichtingen. Op dit moment maakt zij gebruik van een bezoekersvergunning en kan zij met korting parkeren, maar het gebeurt wel eens dat zij vergeet de betaling te activeren waardoor zij het risico loopt op een forse naheffing. Verzoekster heeft een huis gekocht in een parkeerbelasting vrije zone, maar nu wordt zij geconfronteerd met extra ongewilde belasting. De afwijzing van de aanvraag is bovendien in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. De argumenten van verzoekster zoals hiervoor onder 2. genoemd, zijn daarvoor onvoldoende. Tijdens de bezwaarprocedure zal verweerder beoordelen of, zoals verzoekster heeft aangevoerd, verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht, is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: