[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring.
Verweerder heeft deze aanvraag op 29 april 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij een urgentieverklaring krijgt.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft het volgende aangevoerd. Zij is een alleenstaande moeder en in verwachting van haar tweede kind. Zij verblijft op dit moment in de woning van haar inmiddels overleden ex-schoonmoeder. Maar als gevolg van het overlijden van de ex-schoonmoeder is de situatie fundamenteel gewijzigd. Er loopt op dit moment een procedure bij de kantonrechter over het verblijf van verzoekster in de woning. Gezien het verloop van de procedure en de ingenomen standpunten op zitting, bestaat een concrete en reële kans dat verzoekster de woning binnen afzienbare tijd moet verlaten. Zonder voorlopige voorziening dreigen verzoekster en haar kinderen in ernstige woononzekerheid te verkeren of zelfs dakloos raken. De gevolgen hiervan zijn bijzonder ingrijpend en kunnen niet of slechts zeer beperkt worden hersteld.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht, omdat dit tot onomkeerbare gevolgen zou leiden.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Uit de stukken blijkt dat verzoekster op dit moment in de woning van haar overleden ex-schoonmoeder kan verblijven. Er is dus nog geen sprake van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. De omstandigheid dat zij de woning in de toekomst mogelijk zal moeten verlaten als gevolg van een door de verhuurder gestarte ontbindingsprocedure is onvoldoende voor de voorzieningenrechter om op dit moment spoedeisend belang aan te nemen. De uitkomst van die procedure is nog niet bekend en bovendien is niet duidelijk geworden binnen welke termijn verzoekster de woning dan zou moeten verlaten. De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoekster vrij staat om in de toekomst opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: