ECLI:NL:RBAMS:2026:577

ECLI:NL:RBAMS:2026:577

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer C/13/761411 / FA RK 24-8799
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Het verzoek tot vaststelling hoofdverblijfplaats omvat tevens een verzoek om vervangende toestemming verhuizing. De noodzaak van de verhuizing is voldoende aangetoond. Vervangende toestemming wordt verleend en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vrouw vastgesteld. Verder stelt de rechtbank een zorgregeling, een (zomer)vakantie- en feestdagenregeling en de overdrachtsplek vast. Ten aanzien van de kinderalimentatie volgt de rechtbank het verzoek van de man, nu dit verzoek de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Wel wordt er aan de zijde van de vrouw een verdiencapaciteit aangenomen met betrekking tot haar draagkracht. Partijen hebben overeenstemming bereikt over wie de aanvrager van de kinderbijslag wordt, over de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen en grotendeels over de na de peildatum ontvangen aanslagen. De rechtbank neemt een beslissing ten aanzien van de na de peildatum ontstane huurschuld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/761411 / FA RK 24-8799 (echtscheiding)

C/13/773637 / FA RK 25-5892 (verdeling)

Beschikking d.d. 20 januari 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. M.R. Oudshoorn, thans mr. R.M. Potma, gevestigd te Mijdrecht ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. B.N. Voogd, gevestigd te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 19 december 2024;

het F9-formulier van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2025;

het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 10 maart 2025;

het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 8 mei 2025;

het F9-formulier van de vrouw met bijlage, van 11 november 2025;

het F9-formulier van de vrouw met bijlagen en aanvullende verzoeken, van 25 november 2025;

het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw, van 1 december 2025;

het F9-formulier van de vrouw met bijlagen en aanvullende en gewijzigde verzoeken, van 4 december 2025.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

mevrouw [Medewerker GGZ] als vertegenwoordiger van de Raad.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 7 december 2023 te Weesp .

Het minderjarige kind van partijen is:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] .

Partijen en de minderjarige hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 5 december 2024 is een voorlopige zorgregeling vastgelegd conform de overeenstemming van partijen, waarbij [minderjarige] in de even weken van vrijdag 08:30 uur tot zondag 19:00 uur bij de man verblijft en in de oneven weken van donderdag 18:30 uur tot vrijdag 19:00 uur. Verder is conform de overeenstemming van partijen bepaald dat de man als voorlopige kinderbijdrage € 158,- per maand aan de vrouw dient te voldoen en dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres 1] te ( [postcode 1] ) [woonplaats] .

3. Het verzoek en het verweer met zelfstandige verzoeken

De vrouw verzoekt de rechtbank, na wijziging en aanvulling van haar verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen;

III. te bepalen dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen en zich aldaar in te schrijven, te weten op het adres [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] ;

IV. te bepalen dat er een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige] bij de man verblijft:

- in de even weken van vrijdag 08:30 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag naar [restaurant] te [plaats 2] brengt waar om 08:30 uur de overdracht zal plaatsvinden, en de man [minderjarige] op zondag naar [restaurant] te [plaats 2] brengt waar de overdracht om 19:00 uur zal plaatsvinden;

- in de oneven weken van donderdag 18:30 uur tot vrijdag 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag naar [restaurant] te [plaats 2] brengt waar om 18:30 uur de overdracht zal plaatsvinden, en de man [minderjarige] op zondag naar [restaurant] te [plaats 2] brengt waar de overdracht om 19:00 uur zal plaatsvinden;

V. te bepalen dat de feestdagen en bijzondere dagen als volgt worden verdeeld:

- Pasen: Eerste Paasdag bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur, Tweede Paasdag bij de man van 09:00 uur tot de volgende ochtend 08:30 uur waarbij de man [minderjarige] naar de [opvang] brengt;

- Hemelvaartsdag: volgens de reguliere zorgregeling;

- Pinksteren: Eerste Pinksterdag bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur, Tweede Pinksterdag bij de man van 09:00 uur tot de volgende ochtend 08:30 uur waarbij de man [minderjarige] naar de [opvang] brengt;

- Koningsdag: volgens de reguliere zorgregeling;

- Sinterklaas (5 december): volgens de reguliere zorgregeling;

- Kerst: Eerste Kerstdag bij de vrouw 09:00 uur tot Tweede Kerstdag 09:00 uur en vanaf Tweede Kerstdag bij de man vanaf 09:00 uur tot de volgende ochtend 09:00 uur;

- Oud en Nieuw: volgens de reguliere zorgregeling;

- Vaderdag: bij de man van 09:00 uur tot 19:00 uur;

- Moederdag: bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur;

- Verjaardag van [minderjarige] : bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur;

- Verjaardag van de man: volgens de reguliere zorgregeling maar op verzoek van de man verblijft [minderjarige] bij hem, waarbij de tijden in onderling overleg worden afgestemd;

- Verjaardag van de vrouw: volgens de reguliere zorgregeling maar op verzoek van de vrouw verblijft [minderjarige] bij haar, waarbij de tijden in onderling overleg worden afgestemd;

- Verjaardag opa/oma: volgens de reguliere zorgregeling;

VI. te bepalen dat de ouder waar [minderjarige] op dat moment verblijft [minderjarige] naar de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] ( [adres 3] te ( [postcode 3] ) [plaats 2] ) zal brengen, waarbij de andere ouder haar ophaalt;

VII. primair de man te veroordelen om het bedrag van € 5.821,38 binnen één week na de beschikking aan de vrouw te betalen;

VIII. subsidiair de man te veroordelen binnen één week na de beschikking een bedrag van € 2.910,69 aan de vrouw te betalen;

IX. te bepalen dat de vrouw aanvrager van de kinderbijslag en het kindgebonden budget bij de Sociale Verzekeringsbank zal zijn;

X. de man te veroordelen om binnen één week na de beschikking zijn volledige medewerking te verlenen aan het wijzigen van het rekeningnummer bij de Sociale Verzekeringsbank waarop de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden gestort, naar de privérekening van de vrouw, zijnde [IBAN-nummer 1] t.n.v. [de vrouw] , door daartoe het wijzigingsformulier, al dan niet digitaal, op die wijze in te vullen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man zijn medewerking niet verleent, met een maximum van € 50.000,-;

XI. te bepalen dat het saldo van de gezamenlijk Direct Sparen rekening van partijen ( [IBAN-nummer 2] ) – zijnde de opgespaarde kinderbijslag – volledig aan de vrouw toekomt;

XII. te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt afgewikkeld volgens het door de vrouw ingediende Formulier Verdelen en Verrekenen;

XIII. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bijdrage ter zake van de kinderalimentatie van € 328,- per maand in 2025 met toepassing van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2026 dan wel € 343,09 per maand in 2026, met ingang van de datum beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw, behoudens het verzoek tot echtscheiding. De man verzoekt, na wijziging en aanvulling van zijn verzoeken, zelfstandig:

I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

- primair

II. te bevelen dat de vrouw uiterlijk binnen een maand na de beschikkingsdatum met [minderjarige] terugverhuist naar [woonplaats] (te weten alles in een straal tot 10 kilometer van de [adres 1] ), althans op/voor een door de rechtbank te bepalen datum, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de vrouw in gebreke blijft om aan de te geven beschikking te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

III. een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] in de even weken van vrijdag 08:30 uur tot maandag 19:00 uur en in de oneven weken van woensdag 08:30 uur tot vrijdag 19:00 uur bij de man verblijft, waarbij de ouder bij wie het kind het laatst verbleef [minderjarige] zal terugbrengen naar de andere ouder, althans een regeling die de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

IV. het verzoek van de vrouw dat de man een kinderbijdrage moet betalen van € 300,- per maand af te wijzen voor zover het een bedrag van € 181,- te boven gaat, althans een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht;

V. voorwaardelijk, indien de rechtbank bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen uit hoofde van de huurschuld, dit bedrag te verrekenen met de helft van de kosten die de man heeft gemaakt, dan wel nog dient te voldoen aan de [gemeente] en Waternet met een bedrag van € 234,50 respectievelijk € 366,70 en de man de helft dient te vergoeden van de teruggave Vattenfall met een bedrag van € 334,94;

- subsidiair

VI. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man te bepalen;

VII. een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vrouw verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man zal brengen en ook weer zal ophalen, althans een regeling die de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

- primair en subsidiair

VIII. de beperkte gemeenschap van partijen te verdelen zodanig te verdelen dat de bankrekeningen zonder verrekening worden toegedeeld aan diegene op wiens naam deze zijn gesteld;

IX. een feest- en vakantieregeling vast te stellen waarbij:

o [minderjarige] tijdens de zomervakantie in de even jaren de eerst drie (aaneengesloten) weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man verblijft en vice versa voor de oneven jaren. De start van de vakantie is op vrijdag voor de vakantie om 08:30 uur. De overdracht voor de wissel vindt plaats op vrijdag na drie weken om 08:30 uur en eindigt op de maandag na de vakantie om 08:30 uur;

o [minderjarige] op Vaderdag bij de man verblijft en op Moederdag bij de vrouw van 09:00 tot 19:00 uur;

o gedurende de overige vakanties en feestdagen de reguliere zorgregeling zal gelden, totdat [minderjarige] naar school zal gaan.

De vrouw voert verweer op de zelfstandige verzoeken van de man en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van zijn verzoeken.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4. De beoordeling

De echtscheiding

Beide partijen hebben gesteld dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Op grond hiervan verzoeken zij de echtscheiding.

Artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevat ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zal al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processueel vereiste heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

Door partijen is geen gezamenlijk ouderschapsplan overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een ouderschapsplan op dit moment ook redelijkerwijs niet door partijen kan worden overgelegd. Het lukt partijen namelijk (nog) niet om op een constructieve wijze met elkaar van gedachten te wisselen en tot afspraken te komen over [minderjarige] . De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats en verhuizing

De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt vastgesteld alsmede dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen. Ter onderbouwing van haar verzoek over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] stelt de vrouw dat deze bij haar moet worden vastgesteld omdat [minderjarige] het merendeel van de tijd bij de vrouw verblijft.

Ter onderbouwing van haar verzoek tot vervangende toestemming verhuizing stelt de vrouw dat zij zich niet veilig voelt om alleen met [minderjarige] in [woonplaats] te wonen. Zo heeft er op 4 september 2024 tussen partijen een incident plaatsgevonden waarbij de man zich dreigend richting de vrouw heeft opgesteld. Ook eerder in de relatie van partijen hebben er escalaties plaatsgevonden waardoor de vrouw zich onveilig heeft gevoeld. Verder stelt de vrouw dat zij niet gebonden is aan [woonplaats] . Zij is in 2020 slechts voor de man naar [woonplaats] verhuisd. De vrouw heeft hier ook nimmer gewerkt. Daarnaast is de vrouw niet in staat om een betaalbare (huur)woning in [woonplaats] te vinden. De huurlasten van de echtelijke woning van partijen kon de vrouw niet meer dragen omdat haar dienstverband per 1 maart 2025 is beëindigd en zij hierdoor afhankelijk werd van een WW-uitkering. Gelet op haar geringe inkomen is de vrouw aangewezen op een sociale huurwoning en huurtoeslag. De vrouw is dan ook in maart 2025 bij haar ouders ingetrokken in [plaats 1] . Voor de vrouw was het een logische keuze om naar [plaats 1] te verhuizen. Hier wonen haar ouders, bevindt zich haar sociale netwerk/vangnet en hier stond de vrouw al lange tijd ingeschreven voor een sociale huurwoning. Ook acht de vrouw de mogelijkheden en voorzieningen voor haar en [minderjarige] in [plaats 1] beter dan in [woonplaats] . [minderjarige] staat inmiddels ingeschreven in [plaats 1] in de BRP, heeft daar een huisarts en een tandarts, gaat daar naar het consultatiebureau en neemt deel aan BabyPeuterZwemmen. Verder kan [minderjarige] vanaf april 2026 naar de [opvang] en heeft de vrouw haar alvast ingeschreven op een christelijke basisschool in de buurt. De vrouw heeft voorts een sociale huurwoning in [plaats 1] toegewezen gekregen en sinds kort heeft zij daar ook een baan. Wat de vrouw betreft is het in het belang van [minderjarige] als zij in [plaats 1] opgroeit. De verhuizing leidt verder niet tot een beperkte(re) rol van de man in het leven van [minderjarige] . De huidige zorgregeling kan gewoon worden gecontinueerd.

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Primair wil de man dat de vrouw met [minderjarige] terugverhuist naar [woonplaats] . Subsidiair wil de man dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt vastgesteld. Ter onderbouwing voert de man aan dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld door met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1] zonder zijn toestemming. De vrouw voldoet ook niet aan de in de jurisprudentie gestelde verhuiscriteria. Zo heeft de vrouw niet aangetoond dat er een noodzaak tot verhuizing bestaat. Er is ook geen sprake van enige onveiligheid zoals door de vrouw gesteld. De vrouw heeft voorts de plicht om aan te tonen dat zij geen geschikte en betaalbare woonruimte in (de omgeving van) [woonplaats] kan vinden, hetgeen zij niet heeft gedaan. De vrouw heeft verder onvoldoende compensatie geboden aan de man om de gevolgen van de verhuizing te compenseren en zij heeft niets gesteld over de wijze waarop zij de verhuizing heeft doordacht en voorbereid. De verhuizing brengt voor de man extra kosten, reistijd en ongemak met zich mee waarover de vrouw niets heeft gesteld. Eveneens heeft de vrouw nagelaten het criterium te bespreken dat ziet op de communicatie en het overleg tussen partijen. De man voorziet dat de huidige spanningen in de communicatie tussen partijen bij een verhuizing alsmaar zullen toenemen, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Dit alles brengt volgens de man een contra-indicatie met zich mee voor de verhuizing van de vrouw naar [plaats 1] . Een verhuizing zal ertoe leiden dat de rol van de man in het leven van [minderjarige] wordt beperkt, hetgeen hij wil voorkomen. [minderjarige] moet haar vader voldoende blijven zien, en in ieder geval meer dan nu het geval is. De man stelt het belang van [minderjarige] hierin voorop. Daarbij komt dat de vrouw na haar verhuizing diverse gezagsbeslissingen zelfstandig – wederom zonder toestemming van de man – heeft genomen. De vrouw schuift met haar handelswijze het recht van de man op gelijkwaardig ouderschap opzij.

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De huidige situatie had, gelet op het gezamenlijk ouderlijk gezag, niet mogen ontstaan. De situatie van partijen is echter ingewikkeld. Temeer omdat de vrouw is aangewezen op een sociale huurwoning en de wachttijd in [woonplaats] gemiddeld 12 tot 15 jaar bedraagt. De Raad heeft uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken niet afgeleid dat de vrouw (voldoende) inspanningen heeft verricht om in de buurt van [woonplaats] een woning te zoeken. De Raad onthoudt zich van advies ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot verhuizing.

Inhoudelijke beoordeling

Verhuizing

De rechtbank stelt voorop dat partijen gezamenlijk het gezag hebben over [minderjarige] . Dit brengt met zich mee dat in beginsel de instemming van de man noodzakelijk is als de vrouw de woonplaats van [minderjarige] wenst te wijzigen. Wanneer partijen het hierover niet eens worden, kan het geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voorgelegd aan de rechter. Bij een conflict over een verhuizing en de hoofdverblijfplaats van het kind moet de rechtbank een beslissing nemen in het belang van het kind. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoewel het belang van het kind voorop staat, andere belangen soms zwaarder kunnen wegen. De rechtbank zal bij haar beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen (zie ECLI:NL:HR:2008:BC5901).

Uit het voorgaande volgt aldus dat in zaken waarin verhuisproblematiek speelt een belangenafweging moet worden gemaakt. In de literatuur en feitenrechtspraak zijn verschillende lijsten met omstandigheden uitgewerkt die door de rechter kunnen worden meegenomen bij de te maken belangenafweging inzake een verhuizing. De volgende factoren zijn daarbij van belang: (1.) de noodzaak om te verhuizen, (2.) de voorbereiding van de verhuizing, (3.) de geboden alternatieven en compensatie voor de gevolgen van de verhuizing, (4.) de communicatie tussen de ouders, (5.) de rechten van het kind en de andere ouder op contact met elkaar, (6.) de verdeling en continuïteit van de zorg, (7.) de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing, (8.) de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij is geworteld in zijn/haar omgeving en (9.) de kosten van de omgang na verhuizing. Hoewel een dergelijke lijst met opsomming van omstandigheden rechters richting geeft in het duiden van de relevante omstandigheden van het geval, staat voorop dat de opsomming niet uitputtend is en ook niet bindend. Rechters zijn dus niet gebonden om (al) deze factoren mee te nemen in de beoordeling en andere factoren kunnen eveneens in de beoordeling worden betrokken. Hoe deze factoren en omstandigheden vervolgens gewogen moeten worden, zal van geval tot geval verschillen (Vgl. ECLI:NL:GHARL:2025:667; ECLI:NL:PHR:2024:325).

Verder is het uitgangspunt dat de vrouw het recht en de vrijheid heeft om haar leven (opnieuw) in te richten. Dit recht wordt wel begrensd door de rechten en de belangen van [minderjarige] en de man.

De vrouw is met [minderjarige] verhuisd naar [plaats 1] , zonder dat zij hiervoor de toestemming van de man had gekregen, dan wel vervangende toestemming van de rechter. De vrouw heeft inmiddels haar leven en dat van [minderjarige] in [plaats 1] volledig vormgegeven. Zo heeft de vrouw een sociale huurwoning en werk gevonden in [plaats 1] , is [minderjarige] ingeschreven bij een huisarts, bij een tandarts, voor zwemles, de [opvang] en de basisschool. Dit alles zonder overleg, laat staan met instemming, van de man. Daarnaast is de huur van de echtelijke woning beëindigd.

Het voorgaande, en gelet op de huidige woningmarkt in (de buurt van) [woonplaats] , stelt de rechtbank en de man voor het voldongen feit dat een terugverhuizing naar (de buurt van) [woonplaats] – praktisch – onmogelijk is.

De vraag die nu voorligt aan de rechtbank is waar [minderjarige] na de echtscheiding haar hoofdverblijfplaats zal hebben en aldus of zij met de vrouw naar [plaats 1] mag verhuizen. De rechtbank zal voor de beantwoording hiervan alle belangen tegen elkaar afwegen.

Alle belangen en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw om met [minderjarige] naar [plaats 1] te mogen verhuizen, dient te worden toegewezen. Redengevend voor deze beslissing is het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is de noodzaak voor een verhuizing van de vrouw en haar belang hierbij voldoende gebleken. Immers is tussen partijen niet in geschil dat de vrouw, gelet op haar inkomen, afhankelijk is van een sociale huurwoning en dat zij niet meer in staat was zelfstandig de lasten van de echtelijke (huur)woning in [woonplaats] te dragen. Voor de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat er een noodzaak bestaat voor een verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 1] . De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij zich heeft ingespannen om alternatieve woonruimte te vinden (in de buurt van) [woonplaats] . Van de vrouw kan evenwel niet worden verlangd om nu terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats] . De financiële positie van de vrouw vormt daarbij een belangrijke belemmering. De vrouw beschikt niet over een woonruimte in [woonplaats] en op korte termijn zal zij hier niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Inmiddels heeft de vrouw in [plaats 1] wel een geschikte en betaalbare sociale huurwoning gevonden voor haar en [minderjarige] . Daarnaast heeft de vrouw geen binding met [woonplaats] . De vrouw is omstreeks 2020 voor de man naar [woonplaats] verhuisd. Partijen zijn vervolgens in december 2023 met elkaar getrouwd, in maart 2024 is [minderjarige] geboren en in december 2024 heeft de vrouw het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Partijen hebben aldus maar een kort huwelijk gehad. De vrouw heeft nimmer in [woonplaats] gewerkt en zij heeft hier geen sociaal vangnet waar zij op kan terugvallen. In [plaats 1] heeft de vrouw dit daarentegen wel. Zij heeft een baan gevonden en haar sociale vangnet (familie en vrienden) is hier gelegen.

Hiertegenover staat het belang van de man en [minderjarige] om het contact dat zij met elkaar hebben op eenzelfde wijze voort te kunnen zetten. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] een goed contact met de man niet in de weg hoeft te staan en dat zijn betrokkenheid ook na de verhuizing voldoende is gewaarborgd. Gelet op de hierna te melden zorgregeling, zal dit contact bovendien worden uitgebreid. Aldus is er geen sprake van een situatie waarbij het contact tussen de man en [minderjarige] door de verhuizing onaanvaardbaar zal worden uitgehold.

[minderjarige] is bovendien nog jong, kan zich goed aanpassen aan een nieuwe omgeving en zij heeft slechts tien maanden in [woonplaats] gewoond. Van een worteling van [minderjarige] in [woonplaats] is volgens de rechtbank dan ook geen sprake.

Hoewel de reisafstand vanwege de verhuizing toeneemt, staat dit naar het oordeel van de rechtbank een verhuizing niet in de weg. De echtscheidingssituatie van partijen brengt met zich mee dat voor de uitvoering van de zorgregeling hoe dan ook reistijd ontstaat. Dit was ook het geval geweest indien de vrouw dichter bij [woonplaats] had gewoond. Dan had de vrouw echter reistijd gehad én haar sociale vangnet gemist, hetgeen de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] acht. [plaats 1] is naar het oordeel van de rechtbank een plaats waar [minderjarige] goed kan opgroeien en het is op een acceptabele afstand gelegen van [woonplaats] .

Nu de vrouw bereid is om het grootste gedeelte van het halen en brengen van [minderjarige] op zich te nemen en zij extra compensatie in tijd heeft aangeboden door [minderjarige] na bepaalde feestdagen – zoals hierna te melden – bij de man te laten overnachten, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de gevolgen van de verhuizing voor de man voldoende heeft gecompenseerd.

Alle belangen in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw, en daarmee samenhangend het belang van [minderjarige] , om naar [plaats 1] te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van de man bij het weigeren van de door de vrouw gevraagde toestemming tot verhuizing. In het meest ideale scenario zou de vrouw terugkeren naar [woonplaats] , maar gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak is dat naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen en zich aldaar in te schrijven op het adres [adres 2] ( [postcode 2] ) toewijzen.

Aangezien aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1] wijst de rechtbank het primaire verzoek van de man, om te bevelen dat de vrouw dient terug te verhuizen naar [woonplaats] , af.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, afleidt dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt. Er is veel gebeurd tussen partijen toen zij nog partners waren. Het is echter in het belang van [minderjarige] dat partijen elkaar op de hoogte houden van zaken die haar betreffen, zeker in deze fase van haar leven, en dat de man betrokken wordt bij de gezagsbeslissingen die over [minderjarige] moeten worden genomen. Beide partijen dienen zich hiervoor in te zetten. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de mogelijkheid voor partijen om in vrijwillig kader hulpverlening in te zetten, bijvoorbeeld in de vorm van Ouderschap Blijft. Net als de Raad adviseert de rechtbank partijen met klem om hieraan deel te nemen ten behoeve van hun gezamenlijke ouderschap voor [minderjarige] .

Hoofdverblijfplaats

De rechtbank zal ook het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar toewijzen. Dit gelet op de voorgaande beslissing ten aanzien van de verhuizing van de vrouw naar [plaats 1] en de hierna te melden zorgregeling waaruit volgt dat de vrouw het grootste gedeelte van de zorg voor [minderjarige] op zich neemt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft – en aldus staat ingeschreven – op het adres van haar hoofdverzorger. Verder is niet gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw verzet. Het subsidiaire verzoek van de man, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, zal de rechtbank afwijzen.

Zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling en overdracht

Zorgregeling

Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de huidige zorgregeling goed verloopt. Zij wenst deze dan ook te continueren. Wat de vrouw betreft staat het belang van [minderjarige] voorop en moet er uiteindelijk een zorgregeling worden vastgesteld die het beste voor haar is.

Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de man voert de vrouw aan dat de dagen waarop de man uitbreiding verzoekt, dagen zijn waarop hij werkt. De vrouw acht het niet in het belang van [minderjarige] dat zij dan ofwel naar de kinderopvang moet ofwel door oma ( vz ) wordt opgevangen. Daarnaast zijn dit ook de dagen waarop de vrouw niet werkt en de zorg voor [minderjarige] kan op zich kan nemen. Verder acht de vrouw het, gelet op [minderjarige] leeftijd, te lang voor [minderjarige] om vier dagen achtereenvolgend van de vrouw weg te zijn. Tot slot komt de door de man verzochte regeling neer op een co-ouderschapsregeling. Hiervoor is het echter noodzakelijk dat partijen constructief met elkaar kunnen communiceren over [minderjarige] , hetgeen niet het geval is. Het verzoek van de man moet aldus worden afgewezen.

De man stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat hij [minderjarige] op dit moment weinig ziet. Dat vindt hij lastig omdat hij graag zijn vaderrol optimaal wil benutten en een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] wil spelen. De man wil graag een gelijkwaardig ouderschap met de vrouw. Voor nu probeert de man in ieder geval gedurende de dagen waarop [minderjarige] bij hem verblijft, alles eruit te halen wat erin zit. De man wil echter meer tijd met [minderjarige] doorbrengen. De door de man verzochte zorgregeling is voor hem goed te combineren met zijn werk. De man werkt vanuit huis en is in staat om zijn uren zelf in te delen waardoor hij ook tijdens werktijd de zorg voor [minderjarige] op zich kan nemen. In beginsel werkt de man vier dagen per week, van maandag tot en met donderdag, gedurende negen uur per dag. Wanneer de man hulp nodig mocht hebben, is zijn sociale vangnet in de buurt om in te springen. De man wil dat er een duidelijke zorgregeling wordt vastgesteld zodat zijn relatie met [minderjarige] veilig en voorspelbaar wordt. Gelet op de huidige ontwikkelingsfase van [minderjarige] – de hechtingsfase – acht de man het van belang dat [minderjarige] langere tijd achtereen bij hem verblijft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat een week op, week af regeling wat hem betreft ook bespreekbaar is.

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Het voorstel van de man voor een week op, week af regeling acht de Raad gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] niet in haar belang. [minderjarige] bevindt zich in een hechtingsfase waardoor het op dit moment voor haar noodzakelijk is dat zij frequent contact heeft met beide ouders. De Raad heeft verder naar voren gebracht dat het niet de voorkeur verdient indien de man zijn werk combineert met de zorg voor [minderjarige] . De Raad begrijpt de wens van de man om zoveel mogelijk van zijn vaderschap aan [minderjarige] mee te kunnen geven, maar [minderjarige] heeft wanneer zij bij de man verblijft een beschikbare vader nodig.

Inhoudelijke beoordeling

Bij gezamenlijke gezagsuitoefening geldt dat op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW, geschillen hieromtrent aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Daartoe wordt, gelet op artikel 1:253a, tweede lid, aanhef en onder a, mede de beslissing gerekend over de zorgregeling. De rechter neemt in dat geval een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank overweegt als volgt. In de afgelopen periode hebben partijen uitvoering gegeven aan de zorgregeling die zij samen zijn overeengekomen en welke regeling is vastgelegd in de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 december 2024. In deze regeling verblijft [minderjarige] de ene week van vrijdag 08:30 uur tot zondag 19:00 uur bij de man en de andere week van donderdag 18:30 uur tot vrijdag 19:00 uur. Aldus verblijft [minderjarige] in de huidige regeling gemiddeld 2 dagen per week bij de man. De vrouw verzoekt nu te bepalen dat deze regeling de definitieve zorgregeling zal worden. De rechtbank acht deze regeling voor [minderjarige] echter te beperkt en niet in haar belang. Hierbij neemt de rechtbank mede in acht dat de vrouw zonder toestemming van de man naar [plaats 1] is verhuisd. De man heeft de uitdrukkelijke wens om een belangrijke rol te spelen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de rechtbank ziet hiervoor geen contra-indicaties. Immers zijn beide partijen goede ouders voor [minderjarige] . De rechtbank acht daarentegen de door de man voorgestelde zorgregeling, die neerkomt op een co-ouderschapsregeling, te verstrekkend en eveneens niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal dan ook een zorgregeling vaststellen als hierna in de beslissing vermeld. Deze zorgregeling acht de rechtbank een minimale zorgregeling die op dit moment het meeste in het belang van [minderjarige] is. Deze regeling brengt rust en regelmaat met zich mee, waarborgt frequent contact tussen [minderjarige] en de man met inachtneming van haar nog jonge leeftijd en komt tegemoet aan de wens van de man om meer tijd met [minderjarige] door te brengen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben uitgesproken er de voorkeur aan te geven dat de ouder waar [minderjarige] verblijft ook zoveel als mogelijk feitelijk voor haar zorgt. Het staat beide partijen evenwel vrij om hun tijd met [minderjarige] in te delen zoals zij dat willen. Dat betekent dat gedurende de werktijd van de man de zorg voor [minderjarige] eveneens door bijvoorbeeld oma ( vz ) kan worden uitgevoerd. Dit heeft evenzogoed voor de vrouw te gelden.

Vakantie en feestdagenregeling

De man verzoekt een verdeling van de zomervakantie alsmede een verdeling van Vaderdag en Moederdag. De man wil de overige vakanties en feestdagen volgens de reguliere zorgregeling laten verlopen zodat daarin niet te veel wordt geschoven en [minderjarige] daar last van krijgt.

De vrouw verzoekt alleen een verdeling van de feestdagen. De vrouw acht een vakantieregeling op dit moment niet passend omdat [minderjarige] nog niet is gebonden aan de schoolvakanties. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld dat alleen voor de zomervakantie een verdeling zal gelden, namelijk volgens een 1-2-2-1 schema. Zo is [minderjarige] niet langer dan twee weken bij een van de ouders vandaan, maar hebben beide ouders wel de mogelijkheid om met [minderjarige] op vakantie te gaan. Hierbij sluit de vrouw wat betreft de data van de zomervakantie aan bij de zomervakantie van Midden-Nederland. Voor de overige vakanties kan de reguliere zorgregeling doorlopen. Tot slot merkt de vrouw op dat als partijen het met elkaar eens zijn, zij kunnen afwijken van de vastgestelde zorgregeling.

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Een regeling waarbij [minderjarige] in de zomervakantie drie weken bij de ene ouder is en daarna drie weken bij de andere ouder, is niet passend gelet op haar leeftijd. Volgens de Raad moeten partijen met elkaar aan de slag om te bedenken hoe zij dit richting de toekomst willen vormgeven. Tot slot merkt de Raad op dat hij het niet passend acht indien [minderjarige] haar verjaardag elk jaar bij de vrouw doorbrengt. Dit moet tussen partijen worden gealterneerd.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is pas twee jaar oud zodat zij nog niet is gebonden aan de schoolvakanties. De rechtbank zal dan ook geen vakantieregeling als zodanig vaststellen. Partijen hebben echter wel behoefte aan een verdeling van de zomervakantie. Hierover zal de rechtbank dan ook een beslissing nemen.

Voor de zomervakantie zal de rechtbank bepalen dat deze wordt verdeeld volgens het voorstel van de vrouw, zijnde een 1-2-2-1 schema. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom de door de vrouw voorgestelde vakantieverdeling niet passend zou zijn. Ook heeft de man onvoldoende gemotiveerd waarom in dit specifieke geval de door hem voorgestelde zorgregeling meer passend is en er moet worden afgeweken van het advies van de Raad. Meer concreet zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] in de even jaren de eerste week van de zomervakantie bij de vrouw verblijft, de tweede en derde week bij de man, de vierde en vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man. In de oneven jaren wordt dit gealterneerd. [minderjarige] verblijft dan de eerste week van de zomervakantie bij de man, de tweede en derde week bij de vrouw, de vierde en vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw.

Wat betreft de periode van de zomervakantie zal de rechtbank bepalen dat de zomervakantie van Midden-Nederland wordt gevolgd nu de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw in [plaats 1] wordt vastgesteld.

Ten aanzien van de feestdagen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen als hierna te melden, met uitzondering van de verjaardag van [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van [minderjarige] dat zij de feestdagen gelijkwaardig bij haar ouders kan doorbrengen. Deze regeling zal voor [minderjarige] , anders dan de man stelt, niet leiden tot onrust nu het slechts drie feestdagen betreft.

Ten aanzien van de verjaardag van [minderjarige] zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij het ene jaar haar verjaardag doorbrengt bij de vrouw en het andere jaar bij de man. De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming van partijen beslissen.

Overdracht

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat zij de overdracht van [minderjarige] wil laten plaatsvinden op een openbare en kindvriendelijke locatie. De vrouw is nog steeds angstig voor de man en voelt zich onveilig. Ook wil zij voorkomen dat er in het bijzijn van [minderjarige] escalaties plaatsvinden. [restaurant] te [plaats 2] acht de vrouw een geschikte overdrachtslocatie omdat dit exact op de route tussen de woningen van partijen in ligt. Het restaurant bevindt zich slechts op 14 minuten rijden voor de man. Ter compensatie voor de verhuizing neemt de vrouw het overige, en tevens grootste gedeelte, van de reis(tijd) op zich.

De man voert aan dat hij een overdracht van [minderjarige] bij een wegrestaurant niet in haar belang acht. De man ziet een openbare, onpersoonlijke parkeerplaats niet als een veilige of rustige omgeving waar een kind zich op zijn gemak kan voelen tijdens een overdracht. Overigens is er op de parkeerplaats en in een wegrestaurant ook een gebrek aan privacy. De man wenst dat de overdracht plaatsvindt bij zijn woning nu dit een veilige plek is voor [minderjarige] .

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Als de overdracht spanningen met zich meebrengt, moet worden voorkomen dat dit in de thuissituatie van [minderjarige] plaatsvindt. [minderjarige] krijgt deze spanningen namelijk mee. Een restaurant kan in zo’n situatie een beter alternatief zijn. Bij voorkeur vindt de overdracht plaats in het wegrestaurant. Hierbij geldt echter ook dat als er te veel spanningen zijn, de overdracht beter op het parkeerterrein kan plaatsvinden. Partijen moeten verder zorgdragen voor een veilige overdracht en informatie met elkaar delen. Daarin moeten zij met elkaar delen of [minderjarige] heeft rondgelopen, of zij veilig heeft gespeeld, welke boekjes zij leuk vindt, welk eten zij lekker vindt, of er activiteiten zijn ondernomen, of zij slecht heeft geslapen, et cetera. Partijen dienen ervoor te zorgen dat [minderjarige] in één wereld kan opgroeien waarin verschillen mogen bestaan.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de overdracht van [minderjarige] bij [restaurant] te [plaats 2] niet de meest wenselijke plek is, zal de rechtbank het advies van de Raad op dit punt volgen en het verzoek van de vrouw ten aanzien van de overdrachtslocatie toewijzen. Op dit moment lijkt het, gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen, niet haalbaar om de overdracht van [minderjarige] plaats te laten vinden op het thuisadres van partijen. Zo lang partijen onvoldoende met elkaar door een deur kunnen, zal de overdracht op deze manier in het belang van [minderjarige] moeten plaatsvinden.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan haar een bedrag van € 328,- per maand in 2025 (en met toepassing van de wettelijke indexering per 1 januari 2026 € 343,09 per maand), bij vooruitbetaling dient te voldoen. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw een draagkrachtberekening overgelegd waaruit volgt dat de man in staat is het verzochte bedrag te betalen.

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Hij wil dat het verzoek wordt afgewezen en dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 181,- per maand. De man voert aan dat partijen het grotendeels eens zijn over de behoefte van [minderjarige] . Voor de berekening van de draagkracht van partijen dient er echter aan de zijde van de vrouw te worden gerekend met haar volledige verdiencapaciteit. Verder dient er voor de zorgkorting te worden gerekend met 35%, hetgeen is gebaseerd op het zelfstandige verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 181,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie (artikel 1:403 BW). Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat de vrouw dit heeft verzocht en de man op dit punt geen verweer heeft gevoerd.

De behoefte van [minderjarige]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 862,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2024, omdat dit het laatste jaar is waarin partijen bij elkaar waren.

Voor het inkomen van de man in 2024 gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2024, waarop een belastbaar loon van € 40.424,- bruto is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting waar de man toen recht op had. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2024 € 2.776,- per maand.

Voor het inkomen van de vrouw in 2024 gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2024, waarop een belastbaar loon van € 31.123,- bruto is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar de vrouw toen recht op had. Het NBI van de vrouw bedroeg dan in 2024 € 2.562,- per maand.

Naast hun eigen inkomsten ontvingen de ouders in 2024 een kindgebonden budget van € 2,- per maand.

Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2024 budget, € 5.340,- per maand bedroeg.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus wat haar behoefte is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.340,- gemiddeld € 774,- per maand uitgaven voor hun kind in 2024. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 862,- per maand.

De draagkracht van de ouders

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien (artikel 1:397 lid 2 BW).

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.

Bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.100,- per maand in 2026 maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.565,- per maand (de bijstandsnorm).

De draagkracht van de man

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 648,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dit bedrag is gekomen.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de door de man overgelegde salarisspecificatie over oktober 2025, waarop een belastbaar loon van € 3.758,- is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met een IKB van € 640,- per maand, een pensioenpremie van € 207,- per maand, een premie AOP van € 4,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 3.272,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 648,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 857,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Tussen partijen is de verdiencapaciteit van de vrouw in geschil. De vrouw werkte voorheen vier dagen (32 uur) per week en zal bij haar nieuwe werkgever drie dagen (24 uur) per week gaan werken. De man stelt dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij wederom 32 uur gaat werken. Hij stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van het besteedbare inkomen van de vrouw ten tijde van de samenleving van partijen, inclusief een fictieve loonstijging van 5,5%. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar verdiencapaciteit maximaal benut om in de behoefte van [minderjarige] te kunnen voorzien. Immers heeft zij een afgeronde hbo-opleiding en is er voldoende werkgelegenheid. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij geen andere baan kan vinden om zodoende meer bij te kunnen dragen in de kosten van [minderjarige] . De vrouw kan tenminste 32 uur per week werken, zoals zij hiervoor ook altijd heeft gedaan.

De vrouw voert aan dat er moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie en aldus van haar huidige inkomen. Met het hanteren van een fictief hoger inkomen moet terughoudend worden omgegaan omdat [minderjarige] daar de gevolgen van ondervindt.

De rechtbank stelt voorop dat de draagkracht van partijen niet alleen wordt bepaald door hun feitelijke inkomen, maar ook door het inkomen dat zij zouden kúnnen verdienen: de verdiencapaciteit. Naar het oordeel van de rechtbank dient er, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, voor de berekening van de draagkracht van de vrouw wel rekening te worden gehouden met een aanvullende verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. In het algemeen moet er terughoudend worden omgegaan met het aannemen van een ruime(re) verdiencapaciteit bij de verzorgende ouder. Slaagt deze ouder er namelijk niet in deze verdiencapaciteit te realiseren, dan wordt niet volledig in de behoefte van het kind/de kinderen voorzien. Dat staat op gespannen voet met het wettelijk uitgangspunt dat kinderen behoeftig zijn en dat hun ouders in hun behoefte moeten voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw redelijkerwijs in staat moet zijn om in ieder geval weer 32 uur per week te werken, zoals de vrouw tot aan de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst op 1 maart 2025 altijd heeft gedaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voor de vrouw noodzakelijk is om één dag minder per week te werken. Dit heeft de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd. Ook is niet gebleken dat de vrouw slechts 24 uur per week kan werken bij haar nieuwe werkgever. Gelet op de hierboven vastgestelde zorgregeling bestaat er ook om die reden geen aanleiding voor de vrouw om minder te werken. Immers zal [minderjarige] meer tijd bij de man doorbrengen dan voorheen het geval is geweest. Ook woont de vrouw met [minderjarige] in [plaats 1] waar haar sociale vangnet zich bevindt en staat [minderjarige] ingeschreven voor de [opvang] . Dit biedt de vrouw de gelegenheid om meer uren te werken. De vrouw heeft daarnaast een hbo-opleiding genoten, er is nog steeds voldoende werkgelegenheid en niet is gesteld of gebleken dat de vrouw lichamelijke of geestelijke beperkingen heeft die maken dat zij niet meer uren zou kunnen werken. Kortom, naar het oordeel van de rechtbank bestaat er aanleiding om een verdiencapaciteit aan de vrouw toe te kennen, namelijk dat zij in staat is om 32 uur per week te werken. Op de vrouw rust de verplichting – net als op de man – om zich in te spannen om te voorzien in de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank zal dan ook rekening houden met een aanvullende verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw.

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw rekenen met haar inkomen zoals zij dat bij haar nieuwe werkgever zal verdienen, omgerekend naar 32 uur per week. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij € 2.500,- bruto per maand zal verdienen op basis van 24 uur per week. Zij krijgt daarnaast 8% vakantietoeslag en 4% eindejaarsuitkering. De rechtbank acht het redelijk om bij het berekenen van haar verdiencapaciteit aan te sluiten bij haar huidige inkomen en dit inkomen vervolgens te extrapoleren van 24 naar 32 uur per week. Daarmee komt de rechtbank tot de volgende berekening.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van een belastbaar loon van € 3.333,- ((2500 / 24) x 32) bruto per maand. Verder wordt rekening gehouden met 8% vakantietoeslag, 4% eindejaarsuitkering, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank houdt geen rekening met de eventueel door de vrouw te betalen (pensioen) premie(s), nu het op de weg van de vrouw had gelegen om de rechtbank hierover tijdig te informeren en stukken ter onderbouwing in het geding te brengen.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 857,- per maand.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn/haar rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.505,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 862,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van € 371,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van € 491,- per maand.

De zorgkorting

De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van [minderjarige] (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van [minderjarige] of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.

[minderjarige] verblijft gemiddeld 2,5 dag per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van € 25% van de behoefte, dus € 215,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van € 156,- per maand moet betalen.

Conclusie

Nu de man zelf heeft verzocht om het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kinderalimentatie af te wijzen voor zover het een bedrag van € 181,- te boven gaat, zal de rechtbank bepalen dat de man € 181,- per maand aan de vrouw dient te voldoen in verband met de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Dit bedrag komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Alimentatie vooruitbetalen

De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Kinderbijslag

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat zij aanvrager wenst te worden van de kinderbijslag. Tot op heden ontvangt de man de kinderbijslag en hij weigert mee te werken aan een wijziging van de tenaamstelling.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd ermee akkoord te zijn dat – als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald – de vrouw de aanvrager wordt van de kinderbijslag.

Nu de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal bepalen, gaat de rechtbank ervan uit dat de man – die thans geregistreerd staat als aanvrager – zijn toezegging zal nakomen en aldus zijn medewerking zal verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dat komt er dan op neer dat de vrouw voortaan als aanvrager van de kinderbijslag geregistreerd staat bij de SVB. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.

Echtelijke (huur)woning

Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk hun verzoeken ten aanzien van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning over en weer ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dit punt niets meer te beslissen.

Afwikkeling huwelijksgoederengemeenschap

Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hen voorgestelde wijze.

Wettelijke beperkte gemeenschap

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat partijen zijn gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.

Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren op grond van artikel 1:94 lid 2 en lid 7 BW alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfrechtelijke verkrijgingen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.

Peildatum voor omvang en samenstelling

Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de wettelijke beperkte gemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. Het verzoekschrift is op 19 december 2024 ingediend, zodat in beginsel alle goederen die partijen op die datum (de zogenaamde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

Peildatum voor de waardering

De peildatum voor de waardering is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, dan wel een datum zo dicht mogelijk gelegen bij dat moment, te weten de datum van de beschikking. De banksaldi en schulden worden gewaardeerd tegen de datum waarop de wettelijke beperkte gemeenschap is ontbonden, te weten 19 december 2024.

Omvang van de gemeenschap

Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de gemeenschap van goederen moet voor de verdeling worden gekeken naar de goederen en de schulden die op 19 december 2024 aanwezig waren. Partijen zijn het erover eens dat enkel de bankrekeningen tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.

De bankrekeningen

Partijen hebben overeenstemming bereikt ten aanzien van de op hun eigen naam staande bankrekeningen. Zij zijn overeengekomen dat het saldo van de bankrekening op naam van de man met nummer [IBAN-nummer 3] aan hem wordt toebedeeld zonder nadere verrekening. Het saldo op de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [IBAN-nummer 1] wordt aan haar toebedeeld zonder nadere verrekening.

Ten aanzien van de gezamenlijke rekening met rekeningnummer [IBAN-nummer 4] zijn partijen het erover eens dat zij, ieder voor de helft, het negatieve saldo op de rekening aanzuiveren en daarna de rekening zullen opheffen.

Ten aanzien van de gezamenlijke rekening met nummer [IBAN-nummer 5] hebben partijen eveneens overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat het bedrag dat op de rekening is gespaard tot 5 december 2024 – zijnde de datum van de voorlopige voorzieningenbeschikking – aan partijen toekomt, ieder voor de helft. Het bedrag dat vanaf 5 december 2024 op de rekening is gespaard komt volledig toe aan de vrouw. Partijen zullen het saldo van de bankrekening als voormeld verdelen en daarna de rekening opheffen.

De schulden / regresvordering

Huurschuld

De vrouw stelt dat zij een regresvordering op de man heeft in verband met de ontstane huurschulden. Primair stelt de vrouw dat de man de gehele huurschuld aan haar terug dient te betalen omdat hij de schuld had kunnen voorkomen. De vrouw heeft de man tijdig gevraagd of hij zijn medewerking kon verlenen aan de opzegging van de huurovereenkomst, hetgeen hij heeft geweigerd. De man was er echter wel van op de hoogte dat de vrouw gelet op haar inkomen de huurlasten niet alleen kon dragen. Uiteindelijk is er door de handelswijze van de man een huurachterstand ontstaan en is de verhuurder een dagvaardingsprocedure gestart ten aanzien van de achterstallige huurpenningen. Om te voorkomen dat de procedure zou worden voortgezet, heeft de vrouw het door de verhuurder gevorderde bedrag voldaan. Vervolgens heeft de vrouw getracht om in onderling overleg met de man tot een regeling te komen voor de door haar voldane achterstallige huurbetalingen, hetgeen niet is gelukt. Had de man eerder zijn medewerking verleend aan het opzeggen van de huurovereenkomst dan waren deze kosten niet ontstaan. Subsidiair stelt de vrouw dat de schuld gedragen dient te worden door beide partijen bij helfte, zijnde een bedrag van € 2.910,69 per persoon.

De man betwist de regresvordering van de vrouw. De vrouw heeft de huurschuld zelf laten ontstaan. Het is de vrouw die het uitsluitend gebruik van de woning heeft verzocht en gekregen. Het is daarmee de verantwoordelijkheid van de vrouw om de huur te voldoen. De man heeft ook zelf kosten voor alternatieve woonruimte moeten maken. Indien de vrouw tijdig met de man had overlegd over het verlaten van de huurwoning en het opzeggen van de huurovereenkomst, dan waren deze kosten niet ontstaan. De gevolgen hiervan zijn niet aan de man toe te rekenen. De man heeft verder aangegeven de huurovereenkomst over te willen nemen maar dit was niet mogelijk door de voorlopige voorzieningenbeschikking. Het had op de weg van de vrouw gelegen om de verhuurder erop te attenderen dat zij geen aanspraak meer zou maken op het uitsluitend gebruik van de woning. De man betwist dat hij verplicht was zijn medewerking te verlenen aan het opzeggen van de huurovereenkomst, temeer nu hij niet wilde dat de vrouw [woonplaats] zou verlaten. Primair is dan ook de vrouw draagplichtig voor de huurschulden en incassokosten. Subsidiair stelt de man dat alle incassokosten voor rekening van de vrouw dienen te komen door haar nalatig handelen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat de huurschuld is ontstaan na de peildatum. De schuld valt daarom niet in de huwelijksgemeenschap en zal niet bij de verdeling worden betrokken. Wel zijn partijen jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen voortvloeiende uit deze huurovereenkomst. Dit betekent evenwel niet dat partijen in hun onderlinge verhouding ook ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.

De rechtbank overweegt dat de kosten van de huishouding, waaronder ook de betalingen van huur, tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op basis van artikel 1:84 BW ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten komen en voor zover dit ontoereikend is ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich ertegen verzetten. De door de vrouw betaalde huur, evenzogoed als de woonlasten van de man, komen zodoende tot aan het moment van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand in beginsel ten laste van het inkomen van beide partijen. Op de vrouw rusten in dit kader de stelplicht en bewijslast.

Bij beschikking van 5 december 2024 is het voorlopig uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegewezen. De vrouw heeft de woning per 1 maart 2025 verlaten. De huurschuld ziet op de periode vanaf maart 2025 tot en met juni 2025. Derhalve op de periode dat de vrouw niet langer de woning bewoonde.

De vrouw heeft op 17 januari 2025 voor het eerst de man aangeschreven met de mededeling dat zij naar alle waarschijnlijkheid financieel niet in staat zal zijn om de huurovereenkomst over te nemen (productie 33 van de vrouw). Zij vraagt of de man zijn medewerking wil verlenen aan het opzeggen van de huurovereenkomst. Dit heeft de man niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat dit op dat moment ook niet van de man kon worden verwacht gelet op het feit dat de vrouw nog niet wist of zij financieel instaat zou zijn om de huur voort te zetten, alsmede gelet op het feit dat de man wilde dat de vrouw en de minderjarige in de woning zouden blijven wonen. De vrouw heeft de man vervolgens op 7 februari 2025 op de hoogte gebracht van de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst en de man medegedeeld dat zij de huur van de woning niet langer kan betalen. Opnieuw heeft zij gevraagd of de man zijn medewerking wilde verlenen aan de beëindiging van de huurovereenkomst. De vrouw heeft daarbij eveneens aangegeven dat als de man de huurovereenkomst op zijn naam wil laten zetten, dit voor de vrouw akkoord is. De vrouw heeft daarbij verder aangekondigd vanaf 1 maart 2025 ergens anders te zullen verblijven. Op 28 maart 2025 heeft de vrouw haar verzoek nogmaals herhaald. De vrouw heeft een laatste rappel gestuurd op 18 april 2025.

Sinds 1 maart 2025 woont de vrouw niet langer in de woning. Had het aan de vrouw gelegen, dan had zij, naar het oordeel van de rechtbank, de huurovereenkomst (rekening houdende met een opzegtermijn van een maand en uitgaande van de datum van haar brief van 7 februari 2025) reeds vanaf 1 april 2025 beëindigd. Uit productie 14 van de man leidt de rechtbank af dat hij pas voor het eerst op 15 mei 2025 heeft geprobeerd de huurovereenkomst op zijn naam te laten zetten. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te laat. Hoewel de man uit het bericht van de vrouw van 17 januari 2025 nog kon afleiden dat er onzekerheid bestond over de vraag of de vrouw instaat was om de huur van de woning voort te zetten (dit los gezien van de vraag naar de juridische houdbaarheid van de stelling van de verhuurder), was dit vanaf 7 februari 2025 duidelijk voor de man. De vrouw had onvoldoende inkomen om de huurlasten te dragen, zij wilde de huurovereenkomst opzeggen dan wel de man instaat stellen de huurovereenkomst voort te zetten. Het had op de weg van de man gelegen om eerder actie te ondernemen. De vrouw heeft de man immers meermaals gewezen op haar financiële situatie en haar onvermogen om de huurlasten nog langer te voldoen. Om die reden dient de schuld naar het oordeel van de rechtbank vanaf 1 mei 2025 voor rekening van de man te komen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met een reactietermijn voor de man van een maand na de brief van de vrouw van 7 februari 2025, alsmede een opzegtermijn van een maand van de huurovereenkomst.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de incassokosten voor rekening van beide partijen – ieder voor de helft – komen, nu beide partijen debet zijn aan de ontstane huurschuld. Ten aanzien van de wettelijke rente ad € 29,95 heeft de vrouw onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen welk deel hiervan voor rekening van de man dient te komen.

Samenvattend zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw het bedrag van € 2.685,91 (€ 1.231,22 (huur mei) + 1.231,22 (huur juni) + 223,47 (de helft van de incassokosten van € 446,94) binnen één week na de datum van deze beschikking dient te voldoen.

Belastingen en teruggave

De man stelt dat hij een gecombineerde belastingaanslag van de [gemeente] heeft ontvangen van € 234,50 (over de periode januari 2025 tot en met juni 2025) en een nota van Waternet ter hoogte van € 366,70. Partijen hebben daarnaast een geldbedrag van € 334,94 teruggekregen van Vattenfall. De man stelt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden bij de [gemeente] en Waternet en dat zij de helft van de teruggave van Vattenfall aan de man dient te voldoen.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat zij akkoord gaat met het verrekenen van twee van de drie schulden, namelijk de aanslag van de gecombineerde gemeentebelastingen en de nota van Waternet. Wat betreft de teruggave van Vattenfall stelt de vrouw dat dit ziet op energielasten die de vrouw heeft betaald gedurende de periode dat zij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning had. De vrouw heeft toen te veel voorgeschoten waarna zij een teruggave heeft ontvangen. De vrouw voert aan dat dit bedrag niet in de verrekening dient te worden betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij akkoord gaat met het verrekenen van de gecombineerde aanslag van de [gemeente] en de nota van Waternet. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen bepalen dat de vrouw € 285,60 aan de man dient te voldoen. De rechtbank komt gelet op het volgende tot dit bedrag. In zijn verweerschrift van 1 december 2025 heeft de man gesteld dat hij aan de gemeente in verband met de gecombineerde aanslag een bedrag van € 234,50 moet betalen. Daarnaast heeft de man gesteld dat hij € 366,70 heeft voldaan aan Waternet. Uit de door de man overgelegde productie 15 leidt de rechtbank echter af dat de man een bedrag van € 336,70 heeft voldaan aan Waternet. Beide bedragen bij elkaar opgeteld, gedeeld door twee, resteert er een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 234,50.

Ten aanzien van de teruggave van Vattenfall overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling geen verificatoire bescheiden in het geding gebracht waaruit volgt welk bedrag als teruggave door de vrouw zou zijn ontvangen van Vattenfall en op welke periode deze teruggave ziet. De rechtbank acht het verzoek van de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/761411 / FA RK 24-8799

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Weesp op 7 december 2023;

verleent aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] en zich aldaar in te schrijven op het adres [adres 2] ( [postcode 2] );

bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;

bepaalt dat, met ingang van de datum van deze beschikking, [minderjarige] de ene week van woensdag 08:30 uur tot en met vrijdag 19:00 uur bij de man zal verblijven, en dat zij de andere week van vrijdag 08:30 uur tot en met zondag 19:00 uur bij de man zal verblijven. De zorgregeling vangt telkens aan om 08:30 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] en eindigt om 19:00 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] ;

bepaalt dat met ingang van de datum van deze beschikking de zomervakantie (volgens de vakantie van Regio Midden) overeenkomstig een 1-2-2-1 schema wordt verdeeld. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week van de zomervakantie bij de vrouw, de tweede en derde week bij de man, de vierde en vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man. In de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste week van de zomervakantie bij de man, de tweede en derde week bij de vrouw, de vierde en vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw. De vakantieregeling vangt telkens aan om 09:00 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] en eindigt om 19:00 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] ;

bepaalt dat met ingang van de datum van deze beschikking de hierna te noemen feestdagen als volgt zullen worden verdeeld:

Pasen: Eerste Paasdag bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur, Tweede Paasdag bij de man van 09:00 uur tot de volgende ochtend 08:30 uur;

Hemelvaartsdag: reguliere zorgregeling;

Pinksteren: Eerste Pinksterdag bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur, Tweede Pinksterdag bij de man van 09:00 uur tot de volgende ochtend 08:30 uur;

Koningsdag: reguliere zorgregeling;

Sinterklaas: reguliere zorgregeling;

Kerst: Eerste Kerstdag bij de vrouw 09:00 uur tot Tweede Kerstdag 09:00 uur en vanaf Tweede Kerstdag bij de man vanaf 09:00 uur tot de volgende ochtend 09:00 uur;’

Oud en Nieuw: reguliere zorgregeling;

Vaderdag: bij de man van 09:00 uur tot 19:00 uur;

Moederdag: bij de vrouw van 09:00 uur tot 19:00 uur;

Verjaardag van [minderjarige] : in de oneven jaren bij de vrouw van 09:00 tot 19:00 uur en in de even jaren bij de man van 09:00 tot 19:00 uur;

Verjaardag van de man: reguliere zorgregeling;

Verjaardag van de vrouw: reguliere zorgregeling;

Verjaardag opa/oma: reguliere zorgregeling;

De feestdagenregeling vangt telkens aan om 09:00 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] . Voor Vaderdag, Moederdag en de verjaardag van [minderjarige] geldt dat de feestdagenregeling eindigt om 19:00 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] . Voor Pasen, Pinksteren en Kerst geldt dat de feestdagenregeling eindigt om 08:30 uur bij de overdrachtslocatie [restaurant] te [plaats 2] .

bepaalt dat de overdracht van [minderjarige] zal plaatsvinden bij [restaurant] , gelegen aan de [adres 3] te ( [postcode 3] ) [plaats 2] ;

bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 181,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

bepaalt dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de aanvrager wordt van de kinderbijslag en dat de man zijn medewerking zal verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling bij de SVB;

verklaart de beslissing onder punt 5.2 tot en met 5.9 uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/773637 / FA RK 25-5892

bepaalt dat aan de vrouw wordt toebedeeld:

- de op haar naam staande bankrekening met nummer [IBAN-nummer 1] met bijbehorend saldo, zonder nadere verrekening man de man;

bepaalt dat aan de man wordt toebedeeld:

- de op zijn naam staande bankrekening met nummer [IBAN-nummer 3] met bijbehorend saldo, zonder nadere verrekening met de vrouw;

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat hun gezamenlijke rekening met nummer [IBAN-nummer 4] zullen opheffen en het negatieve saldo bij helfte zullen aanzuiveren;

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat zij hun gezamenlijke rekening met nummer [IBAN-nummer 5] zullen opheffen en dat het saldo van de rekening tot aan 5 december 2024 tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en het saldo dat is ontstaan vanaf 5 december 2024 aan de vrouw wordt toebedeeld;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 2.685,91 dient te voldoen binnen één week na de datum van deze beschikking;

bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 285,60 dient te voldoen binnen één week na de datum van deze beschikking;

verklaart de beslissing onder punt 5.13 tot en met 5.18 uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Mellema, voorzitter tevens kinderrechter, mr. L. van der Heijden en mr. M.R. Kremer, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 20 januari 2026.

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Behoefte

Tarieven

2024-2

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

40.424

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

40.424

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

40.424

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

40.424

- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)

14.084

- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517

860

95

Inkomensheffing box 1

14.944

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

40.424

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.944

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

7.829

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

7.115

Inkomen na aftrek inkomensheffing

33.309

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.327

jaar

Arbeidskorting

5.502

jaar

Totale inkomsten

33.309

120

Besteedbaar inkomen

33.309

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

33.309

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.776

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Behoefte

Tarieven

2024-2

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

31.123

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

31.123

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

31.123

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

31.123

- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)

11.506

95

Inkomensheffing box 1

11.506

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

31.123

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

11.506

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

11.127

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

379

Inkomen na aftrek inkomensheffing

30.744

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.944

jaar

Arbeidskorting

5.314

jaar

Combinatiekorting

2.869

jaar

Totale inkomsten

30.744

120

Besteedbaar inkomen

30.744

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

30.744

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.562

NBGI voor scheiding

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

NBI voor scheiding Alimentatieplichtige

2.776

NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde

2.562

Bij: Kindgebonden budget voor scheiding

2

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

5.340

Eigen aandeel kosten kinderen

Eigen aandeel kosten kinderen

Ouders hebben in gezinsverband geleefd

ja

NBGI voor scheiding

5.340

Tabel aantal kinderen

1

Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel

774

#

Indexeren

ja

Startjaar

2024

Eindjaar

2026

Eigen aandeel ouders geïndexeerd

862

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2026-1

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

45.096

49c

Individueel keuze budget (IKB/PKB)

7.680

Bruto inkomsten

52.776

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

2.484

53

Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat

-

48

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

50.244

59

Inkomsten

50.244

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

50.244

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

50.244

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

4.267

95

Inkomensheffing box 1

18.167

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

50.244

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

18.167

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

7.186

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

10.981

Inkomen na aftrek inkomensheffing

39.263

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

1.803

jaar

Arbeidskorting

5.383

jaar

120

Besteedbaar inkomen

39.263

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

39.263

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.272

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.272

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

982

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.347

136a

Draagkrachtruimte

925

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

648

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

648

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2026-1

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

39.996

44

Vakantietoeslag

4.800

Bruto inkomsten

44.796

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

44.796

59

Inkomsten

44.796

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

44.796

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

44.796

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

2.221

95

Inkomensheffing box 1

16.121

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

44.796

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

16.121

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

10.854

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

5.267

Inkomen na aftrek inkomensheffing

39.529

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.152

jaar

Arbeidskorting

5.670

jaar

Combinatiekorting

3.032

jaar

Bij: Kindgebonden budget

4.852

120

Besteedbaar inkomen

44.381

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

44.381

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.698

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.698

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

1.109

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.474

136a

Draagkrachtruimte

1.224

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

857

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

857

Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Tarieven

2026-1

Alimentatieplichtige

Alimentatiegerechtigde

Kindgebonden budget na scheiding

0

174

Alleenstaande ouderkop

0

230

Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)

3.272

3.698

Aantal kinderen

1

Kind 1

Leeftijd

2

Woont bij

AP

0

AG

1

Ex-partner

0

Zorgkorting Alimentatiegerechtigde

%

0

Zorgkorting Alimentatieplichtige

%

25

Zorgkorting tbv.

AP

Kind 1

Totaal

Bijdrage ouders in kosten kinderen

€ p/m

862

862

Netto kinderopvangkosten na scheiding

€ p/m

0

0

Overige kosten kinderen na scheiding

€ p/m

0

0

Totale kosten kinderen na scheiding

€ p/m

862

862

Zorgkorting

€ p/m

215

215

Draagkracht

Alimentatieplichtige

Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte

€ p/m

648

648

Draagkracht Alimentatieplichtige per kind

€ p/m

648

648

Draagkracht Alimentatieplichtige

€ p/m

648

648

Alimentatiegerechtigde

Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte

€ p/m

857

857

Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind

€ p/m

857

857

Draagkracht Alimentatiegerechtigde

€ p/m

857

857

Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind

€ p/m

1.505

1.505

Bijdrage kosten kinderen

Aandeel Alimentatieplichtige

€ p/m

371

371

Af: zorgkorting

€ p/m

- 215

- 215

Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting

€ p/m

156

156

Aandeel Alimentatiegerechtigde

€ p/m

491

491

Af: zorgkorting

€ p/m

- 0

- 0

Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting

€ p/m

491

491

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?