1.Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Casteleijns, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/043420-26).
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij zich op 5 februari 2026 schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1
het medeplegen van diefstal van een of meer katalysatoren door middel van braak en/of verbreking te Amstelveen;
Feit 2
primair: het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te Utrecht;
subsidiair: het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te Utrecht;
meer subsidiair: het medeplegen van het bedreigen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te Utrecht;
Feit 3
primair: het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , en/of een of meer (onbekend gebleven) andere weggebruikers te Utrecht;
subsidiair: het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , en/of een of meer (onbekend gebleven) andere weggebruikers te Utrecht;
meer subsidiair: het medeplegen van zich als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, te Utrecht;
Feit 4
het medeplegen van zich opzettelijk zodanig gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was te Amstelveen, Krommenie en/of Utrecht;
Feit 5
het medeplegen van het verlaten van een plaats ongeval te Utrecht.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 en 3 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde bewezen, omdat beide verdachten voorwaardelijk opzet op de dood van de verbalisanten hebben gehad door zowel op de verbalisanten in te rijden als door het sprayen met de brandblusser en het gooien van deze brandblusser richting de verbalisanten.
Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot feit 2 tot en met 5 sprake is van medeplegen. Daarbij acht zij het niet noodzakelijk om vast te stellen wie van de verdachten de bestuurder is geweest, omdat beide verdachten een actieve en wezenlijke bijdrage aan de feiten hebben geleverd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van de feiten 2 t/m 5, primair omdat het bewijs tegen verdachte onrechtmatig is verkregen en daarom van het bewijs moet worden uitgesloten. Er is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering nu het politieoptreden, gelet op de ernst van de verdenking, disproportioneel was. Het inzetten en voortzetten van een achtervolging zoals hier aan de orde heeft aanzienlijke risico’s voor derden met zich gebracht en is slechts in uiterste en noodzakelijke gevallen gerechtvaardigd. Zonder deze disproportionele achtervolging zou verdachte niet zijn aangehouden, zouden de feiten zich niet op deze wijze hebben voorgedaan en zou het bewijs niet op dezelfde manier zijn verkregen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de auto heeft bestuurd of als bijrijder heeft opgetreden.
Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van feit 2 wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Voor feit 3 geldt hetzelfde verzoek, omdat de verbalisanten op aanzienlijke afstand reden en er diverse onduidelijkheden bestaan.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Diefstal van de katalysatoren
Op 5 februari 2026 omstreeks 20.45 uur ontvangt de politie een melding van een getuige die op de Pauwentuin in Amstelveen twee mannen met bivakmutsen uit een witte auto met kenteken [kenteken] ziet stappen. De getuige ziet dat de mannen een krik onder een grijze Toyota Prius plaatsen en onder de auto aan het rommelen zijn.
In de periode van 5 februari 2026 tot en met 9 februari 2026 hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] aangifte gedaan van diefstal van de katalysator van onder hun auto. Deze diefstallen hebben allemaal plaatsgevonden in Amstelveen, namelijk aan de Pauwentuin, de Borssenburg en de Parelvisserslaan.
Op camerabeelden van de Borssenburg is te zien dat op 5 februari 2026 rond 20.34 uur een witte auto stopt bij de auto van aangever [naam 3] , waarna de auto van aangever zichtbaar omhoog komt terwijl de witte auto daar geparkeerd staat.
Vlucht
Op 5 februari 2026, omstreeks 21.24 uur, zien verbalisanten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een witte BMW met het door de getuige genoemde kenteken [kenteken] rijden in Amsterdam. Zij zetten de achtervolging in en rijden vervolgens op de A2 met snelheden tot ongeveer 250 kilometer per uur achter de auto aan. Tijdens deze achtervolging wordt vanuit de auto een brandblusser leeggespoten, waardoor het zicht van de verbalisanten die achter de auto rijden hen kortstondig ontnomen wordt. De brandblusser wordt vervolgens uit het raam gegooid en later aangetroffen op de middenberm van de snelweg.
In de Leidsche Rijntunnel nemen de verbalisanten vervolgens waar dat de auto met een snelheid van meer dan 250 kilometer per uur over de vluchtstrook rijdt en meerdere weggebruikers rechts inhaalt. Daarna rijdt de auto tegen het verkeer in op de C.H. Letschertweg in De Meern.
Vervolgens arriveert de auto op Hooggelegen aan de Dominee Martin Luther Kinglaan in Utrecht. Daar staan op alle vier de rijstroken auto’s stil voor een rood verkeerslicht. De verbalisanten zien dat de BMW zich tussen twee auto’s door forceert en daarbij schade veroorzaakt aan beide auto’s. Vervolgens rijdt de auto door zonder te stoppen. De inzittenden van beide auto’s, [naam 4] en [naam 5] , hebben aangifte gedaan van de schade die hun auto’s hebben opgelopen.
Omstreeks 21.39 uur rijden verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] over de Sophialaan in Utrecht, wanneer zij de witte BMW vanaf de rechterzijde zien naderen. Zij rijden op dat moment ongeveer 80 kilometer per uur. Op basis van de helikopterbeelden stelt de rechtbank vast dat de BMW een krappe bocht naar links neemt, korte tijd op de verkeerde weghelft blijft rijden en zonder te remmen met aanzienlijke snelheid recht op de auto met daarin de verbalisanten afrijdt. Beide auto’s wijken vervolgens uit om een aanrijding te voorkomen. De BMW passeert de auto van de verbalisanten op korte afstand en vervolgt zijn weg over het kruispunt van de Plutoniumweg en de Atoomweg, waar de verkeerslichten op rood staan. De BMW voert op dat moment geen verlichting.
Via de politiehelikopter is te horen dat de auto via de N219 in de richting van de A20 rijdt. Kort daarna wordt doorgegeven dat deze meerdere rotondes neemt met snelheden van meer dan 200 kilometer per uur. Omstreeks 22.00 uur zien verbalisanten op de A16 ter hoogte van Dordrecht de BMW weer rijden. Vanuit de politiehelikopter wordt doorgegeven dat de autoop dat moment ongeveer 240 kilometer per uur rijdt. De auto rijdt vervolgens richting Breda.
Crash
Omstreeks 22.20 uur crasht de BMW in België, nadat deze via de afrit Meer de E19 heeft verlaten. Aan het einde van de afrit schiet de auto met zeer hoge snelheid over de middenberm, waarna deze uiteindelijk achter de rechtergeleiderail tot stilstand komt in een greppel. Na het ongeval worden zowel verdachte [medeverdachte] als medeverdachte [verdachte] aangehouden. [verdachte] wordt aangetroffen in de gecrashte BMW. Hij staat rechtop in de auto, met zijn voeten op het rechterportier en zijn bovenlichaam en hoofd door het raam van het linkerportier. [medeverdachte] wordt naast de auto aangetroffen. Op de helikopterbeelden is te zien dat na de crash één persoon op de grond ligt en dat verder niemand bij het voertuig is weggerend.
Sporenonderzoek
De desbetreffende BMW is onderzocht. Het blijkt een Engels voertuig te zijn, wat betekent dat het stuur van de auto zich aan de rechterzijde bevindt. In de auto worden onder meer vijf katalysatoren, een accu en diverse gereedschappen waaronder een krik en boormachines en bivakmutsen aangetroffen. Ook heeft er forensisch onderzoek aan de auto plaatsgevonden. Aan de airbag aan de rechterzijde van de auto is een DNA-match vastgesteld met minimaal twee personen, waarbij met de medeverdachte [verdachte] met een hoge bewijskracht (meer dan 1 miljard) en een onbekend gebleven persoon. Ook op de airbag in het stuur wordt een DNA-spoor aangetroffen dat matcht met de medeverdachte [verdachte] , maar bevat daarnaast ook DNA dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte] en opnieuw een onbekend gebleven persoon. Het DNA aan de linkerzijde van het voertuig kan van beide verdachten afkomstig zijn, evenals het DNA op het dashboard.
Analyse telefoon [medeverdachte]
Daarnaast is de telefoon van [medeverdachte] uitgelezen. Uit dit onderzoek blijkt dat zijn telefoon in de avond van 5 februari 2026 de zendmasten heeft aangestraald op de Pauwentuin, nabij de Borssenburg en de Parelvisserslaan in Amstelveen. Ook is op 5 februari 2026 om 22:01 uur met deze telefoon via Google gezocht naar de zoekterm: ‘how long can a police helicopter last with fuel in Holland’.
Vormverzuim ex art. 359a Sv
Het verweer van de raadsman, dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv nu de achtervolging door de politie als disproportioneel heeft te gelden, wordt door de rechtbank verworpen.
De politie heeft onder andere als taak de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, waartoe ook de opsporing van strafbare feiten en het aanhouden van verdachten behoort. In dit geval hebben zij die taak naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de geldende rechtsregels uitgevoerd binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De politie heeft tijdens de achtervolging ondersteunende middelen ingezet, zoals een helikopter en meerdere eenheden, ter observatie en begeleiding bij en bespoediging van de aanhouding. Dat de achtervolging heeft geleid tot gevaarlijke situaties en mogelijk tot een dodelijke afloop had kunnen leiden, is uitsluitend aan het strafbare gedrag van verdachte te wijten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Aantal personen in de auto
Ter onderbouwing van het verweer dat verdachte als pleger noch als medepleger kan worden aangemerkt, heeft de verdediging onder andere ook naar voren gebracht dat niet uit te sluiten valt dat er een derde persoon aanwezig is geweest in de auto.
De rechtbank stelt op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] de enige personen in de auto waren en overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier volgt dat in ieder geval [verdachte] en [medeverdachte] in de auto hebben gezeten, gelet op de aanhoudingen van verdachten in en nabij het voertuig en de DNA-match met beide verdachten. Ook volgt uit het dossier dat zij gedurende alle tenlastegelegde gebeurtenissen onafgebroken samen zijn geweest in één voertuig. De rechtbank ziet in de verklaring van de getuige van de diefstal die spreekt over twee mannen een bevestiging voor het feit dat zij met z’n tweeën waren. Het dossier geeft ook geen aanleiding om aan te nemen dat een derde persoon bij de feiten betrokken is geweest. Zo is er geen derde persoon nabij het gecrashte voertuig aangetroffen en volgt er uit de helikopterbeelden dat geen derde persoon bij de auto is weggerend. Het aantreffen van DNA-sporen van een onbekend persoon in het voertuig maakt deze conclusie niet anders. De rechtbank stelt dan ook vast dat uitsluitend [verdachte] en [verdachte] in de witte BMW hebben gezeten vanaf het moment voorafgaand aan de diefstal van de katalysatoren tot en met de crash en daarmee dat zij bij de feiten betrokken zijn geweest.
Medeplegen ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt vast dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich op 5 februari 2026 in Amstelveen schuldig heeft gemaakt aan drie tenlastegelegde diefstallen. [verdachte] wordt immers na een lange dollemansrit door Nederland over de grens van België aangetroffen in de auto die in verband kan worden gebracht met de diefstallen op de Pauwentuin en de Borssenburg, terwijl medeverdachte [medeverdachte] op basis van zijn telefoongegevens op alle drie de plaatsen delict kan worden geplaatst. Na de crash zijn, naast medeverdachte [medeverdachte] , geen andere personen in of bij de auto aangetroffen en is evenmin waargenomen dat andere personen zijn weggerend. Dit sluit aan bij de eerdere waarneming van de getuige, inhoudende dat slechts twee mannen met bivakmutsen bij het voertuig aan het rommelen waren met een krik. Daarnaast is het DNA van [verdachte] in de auto aangetroffen. In de auto zijn ook meerdere katalysatoren, bivakmutsen en gereedschappen aangetroffen die passen bij de door de getuige geschetste werkwijze van de diefstallen. Bij deze stand van zaken mag van [verdachte] een aannemelijke verklaring worden verwacht die de redengevendheid van deze bezwarende omstandigheden ontzenuwt. Bij uitblijven van een dergelijke verklaring, komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] één van de twee personen met een bivakmuts was en dat hij samen met [medeverdachte] betrokken was bij de diefstallen. Verdachte heeft met behulp van diverse gereedschappen de katalysator onder auto’s vandaan gestolen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het medeplegen worden bewezen, nu beide verdachten samen op pad zijn gegaan om diefstallen te plegen, deze ook gezamenlijk hebben uitgevoerd en ook tezamen zijn gevlucht. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee daders, die vereist is om tot een bewezenverklaring te komen voor medeplegen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in vereniging de katalysatoren heeft weggenomen, waarbij verdachten de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Medeplegen ten aanzien van feiten 2 t/m 5
De rechtbank acht ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten medeplegen bewezen en overweegt daartoe het volgende.
[medeverdachte] en [verdachte] zijn in het voertuig gestapt met het doel diefstallen te plegen en hebben de plaatsen delict van de diefstallen verlaten en zijn vervolgens over een aanzienlijke afstand op de vlucht geslagen voor de politie. Om deze vlucht mogelijk te maken is het voertuig gedurende langere tijd op gevaarlijke wijze bestuurd. Dit gevaar bestond onder meer uit het rijden met zeer hoge snelheden, het negeren van rode verkeerslichten, spookrijden, het veroorzaken van ongevallen en het met aanzienlijke snelheid naderen van de auto met daarin verbalisanten.
Uit de gedragingen van de bijrijder blijkt dat hij er kennelijk ook alles aan heeft gedaan om koste wat kost aan de politie te ontkomen. Teneinde dit doel te bereiken heeft hij een wezenlijke en actieve bijdrage geleverd aan het gevaarlijke rijgedrag van de bestuurder. Zo heeft hij onder meer een brandblusser leeggespoten en deze vervolgens uit de auto gegooid terwijl op dat moment met zeer hoge snelheden werd gereden, waardoor het zicht van de achtervolgende verbalisanten enige tijd werd belemmerd. Ook acht de rechtbank van belang de zoekterm op de telefoon van [medeverdachte] tijdens de achtervolging: ‘how long can a police helicopter last with fuel in Holland’. Gelet op de hoge snelheid waarmee werd gereden, acht de rechtbank het onaannemelijk dat deze handeling op de telefoon door de bestuurder is verricht. De rechtbank begrijpt die zoekterm zo, tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden, dat verdachten wilden inschatten hoe lang de achtervolging nog zou kunnen duren.
Daarmee is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking die zich uitstrekt over de feiten 2 t/m 5. De gedragingen van beide verdachten hebben elkaar over en weer versterkt en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
Dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie van beiden het voertuig heeft bestuurd, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op de actieve bijdrage van voldoende gewicht van beiden aan zowel de diefstallen als de daaropvolgende gedragingen tijdens de vlucht, is de exacte rolverdeling niet van doorslaggevend belang voor de bewezenverklaring van medeplegen. Beiden wilden - en hadden er belang bij te - ontkomen aan hun aanhouding.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het met hoge snelheid in de richting van verbalisanten rijden zonder te remmen, moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling of als bedreiging. Dat verdachten daadwerkelijk het plan hadden opgevat om de verbalisanten te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen blijkt niet uit de bewijsmiddelen, zodat de rechtbank vervolgens moet beoordelen of er dan sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Poging tot doodslag?
Het inrijden met een personenauto op een andere personenauto kán dodelijk letsel tot gevolg hebben, maar dit hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden afgeleid dat door de gedraging van verdachten in dit geval een aanmerkelijke kans heeft bestaan op het intreden van de dood van de agenten. Weliswaar was deze kans niet uitgesloten, maar het dossier en dat wat ter zitting is besproken bieden onvoldoende aanknopingspunten om deze kans als aanmerkelijk te bestempelen. Daarbij is van belang dat niet kan worden vastgesteld dat verdachten op het moment dat zij in de richting van de verbalisanten reden met een zeer hoge snelheid hebben gereden. Hoewel de verbalisanten in hun processen-verbaal melding maken van snelheden van ongeveer 80 kilometer per uur, ondersteunen de helikopterbeelden de door de verbalisanten genoemde snelheid niet zonder meer. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de verbalisanten zich in een rijdende auto bevonden en dat het voor hen daarom moeilijk was de snelheid van het naderende voertuig nauwkeurig vast te stellen.
De rechtbank zal de verdachten daarom vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling?
De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van verdachten, naar algemene ervaringsregels, wel een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de agenten met zich meebracht. Hoewel op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld hoe hard de verdachten hebben gereden, staat wel vast dat sprake was van een aanzienlijke snelheid. Zij probeerden immers al langere tijd te ontkomen aan de politie. Door onder die omstandigheden met aanzienlijke snelheid een scherpe bocht te nemen en daarbij op de weghelft van de snel tegemoetkomende verbalisanten terecht te komen, zonder te remmen, bestond een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de verbalisanten, die verdachten - gelet op de achtervolging - ook daar hadden kunnen verwachten tegemoet te komen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uitwijkmanoeuvres van beide auto’s onvermijdelijk waren om een botsing te voorkomen.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachten deze kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard en op de koop toe hebben genomen. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en neemt daarbij in aanmerking dat verdachten al een tijdje koste wat het kost (door het spuiten en gooien met een brandblusser, door met hoge snelheid over de vluchtstrook rechts in te halen en door tussen stilstaande auto’s door, door rood te rijden) op de vlucht waren voor de politie en de gedragingen dan ook in dat licht moeten worden beschouwd.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachten tezamen en in vereniging hebben geprobeerd de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het leegspuiten van de brandblusser en het vervolgens op de weg gooien daarvan, kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling of een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verdachten daadwerkelijk het plan hadden opgevat om de verbalisanten te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen blijkt niet uit de bewijsmiddelen zodat de rechtbank vervolgens moet beoordelen of er dan sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Poging tot doodslag of zware mishandeling?
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden afgeleid dat door de gedraging van verdachten in dit geval een aanmerkelijke kans heeft bestaan op de dood of op zwaar lichamelijk letsel bij verbalisanten of andere weggebruikers. Weliswaar was deze kans niet uitgesloten, maar het dossier en wat ter zitting is besproken bieden onvoldoende aanknopingspunten om deze kans als aanmerkelijk te bestempelen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om het kortstondig ontnemen van het zicht van de verbalisanten tijdens een achtervolging, zonder dat concrete aanwijzingen bestaan voor een direct dreigende aanrijding of verlies van controle over het voertuig. Dat enkele gegeven is onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel. Ook geeft het dossier geen blijk van het ontnemen van het zicht voor andere weggebruikers.
Ten aanzien van het gooien van de brandblusser overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld wat de positie van de verbalisanten en andere verkeersdeelnemers in de omgeving was op het moment van de gedraging. Daarbij is geverbaliseerd dat er een voorwerp uit het raam werd gegooid en de dat die de middenberm van de A2 invloog terwijl daar later een brandblusser is aangetroffen, gelet daarop is onduidelijk of en zo ja waar de brandblusser op de rijbaan zou zijn terechtgekomen. Ook het gooien met een voorwerp/brandblusser is daarom onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel voor de verbalisanten en andere weggebruikers.
Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994?
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachten door de vastgestelde gedragingen gevaar en hinder op de weg hebben veroorzaakt. Door tijdens het rijden op de snelweg met een zeer hoge snelheid, een brandblusser leeg te spuiten terwijl de verbalisanten achter hen reden en hun zicht daardoor kortstondig werd belemmerd en vervolgens deze brandblusser uit het voertuig op de rijbaan te gooien, hebben verdachten zich op een verwijtbare en onaanvaardbaar gevaarzettende wijze in het verkeer gedragen. Dit geldt temeer nu deze gedragingen plaatsvonden in aanwezigheid van ander verkeer. Met hun handelen hebben verdachten derhalve gevaar op de weg veroorzaakt.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachten zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachten een overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. De rechtbank moet in dat verband beoordelen of verdachten (a) de verkeersregels hebben geschonden, (b) of zij dat in ernstige mate hebben gedaan, (c) of zij dat opzettelijk hebben gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. De verkeersregels en de schending daarvan
De rechtbank stelt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden vast dat verdachten de tenlastegelegde gedragingen hebben verricht en aldus de tenlastegelegde verkeersregels hebben geschonden.
b. In ernstige mate
Artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels.
Het samenstel van gedragingen van verdachten, bestaande uit het rijden met zeer hoge snelheid, rechts inhalen, rijden op de vluchtstrook, door rood licht rijden, spookrijden, rijden zonder verlichting en het verliezen van de macht over het stuur, rechtvaardigt de conclusie dat verdachten meerdere verkeersregels hebben overtreden en deze regels aldus in ernstige mate hebben geschonden.
c. Opzettelijk
Verder is vereist dat de verkeersregels opzettelijk zijn overtreden en tevens dat sprake is van opzet om deze verkeersregels in ernstige mate te schenden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachten gedurende de gehele rit vanuit Amstelveen tot voorbij Breda, eindigend met een crash in België, op de vlucht waren voor de politie en dat hun rijgedrag in dat licht moet worden bezien.
De rechtbank leidt uit het samenstel van de tenlastegelegde gedragingen, zoals het rijden met zeer hoge snelheid en het negeren van rood licht, af dat deze niet los kunnen worden gezien van de vlucht voor de politie en het doel om aan aanhouding te ontkomen. Verdachten hebben daarbij bewust gekozen voor een rijstijl waarbij verkeersregels op grote schaal en gedurende langere tijd zijn genegeerd en hebben daarmee opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
d. Gevaar te duchten
Een en ander leidt enkel tot strafbaarheid indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is te duchten en dit (levens)gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
De rechtbank stelt vast dat verdachten zich gedurende hun vluchtpoging voor de politie over een zeer lange afstand op gevaarlijke wijze in het verkeer hebben begeven. Zo hebben verdachten zonder verlichting gereden en op de A2 een snelheid van circa 250 kilometer per uur aangehouden. Vervolgens zijn zij in de Leidsche Rijntunnel op de vluchtstrook gaan rijden en hebben zij daarbij meerdere weggebruikers rechts ingehaald. Op het kruispunt van de Plutoniumweg met de Atoomweg evenals op het kruispunt Hooggelegen zijn rode verkeerslichten genegeerd en op de C.H. Letschertweg is bovendien op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer gereden. Daarnaast hebben zij op de N219 richting de A20 meerdere rotondes met zeer hoge snelheid genomen en op de A16 richting Breda circa 240 kilometer per uur gereden. Uiteindelijk hebben verdachten op de E19 in België de afslag bij Meer genomen, waarna zij over de middenberm zijn gereden en de macht over het stuur zijn verloren.
Deze gedragingen hebben zich afgespeeld in situaties waarin zich andere verkeersdeelnemers bevonden, althans konden bevinden, terwijl verdachten steeds met zeer hoge snelheid hebben gereden. Naar algemene ervaringsregels is het voorzienbaar dat in een dergelijk samenstel van gedragingen een aanrijding met andere weggebruikers kan ontstaan, waarbij levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gevolgen van een botsing bij deze snelheden en in deze verkeerssituaties zeer ernstig kunnen zijn en dat andere weggebruikers slechts door uitwijken of toeval aan een aanrijding zijn ontkomen.
De rechtbank acht daarom bewezen dat door deze verkeersgedragingen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor meerdere anderen te duchten was.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat verdachten zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van feit 5
Uit de waarnemingen van de verbalisanten en de aangiftes van de inzittenden volgt dat verdachten een verkeersongeval hebben veroorzaakt door tegen twee auto’s te botsen terwijl deze stonden te wachten voor een rood verkeerslicht. Vervolgens zijn zij doorgereden. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt dat hun auto’s behoorlijk zijn geramd en veel schade hebben opgelopen. Gelet op deze stand van zaken, kan het niet anders dan dat verdachten zich bewust zijn geweest van het verkeersongeval.
Geen van de verdachten heeft hierbij zijn persoonsgegevens kenbaar gemaakt terwijl zij wisten dat aan de auto van de slachtoffers schade was toegebracht. In het licht van al het voorgaande maakt het naar het oordeel van de rechtbank niet uit wie de bestuurder was en zijn alle inzittenden als betrokkenen aan te merken in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachten zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 5 februari 2026 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, katalysatoren, in elk geval enig goed, die aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
2
op 5 februari 2026 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met hoge snelheid heeft gereden in een personenauto, in de richting van de personenauto waarin voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich bevonden, en waarbij hij niet heeft geremd toen zijn voertuig het voertuig van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naderde, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
op 5 februari 2026 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A2, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd bestaande dat gedrag hieruit: verdachte en zijn mededader hebben met zeer hoge snelheid in een personenauto op de A2 gereden, terwijl voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op diezelfde weg achter hen reden, verdachte en zijn mededader heeft vervolgens brandblusschuim uit het raam van de auto gespoten, waardoor het zicht voor de andere weggebruikers vertroebeld werd, en een brandblusser uit het raam van de personenauto geworpen;
4
op 5 februari 2026 te Amstelveen en Utrecht, in elk geval in Nederland, en België, tezamen en in vereniging met een ander, rijdende op de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- terwijl hij geen verlichting voerde,
- op de A2 heeft gereden met een snelheid van 250 km/uur, in elk geval met een snelheid die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse,
- in de Leidsche Rijntunnel op de vluchtstrook te rijden en hierbij meerdere weggebruikers rechts in te halen,
- op het kruispunt van de Plutoniumweg met de Atoomweg het kruispunt over te steken terwijl het voor hem geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde,
- op de CH Letchertweg op de weghelft voor tegengesteld verkeer te rijden,
- op het kruispunt Hooggelegen te Utrecht, op de Dominee Marthin Luther Kinglaan, tussen twee personenauto's die stil stonden voor het rode verkeerslicht door te rijden, en vervolgens,
- op de N219 richting de A20 heeft gereden en meerdere rotondes heeft bereden met een snelheid van meer dan 200 km/uur,
- de A16 richting Breda te berijden met een snelheid van 240 km/uur,
- de afslag bij Meer op de E19 in België te nemen en vervolgens over de middenberm te rijden en de macht over het stuur te verliezen,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor meerdere anderen te duchten was;
5
hij, tezamen en in vereniging met een ander, als degene door wiens (mededader) een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij en zijn mededader al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Utrecht aan de Dominee Martin Luther Kinglaan op 5 februari 2026, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander (te weten [naam 4] en [naam 5] ) schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van het feit
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van 18 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in eerste instantie samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de diefstal van meerdere katalysatoren vanuit in een woonwijk geparkeerde auto’s. Hoewel de rechtbank geen inzicht heeft verkregen in het motief van verdachte, lijkt hier sprake te zijn van mobiel banditisme: het in georganiseerd verband stelen van verhandelbare goederen, bedoeld voor verdere verkoop in het buitenland. Duidelijk is dat verdachte uitsluitend heeft gehandeld uit financieel gewin en geen respect heeft getoond voor het eigendomsrecht van anderen.
Verdachte is na deze diefstallen verwikkeld geraakt in een dollemansrit met langdurige politieachtervolging, die bijna een uur heeft geduurd en hen vanaf Amstelveen tot over de Belgische grens heeft gevoerd. Hierbij heeft verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan meerdere verbalisanten, gevaarlijk rijgedrag, ernstige schending van verkeersregels waardoor levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was en het verlaten van de plaats van een ongeval.
Tijdens deze achtervolging hebben verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig gemaakt aan een reeks zeer gevaarlijke verkeersmanoeuvres, waaronder spookrijden, het negeren van rode verkeerslichten en het rijden met zeer hoge snelheden. Verdachte heeft op meerdere momenten de gelegenheid gehad om de dollemansrit te (doen) staken, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Verdachte heeft daarmee kennelijk de keuze gemaakt om koste wat kost aan aanhouding te ontkomen, waarbij hij de veiligheid van politieambtenaren en andere weggebruikers volledig heeft miskend. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat een deel van het handelen van verdachte gericht was tegen politieambtenaren. Het is van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren hun werkzaamheden kunnen doen zonder dat ze gevaar van verdachten te duchten hebben. Verdachte heeft op geen enkel moment getoond het kwalijke van zijn handelen in te zien.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële
Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte
niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de buitenlandse Uittreksels Justitiële Documentatie (de strafbladen) van verdachte in Duitsland, Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Hieruit volgt dat verdachte is veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten in de afgelopen vijf jaar, waardoor sprake is van recidive. De rechtbank zal dit in strafverzwarende zin meewegen.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank onder feit 2 het subsidiair tenlastegelegde bewezen heeft verklaard en onder feit 3 het meer subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank acht daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanzienlijke duur op zijn plaats.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke
gevangenisstraf op voor de duur van veertien maanden met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden.
Ter zake het onder feit 3 bewezenverklaarde, geldt dat dit ziet op een overtreding (te weten artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994). Gelet op verwevenheid met de andere bewezenverklaarde (verkeers)feiten en de daarvoor passend geachte straf, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf voor deze overtreding niet opportuun is. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
8. De vordering van de benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij [naam 5]
De benadeelde partij [naam 5] vordert een bedrag van € 2.760,- aan vergoeding van
materiële schade.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige vordering van de
benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en wordt als billijk beschouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank zal daarbij de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met zijn mededader heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Indien de mededader een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel te betalen (en vice versa).
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek
van Strafrecht opleggen.
9. Het beslag
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte in beslag genomen goederen verbeurd dienen te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen goederen verbeurdverklaren, nu de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze goederen zijn begaan.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 56, 57, 62, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 5a, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 primair en onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Feit 2 subsidiair: het medeplegen van poging tot zware mishandeling;
Feit 3 meer subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 4: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 5: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5:
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering zal worden gebracht.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Ten aanzien van feit 3:
Bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Verklaart verbeurd:
Wijst de vordering van [naam 5] volledig toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.760,- (tweeduizend zevenhonderdzestig euro). Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2026.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 5]
voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 5] aan de Staat een bedrag van € 2.760,- (tweeduizend zevenhonderdzestig euro) te betalen. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2026.