RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-086489-25
Datum uitspraak: 28 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 (en de correctie van 2 december 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2024 door het Landelijk parket Haskovo, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] (Bulgarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 24 december 2025
Op deze zitting is de behandeling van het EAB aangevangen, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De tussenuitspraak van 14 januari 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan artikel 11 OLW voor te leggen.
De zitting van 10 februari 2026
Op deze zitting heeft de voortzetting van de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De tussenuitspraak van 24 februari 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan de artikelen 6 en 11 OLW voor te leggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 1 april 2026
Op deze zitting heeft de voortzetting van de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De tussenuitspraak van 15 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de materiële detentieomstandigheden in de detentie-instelling Haskovo. Omdat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, zal de rechtbank op de volgende zitting moeten nagaan of binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 28 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraken van 14 januari 2026, 24 februari 2026 en 15 april 2026
In de tussenuitspraken heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit, artikel 6 OLW en deels over artikel 11 OLW met betrekking tot de beschikbare medische zorg in de detentie-instelling in Haskovo. Wat de rechtbank in deze tussenuitspraken heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Bulgarije
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragrafen 5 van de tussenuitspraken van 24 februari 2026 en 15 april 2026. Die overwegingen worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft geoordeeld dat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen voor zover dit ziet op de materiële detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Haskovo. In het door de raadsvrouw overgelegde rapport van de Bulgaarse ombudsman uit 2024 heeft de ombudsman verschillende problemen geconstateerd ten aanzien van het huis van bewaring in Haskovo, waaronder geen directe toegang tot daglicht vanuit de cellen. In de twee uitspraken van de rechtbank van Haskovo uit 2025, die door de raadsvrouw zijn overgelegd, heeft de rechtbank van Haskovo een schending van artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in de detentie-instelling in Haskovo aangenomen. Gelet op deze informatie had de rechtbank aanvullende informatie nodig over de materiële detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Haskovo om te kunnen beoordelen of het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon kon worden weggenomen.
De rechtbank heeft vervolgens in de tussenuitspraak van 14 april 2026 geoordeeld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 10 maart 2026 uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering onder dezelfde omstandigheden zal worden gedetineerd in de detentie-instelling in Haskovo, waarvoor de rechtbank van Haskovo in Bulgarije eerder een schending van 3 EVRM heeft aangenomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het algemeen reële gevaar voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen en dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak van 14 april 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie op 1 mei 2026 opnieuw aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 12 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Immediately after securing the accused [opgeëiste persoon] in the Republic of Bulgaria, a court hearing will be held at the District Court – Dimitrovgrad, in which the issue of the measure of detention that should be taken in relation to him will be considered. The Bulgarian Criminal Procedure Code /Art. 58/ provides four types of measures of detention – recognizance, bail, house arrest and detention in custody. The court has the authority to assess at the court hearing which of the measures should be imposed on the accused. Along with the risk of absconding or committing a new crime, the court also assesses whether his health condition allows such detention or whether any of the other measures is adequate in this specific case.
In the event that the court nevertheless orders the accused to be detained in pre-trial detention, the Prosecutor may order transfer to another detention facility, other than the Pre-trial Detention Facility - Haskovo, but only upon a proposal from the competent medical personnel in the aforementioned detention facility in Haskovo, based on the required medical criteria.
The guarantees given so far, which you are already familiar with, concerning the detention of the accused, are legally mandatory and should be observed in any other Pre-trial Detention Facility on the territory of the Republic of Bulgaria”. (Onderstreping door de rechtbank).
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen concrete garantie verstrekt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in een andere detentie-instelling dan de detentie-instelling in Haskovo kan worden geplaatst. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon mogelijk naar een andere detentie-instelling kan worden overgeplaatst op verzoek van de medische dienst aldaar.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich inmiddels een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alsnog ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven op 12 mei 2026 door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte informatie daartoe geen aanknopingspunten biedt. Uit deze aanvullende informatie blijkt immers dat – mocht de opgeëiste persoon na overlevering in voorlopige hechtenis worden geplaatst – de officier van justitie in Bulgarije slechts een overplaatsing naar een andere detentie-instelling dan de detentie-instelling in Haskovo kan bevelen indien het medisch personeel dit, gelet op de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon, voorstelt.
De rechtbank concludeert dan ook de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Het individuele gevaar is niet binnen redelijke termijn weggenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen gevolg kan worden geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.
5. Slotsom
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. De overleveringsdetentie wordt opgeheven.
6. Beslissing
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de – geschorste – overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.