RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummer: 16.302810.21
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 16/302810-21
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. F.L.C. Schoolderman, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 1 juni 2017 tot en met 26 september 2018 in Weesp heeft schuldig gemaakt aan
1. medeplegen van het opzettelijk telen/bereiden/bewerken/verwerken, in ieder geval het opzettelijk aanwezig hebben van 810 hennepplanten. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan door het pand ter beschikking te stellen;
2. medeplegen van diefstal van elektriciteit door middel van braak/verbreking.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Geldigheid van de dagvaarding
3.1.1. Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 subsidiair nietig moet worden verklaard, omdat het feit ziet op het behulpzaam zijn aan het telen door [naam 1] en/of onbekend gebleven personen. In het dossier zijn alleen de namen [medeverdachte] en [naam 2] te vinden. Dit kan niet worden gezien als een verschrijving, nu zowel [medeverdachte] en [naam 2] in verband kunnen worden gebracht met de verdenking en het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen. Het is hierdoor onduidelijk waartegen verdachte zich moet verweren.
3.1.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Het is evident dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat het gaat om [medeverdachte] . Het is voor verdachte dan ook voldoende duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen.
3.1.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) eist dat de tenlastelegging een voldoende afgebakende en geconcretiseerde omschrijving van het aan verdachte verweten feit omvat. De tenlastelegging kan (deels) nietig worden verklaard als het daarin opgenomen verwijt onvoldoende bepaald is, zodat de verdachte niet kan weten tegen welke beschuldiging(en) zij zich te verweren heeft en het de rechtbank onduidelijk is welk onderzoek zij moet verrichten. Bij het antwoord op de vraag of de in een tenlastelegging opgenomen beschuldigingen voldoende duidelijk zijn, wordt de tenlastelegging in samenhang met het strafdossier bekeken.
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 subsidiair – bezien in samenhang met het dossier – onvoldoende duidelijk is. Hierdoor kan verdachte zich niet effectief verdedigen tegen de beschuldiging. In de tenlastelegging is namelijk opgenomen dat de medeplichtigheid ziet op het behulpzaam zijn aan het telen, dan wel aanwezig hebben van hennep door [naam 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen door het pand ter beschikking te tellen voor de teelt/het kweken van de hennepplanten. De naam [naam 1] komt niet voor in het dossier. Het is onduidelijk of verdachte wordt verweten dat zij medeplichtig is geweest aan het handelen van haar partner, [medeverdachte] , of het handelen van de broer van haar partner, [naam 2] . Beide namen komen immers voor in het dossier en beide mannen zijn als verdachte aangemerkt in deze zaak en door de politie als zodanig gehoord. Weliswaar is de zaak tegen [naam 2] geseponeerd, maar ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] geldt dat hij de partner is van verdachte en dat het ter beschikking stellen van het pand waarin zij samen woonden aan hem onlogisch voorkomt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv.
De rechtbank concludeert dat de dagvaarding nietig is voor wat betreft het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.
4. Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 primair heeft zij daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte een materiële bijdrage heeft geleverd aan het kweekproces, zodat het ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen. Verder kan niet worden bewezen dat er in 2017 is gestart met kweken, zodat verdachte van die periode moet worden vrijgesproken. Feit 2 kan niet worden bewezen omdat verdachte niet wist dan wel de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat sprake was van diefstal van elektriciteit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 27 maart 2018 over een sterke hennepgeur in de omgeving van een pand aan de ’ [adres] is de politie een onderzoek gestart. Netwerkbeheerder Liander heeft een netwerkmeting op het adres uitgevoerd. Hieruit bleek dat tussen 25 juli 2018 en 1 augustus 2018 een 12-uurs cyclus aanwezig was van 09:15 uur tot 21:15 uur. Aangezien het pand zich op een erf met meerdere gebouwen bevond, is op 5 augustus 2018 vanuit de lucht onderzoek gedaan met een warmtebeeldcamera. Hieruit bleek dat er ongewone warmtebronnen zichtbaar waren.
Op 26 september 2018 heeft de politie bij het binnentreden op voornoemd adres op de hooizolder van een stal op het erf een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met op dat moment in totaal 810 hennepplanten. Op het adres stonden verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte] , ingeschreven. Zij huurden het pand van [naam 2] , de broer van medeverdachte. De politie gaat ervan uit dat de hennepplantage is gestart in juni 2017 en aaneengesloten doorliep tot en met het aantreffen van de plantage op 26 september 2018. De politie baseert zich hiervoor onder andere op de zeer ernstige vervuiling in de kwekerij, de ernstige kalkaanslag in het watervat, de productiecodes van de assimilatieverlichting en de verwerkingsruimte van de hennepkwekerij.
Uit het onderzoek naar de aansluiting van de hennepkwekerij bleek dat een installatiekabel van ruim honderd meter was gebruikt die vanaf de voorzijde van het perceel (onder de grond) over het perceel naar de stal liep. Verder bleek dat deze kabel was aangesloten in de voorruimte van de hennepkwekerij. Naast de voordeur van de woning was onder de grond een illegale aansluiting gemaakt op de hoofdkabel die de woning in liep.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij geen andere keuze had dan te accepteren dat de hennepkwekerij werd opgezet. Haar partner werd onder druk gezet door zijn broer om de kwekerij op te zetten. Als hij niet akkoord ging zouden ze de woning worden uitgezet. Verdachte wilde er niets mee te maken hebben.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte als (mede)pleger van het telen of het aanwezig hebben van hennep (feit 1) en van de diefstal van elektriciteit (feit 2) kan worden aangemerkt.
Voor bewezenverklaring van het (mede)plegen dient vast te komen staan dat verdachte haar opzet was gericht op het telen of aanwezig hebben van hennep en het daarmee samenhangende diefstal van elektriciteit. Voorwaardelijk opzet is hiervoor voldoende. Weliswaar huurde verdachte samen met medeverdachte de woning op het erf en heeft zij verklaard dat zij wist dat er zich een hennepkwekerij in de stal op het erf bevond, maar dit is onvoldoende om de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit te bewijzen. Nu het dossier verder geen aanwijzingen bevat ter zake van die betrokkenheid is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair alsmede het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
5. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.
Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kwiyasse, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.
Bijlage – de tenlastelegging
Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat
1.
zij in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan ’s-Gravenlandseweg 31a) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 810 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[naam 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan Gravenlanseweg 31a) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 810 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp, in elk geval in
Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [naam 1] en/of onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2.
zij in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, waarbij verdachte en/of haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.