RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/779972 / KG ZA 25-1001 MK/EvK
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 9 december 2025,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. L.F.B.M. Peeters,
tegen
STICHTING CEDER GROEP,
te Amstelveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Ceder groep,
advocaat: mr. S. Booij.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 15 december 2025 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. Ceder groep heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren namens aanwezig: [eiseres] , met E.G.J. Steur (tolk Engels) en mr. Peeters, en aan de zijde van Ceder groep [naam 1] , directeur van [school 1] , mr. [naam 2] , bestuurder van Ceder groep, met mr. Booij.
Na verder debat is de zaak pro forma aangehouden tot 19 januari 2026 om partijen de gelegenheid te geven een regeling te treffen. Zij zijn hierin niet geslaagd. Bij bericht van 19 januari 2026 heeft mr. Peeters namens [eiseres] de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen. Partijen is vervolgens op 20 januari 2026 medegedeeld dat vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiseres] en de heer [naam 3] zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [geboortedatum] 2013, te [geboorteplaats] , Rusland. Zij hebben tot 2022 in Rusland gewoond. In 2022 is het gezin naar Cyprus verhuisd en in mei 2025 naar Nederland.
Ceder groep is een stichting die bevoegd gezag heeft (als bedoeld in de WVO 2020) over zes scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam, Amstelveen, Mijdrecht en Vinkeveen, waaronder [school 1] . [school 1] is een scholengemeenschap in [plaats] met de schoolsoorten vmbo en een mavo/havo-klas in de onderbouw. Daarnaast heeft [school 1] een internationale schakelklas (ISK). De ISK is bedoeld voor anderstalige nieuwkomers die
de Nederlandse taal onvoldoende beheersen om in te stromen in het voortgezet onderwijs. [school 1] biedt regulier onderwijs aan, dat wil zeggen geen speciaal onderwijs.
Op 10 juni 2025 heeft [minderjarige] aangemeld voor de ISK klas bij [school 1] . In het aanmeldformulier is onder meer vermeld dat [minderjarige] de volgende beperkingen heeft: ‘autistic disorder, stereotypical movements, vocalizations’. [eiseres] heeft
verder opgegeven dat officieel is vastgesteld dat er bij [minderjarige] sprake is van AD(H)D, autisme spectrum stoornis (ASS) en een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Uit de bijgevoegde (vertaling van een) ASS-verklaring van februari 2025 blijkt dat er met betrekking tot [minderjarige] ernstige problemen zijn vastgesteld met de expressie en perceptie van spraak en taal, tekortkomingen in sociale interactie, een verminderde ontwikkeling van symbolisch spel en verbeeldingskracht, stereotiep gedrag en obsessieve interesses.
Uit een medisch rapport van 10 januari 2023 blijkt dat [minderjarige] is gediagnosticeerd met: (1) globale neurologische ontwikkelingsstoornis (ASS) met matige functionaliteit, (2) inactiviteit van expressieve spraak en taal (spreekt een beetje Russisch), (3) moeilijkheden met sociale communicatie en interactie, (4) emotionele onrijpheid, (5) symptomen van gemengde ADHD met enkele gedragsproblemen, (6) repetitief gedrag en stereotypen, (7) obsessieve tendensen, (8) nachtelijke enuresis. De arts adviseert een speciale school.
Op 18 augustus 2025 heeft een orthopedagoog onderzoek gedaan naar [minderjarige] op verzoek van zijn ouders omdat zij inzicht willen krijgen in zijn non-verbale intelligentie en gedragsontwikkeling en zij deze informatie nodig hebben om voor hem een passende onderwijsplek binnen het speciaal onderwijs te krijgen. In de paragraaf met voorinformatie staat (samengevat) dat hij op Cyprus onderwijs heeft gevolgd dat vooral werd vormgegeven met fysieke activiteiten zoals zwemmen en dat zijn ouders merken dat wanneer zij met hem willen communiceren zij binnen zijn gezichtsveld moeten zijn en korte en concrete instructies moeten geven, en hem moeten helpen bij dagelijkse routines. In de conclusie staat (samengevat en voor zover relevant) dat [minderjarige] geen contact maakt met de onderzoeker, dat hij tijdens het onderzoek slechts voor korte duur zijn aandacht ergens op richt en dat het hem niet is gelukt de sub-testen zelfstandig uit te voeren, deze leken van een te hoog niveau. Daarom kon er geen uitspraak worden gedaan over de non-verbale intelligentie van [minderjarige] , aldus het onderzoeksverslag.
Na de aanmelding van [minderjarige] op 10 juni 2025 vond op 7 juli 2025 een eerste gesprek plaats tussen [eiseres] en [school 1] . Op 8 juli 2025 schreef [eiseres] daar onder meer over aan [school 1] : “We met yesterday to discuss the educational placement of my son, [minderjarige] . As we discussed, it appears that the school may not be able to offer the specialized educational support that [minderjarige] requires.” [school 1] heeft op 9 juli 2025 [eiseres] bericht dat zij contact heeft gehad met het Samenwerkingsverband (een verband van reguliere scholen en scholen voor speciaal onderwijs in een regio) en dat zij zullen helpen met een toelaatbaarheidsverklaring (TLV; een document dat nodig is voor leerlingen om naar speciaal onderwijs te kunnen). Hierna heeft [eiseres] alle (medische) informatie en documenten over [minderjarige] met [school 1] gedeeld.
Daarna is er meerdere malen contact geweest tussen Ceder groep en [eiseres] over de status van het proces om [minderjarige] op een school te plaatsen en een TLV voor hem aan te vragen. [eiseres] heeft daarnaast meerdere andere scholen aangeschreven voor een toelating van [minderjarige] of voor afgifte van een TLV.
Op 2 september 2025 heeft opnieuw een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. [eiseres] heeft gemeld dat zij alle documenten over [minderjarige] had ingediend en zij vroeg zich af wat de status was van de TLV. Ceder groep heeft toegelicht dat de TLV nog niet was aangevraagd, dat een school voor speciaal onderwijs die ruimte heeft om [minderjarige] te plaatsen de TLV-aanvraag zal voltooien en dat dit proces enige tijd kan duren.
Op 9 oktober 2025 heeft het Samenwerkingsverband, in reactie op brief van de (voormalig) advocaat van [eiseres] , toegelicht dat zij afhankelijk is van de scholen waar een aanmelding is gedaan of zij een TLV willen aanvragen. Die scholen moeten echter wel in staat zijn om in schatten of zij kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] en op basis van de beschikbare informatie blijkt dat die scholen dat (nog) niet kunnen. Het Samenwerkingsverband schrijft dat er daarom wordt aangedrongen op aanvullend onderzoek, wat soms noodzakelijk is om een TLV aan te vragen.
Op 21 november 2025 heeft de advocaat van [eiseres] Ceder groep (onder meer) gesommeerd om [minderjarige] voorlopig te plaatsen bij [school 1] . Ceder groep heeft op 26 november 2025 gereageerd dat [school 1] [minderjarige] niet heeft geplaatst omdat haar zoon beter op zijn plek is in het speciaal onderwijs en dat die school een TLV kan aanvragen. Ook heeft Ceder groep gemeld dat [eiseres] is geadviseerd om [minderjarige] in te schrijven bij [school 2] , een school voor speciaal onderwijs.
Sinds [minderjarige] in Nederland woont volgt hij geen onderwijs en verblijft hij thuis.
3. Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Ceder groep op te leggen [minderjarige] binnen één week na de datum van dit vonnis voorlopig te plaatsen op haar school, en dit tot Ceder groep een besluit inzake toelating zal hebben genomen;
II. Ceder groep te verbieden de plaatsing van [minderjarige] c.q. zijn toegang tot het onderwijs te weigeren zolang geen andere school een besluit tot toelating zal hebben genomen;
III. Ceder groep te veroordelen tot betaling van dwangsom van € 1.000 voor elke dag waarop Ceder groep in gebreke zal blijven [minderjarige] te plaatsen c.q. toegang te geven tot het onderwijs;
IV. Ceder groep te veroordelen in de volledige proceskosten ter hoogte van € 15.000, subsidiair in de proceskosten volgens het liquidatietarief.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij wil dat haar zoon [minderjarige] onderwijs krijgt. Hij zit namelijk al sinds juni 2025 thuis. Ceder groep is verplicht om [minderjarige] tijdelijk te plaatsen omdat zij niet binnen 10 weken (formeel) heeft beslist op de toelating van [minderjarige] op [school 1] (artikel 8.13 WVO). Door die tijdelijke plaatsingsplicht krijgt [minderjarige] een plek in het systeem en dient [school 1] /Ceder groep op grond van haar zorgplicht een passende plek voor [minderjarige] te vinden. Het is nodig dat dat gebeurt want nu blijft iedereen naar elkaar verwijzen; [school 1] verwijst naar een andere school of naar het Samenwerkingsverband en het Samenwerkingsverband verwijst weer terug naar de scholen. Op die manier verkeren partijen in een impasse en daar moet een einde aan komen. Dat kan door Ceder groep nu te verplichten [minderjarige] te plaatsen. Het belang van [minderjarige] is urgent: hij is inmiddels zeven maanden verstoken van onderwijs, hetgeen ernstige gevolgen heeft voor zijn ontwikkeling.
Ceder groep voert verweer. Ten eerste is [eiseres] niet-ontvankelijk want zij heeft niet aangegeven dat zij procedeert als wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige] en die hoedanigheid kan ze niet meer veranderen tijdens de procedure want dat is in strijd met de goede procesorde. Het is bovendien onbekend of [eiseres] gezag heeft over [minderjarige] ; zij heeft dat in ieder geval niet aangetoond. Daarnaast is volgens de Ceder groep de zorgplicht om [minderjarige] voorlopig te plaatsen niet in werking getreden omdat op basis van de beschikbare stukken over de beperkingen van [minderjarige] , [minderjarige] niet in staat wordt geacht het onderwijs in de ISK klas van [school 1] te volgen. [minderjarige] kan niet bij [school 1] worden geplaatst want hij spreekt in het geheel geen Nederlands, en de problematiek waarmee hij kampt is ernstig en daarvoor is zeer specialistische ondersteuning nodig die [school 1] niet kan bieden, ook in niet in ISK bij toelating of tijdelijke plaatsing. Ceder groep ziet ook in dat [minderjarige] een plek moet krijgen in het schoolsysteem, maar Ceder groep en specifiek [school 1] is niet de juiste plek voor [minderjarige] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor de vorderingen van [eiseres] geldt dat die toewijsbaar zijn als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter die zal toewijzen en als van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook steeds af van een afweging van de belangen van partijen.
formeel verweer
Het formele verweer van Ceder groep dat [eiseres] niet de door haar ingestelde vorderingen kan instellen omdat zij niet in de juiste hoedanigheid deze procedure is begonnen, wordt niet gevolgd. Dat het in deze zaak om [minderjarige] gaat staat vast. Iets anders kan Ceder groep ook niet begrepen hebben uit de dagvaarding. Een belang voor Ceder groep om nu van iets anders uit te gaan ontbreekt. Bovendien heeft [eiseres] in de zomer van 2025 op het aanmeldformulier bij [school 1] aangegeven dat zij de moeder is van [minderjarige] . Ceder heeft in het overleg en de communicatie sindsdien nooit eerder om bewijs daarvan gevraagd.
het geschil en het belang van [minderjarige]
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk een plek moet krijgen op een school die bij hem past. Daarover zijn partijen het eens. Dit zal een school voor speciaal onderwijs moeten zijn. Ook dat is niet in geschil. De route om daar te komen houdt partijen in dit geschil verdeeld. [eiseres] meent dat Ceder groep een zorgplicht heeft die plek te realiseren en [minderjarige] tot die tijd tijdelijk moet plaatsen. Ceder groep betwist dit.
plicht tot tijdelijk plaatsen
Uit artikel 8.13 WVO volgt dat het bevoegd gezag (hier Ceder groep) maximaal tien werken de tijd krijgt om een beslissing te nemen over de toelating. Als de toelatingsbeslissing na tien weken nog niet is genomen, heeft de leerling recht op een tijdelijke plaatsing. Dit artikel is bedoeld als maatregel om thuiszitten te voorkomen.
Er bestond onduidelijkheid of Ceder groep een besluit heeft genomen om [minderjarige] te plaatsen of niet. Desgevraagd heeft Ceder groep op de mondelinge behandeling gezegd dat zij dit besluit nog niet heeft genomen. In beginsel is het daarom juist dat door het verstrijken van de termijn van tien weken Ceder groep de plicht heeft om [minderjarige] tijdelijk te plaatsen op de school waar de aanvraag op zag ( [school 1] ).
Volgens [eiseres] is dit ook de enige route die nu mogelijk is. Op deze manier wordt er namelijk een zorgplicht gecreëerd voor Ceder groep om te kijken naar een passende plek voor [minderjarige] . Dat [school 1] niet die passende plek is staat vast. Volgens [eiseres] is het niet mogelijk via [school 2] , een school voor speciaal onderwijs waarvoor zij [minderjarige] ook had aangemeld, een plek te krijgen omdat voor toelating op een school voor speciaal onderwijs een TLV nodig is. Na tijdelijke plaatsing bij Ceder groep kan volgens [eiseres] een TLV worden verkregen via het Samenwerkingsverband.
Ceder groep heeft het verweer gevoerd dat de route via [school 2] wel mogelijk is. [school 2] heeft namelijk ook nog niet na tien een weken een besluit genomen of zij [minderjarige] toelaten en dus geldt voor [school 2] evengoed de plicht om [minderjarige] tijdelijk te plaatsen. Bovendien is [school 2] als school voor speciaal onderwijs een veel logischere plek dan [school 1] waarvan vaststaat dat dit niet een passende plek is. Ceder groep heeft daarbij, onweersproken door [eiseres] , aangevoerd dat een TLV voor speciaal onderwijs niet verplicht is bij tijdelijke plaatsing (op grond van artikel 8.13 Wvo). Dat betekent dat ook via de route van tijdelijke plaatsing bij [school 2] een zorgplicht kan worden gecreëerd, vanuit waar verder kan worden gewerkt.
De voorzieningenrechter volgt Ceder groep in haar verweer. De vraag is namelijk wat het belang van [minderjarige] is bij de tijdelijke plaatsing op een school die niet in zijn ondersteuningsbehoeften kan voorzien en die niet bij zijn niveau aansluit. Op basis van de nu beschikbare informatie is voldoende aannemelijk dat [school 1] geen passende school is. Dit gelet op de bij [minderjarige] bekende problematiek (zie 2.3-2.5) en het feit dat [school 1] in de ISK alleen extra ondersteuning biedt aan kinderen die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn en niet aan andere problematiek. Het is meer in het belang van [minderjarige] als hij tijdelijk wordt geplaatst op een plek waar meer voor hem mogelijk is, of die beter aansluit bij zowel zijn ondersteuningsbehoeften als bij zijn niveau, en dat is in dit geval een school voor speciaal onderwijs.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor de frustratie bij [eiseres] dat zij sinds de zomer van 2025 een passende plek zoekt voor haar zoon, zonder succes. Maar het via gedwongen tijdelijke plaatsing op een niet passende school een zorgplicht creëren is geen passende route.
Het vorenstaande betekent dat de vordering wordt afgewezen. Zelfs als tijdelijke plaatsing op een school voor speciaal onderwijs niet mogelijk is zonder TLV (zoals hiervoor overwogen gaat de voorzieningenrechter daar niet van uit), brengt de belangenafweging nog steeds mee dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. Daarvoor is het belang van [minderjarige] doorslaggevend. Dit belang ( [minderjarige] volgt sinds zijn verhuizing naar Nederland geen onderwijs) om een plek op een passende school te krijgen is, onverminderd, groot. Van gedaagde mag dan ook verwacht worden dat zij alles op alles blijft inzetten om die plek te helpen realiseren. Bij [school 2] of elders. Ook nu deze vordering tegen haar wordt afgewezen.
slotsom en proceskosten
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ceder groep worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.