RECHTBANK AMSTERDAM
verkort vonnis
Parketnummer: 16.302812.21
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 16/302812-21
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan ’ [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 810 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn broer. Verdachte verkeerde niet in een positie om de hennepkwekerij te weigeren en hij moest de aanwezigheid daarvan dulden. Verdachte moet ook worden vrijgesproken van feit 2, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de diefstal van de elektriciteit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 27 maart 2018 over een sterke hennepgeur in de omgeving van een pand aan de [adres] is de politie een onderzoek gestart. Netwerkbeheerder Liander heeft een netwerkmeting op het adres uitgevoerd. Hieruit bleek dat tussen 25 juli 2018 en 1 augustus 2018 een 12-uurs cyclus aanwezig was van 09:15 uur tot 21:15 uur. Aangezien het pand zich op een erf met meerdere gebouwen bevond, is op 5 augustus 2018 vanuit de lucht onderzoek gedaan met een warmtebeeldcamera. Hieruit bleek dat er ongewone warmtebronnen zichtbaar waren.
Op 26 september 2018 heeft de politie bij het binnentreden op voornoemd adres op de hooizolder van een stal op het erf een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met op dat moment in totaal 810 hennepplanten. Op het adres stonden verdachte en zijn partner, medeverdachte [medeverdachte] , ingeschreven. Zij huurden het pand van [naam] , de broer van verdachte. De politie gaat ervan uit dat de hennepplantage is gestart in juni 2017 en aaneengesloten doorliep tot en met het aantreffen van de plantage op 26 september 2018. De politie baseert zich hiervoor onder andere op de zeer ernstige vervuiling in de kwekerij, de ernstige kalkaanslag in het watervat, de productiecodes van de assimilatieverlichting en de verwerkingsruimte van de hennepkwekerij.
Uit het onderzoek naar de aansluiting van de hennepkwekerij bleek dat er een installatiekabel van ruim honderd meter was gebruikt die vanaf de voorzijde van het perceel (onder de grond) over het perceel naar de stal liep. Verder bleek dat deze kabel was aangesloten in de voorruimte van de hennepkwekerij. Naast de voordeur van de woning was onder de grond een illegale aansluiting gemaakt op de hoofdkabel die de woning in liep.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij eerder een schuld voor een hennepkwekerij en bijbehorende ontnemingsvordering van zijn broer op zich had genomen. Zijn broer heeft uit de nalatenschap van zijn partner de ouderlijke woning gekocht. Verdachte en zijn partner huurden vervolgens deze boerderij van hem. Zijn broer heeft verdachte ergens in 2017 verteld dat hij een hennepkwekerij wilde opzetten op de boerderij. Als verdachte daarmee niet akkoord ging, zou hij uit de woning worden gezet. Zijn broer heeft hem onder druk gezet en geïntimideerd. Verdachte is vervolgens akkoord gegaan. De hennepkwekerij is in 2017 opgezet. Verdachte heeft de hennepplanten vier keer water gegeven. Op het moment dat er werd geoogst, kreeg verdachte € 5.000,- van zijn broer. Dit is in totaal vier keer gebeurd.
Oordeel over feit 1 - hennepkwekerij
Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en voornoemde verklaring van verdachte op de zitting, stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat er een hennepkwekerij in de stal aanwezig was en dat de hennep zich binnen zijn machtssfeer bevond. De hennepkwekerij was in ieder geval ingericht in de periode van 1 juni 2017 tot en met het aantreffen van de hennepplantage op 26 september 2018. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten.
Vrijspraak van feit 2 - diefstal elektriciteit
De rechtbank acht de diefstal van elektriciteit niet bewezen. Verdachte heeft daarover geen verklaring afgelegd. De installatiekabel die over het perceel liep en de illegale aansluiting op de hoofdkabel bevonden zich onder de grond en waren niet zichtbaar. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte wist dat de stroom/elektriciteit voor de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen en of en welke rol verdachte bij de diefstal hiervan had. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 1 juni 2017 tot en met 26 september 2018 te Weesp, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan ’ [adres] ) een hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
5. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat de broer van verdachte achter de hennepkwekerij zat en dat verdachte niet de baas was. Verdachte is sinds het onderhavige feit niet meer veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Verder moet rekening worden gehouden met de ouderdom van het feit en de forse overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht om verdachte schuldig te verklaring zonder oplegging van een straf.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep over een lange periode. De aangetroffen hoeveelheid hennep en de professionaliteit van de inrichting van de kwekerij maken het aannemelijk dat de hennep bestemd was voor verdere verspreiding en handel, waarmee vaak andere vormen van criminaliteit gepaard gaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 april 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het telen van hennep. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 21 juni 2022 en hetgeen verdachte ter zitting over zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht. De reclassering ziet de financiële situatie van verdachte als risicofactor. In praktisch opzicht heeft verdachte zijn leven op orde. Hoewel het recidiverisico als gemiddeld wordt ingeschat, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Bij een veroordeling wordt daarom geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De rechtbank gaat uit van de datum waarop de dagvaarding aan verdachte is uitgereikt en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 maart 2023. De behandeling had dus uiterlijk 14 maart 2025 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 2 juni 2026. Dit is dan ook een overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het opnieuw medeplegen van hennepteelt in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank evenwel voor een andere strafmodaliteit kiezen, te weten een taakstraf van hierna te melden duur.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de diefstal van elektriciteit (feit 2).
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van tachtig uur passend en geboden is.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kwiyasse, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.