RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/023004-22
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende op het adres [BRP-adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 25 september 2025 en 8 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. van Bunnik, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 13 juli 2016 tot en met 16 december 2016 in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 160.800.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Ten eerste heeft zij aangevoerd dat, met uitzondering van het door [benadeelde partij 1] overgemaakte bedrag (te weten: € 7.200), bewezen kan worden dat de bedragen die zijn gestort op de bankrekening van verdachte zijn betaald in het kader van de beleggingsfraude in het onderzoek 13Crook. Uit de bankafschriften blijkt immers dat de bedragen zijn gestort door de diverse aangevers van de oplichting. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben weliswaar geen aangifte gedaan, maar uit de omschrijving bij het door [benadeelde partij 2] betaalde bedrag blijkt dat dit bedrag is gestort in het kader van ‘ [bedrijfsnaam 1] Shares’ waar de beleggingsfraude op zag. [benadeelde partij 3] heeft exact hetzelfde bedrag overgemaakt als [benadeelde partij 2] (€ 14.400), hetgeen bewijst dat ook het door hem betaalde bedrag is gestort in het kader van de oplichting. Ten aanzien van [benadeelde partij 1] heeft de officier van justitie gesteld dat er geen aanknopingspunten zijn dat het door hem gestorte bedrag uit misdrijf afkomstig is.
Het OM acht dat verdachte in totaal een bedrag van € 153.600 op zijn rekening heeft gehad dat van misdrijf afkomstig was.
Ten aanzien van de wetenschap heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte wist, althans uit de omstandigheden had moeten afleiden dat de gelden uit misdrijf afkomstig waren. Dit gelet op het feit dat verdachte heeft verklaard helemaal niets van ‘ [naam] ’ te weten, anders dan dat [naam] tegen hem had gezegd dat hij een uitkering had, maar dat hij wel samen met hem naar de Kamer van Koophandel is gegaan om een bedrijf op te richten, dat feitelijk geen bedrijf was. Hij wist niet waar het geld dat op zijn rekening werd gestort vandaan kwam. Verdachte moet daaruit hebben kunnen afleiden dat dit nooit legaal kon zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de ondergrens van strafbaar handelen niet is gehaald. Verdachte had geen inzage in zijn bankrekening en heeft in goed vertrouwen die bankrekening ter beschikking gesteld. Hij wist niet dat de gestorte bedragen een criminele herkomst hadden en hij heeft dat ook niet kunnen of hoeven te vermoeden. Van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen is geen sprake geweest, verdachte is niet te kort geschoten in zijn onderzoeksplicht. Ten aanzien van de bedragen heeft zij zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de bedragen van [benadeelde partij 3] (€ 14.400) en [benadeelde partij 1] (€ 7.200) van misdrijf afkomstig waren.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Aan deze strafzaak ligt het politieonderzoek “13 Crook” ten grondslag. Dit onderzoek is
gestart nadat [benadeelde partij 4] aangifte deed van oplichting. [benadeelde partij 4] was benaderd door een man om te beleggen in oliemaatschappijbedrijf [bedrijfsnaam 1] .
[benadeelde partij 4] heeft diverse bedragen overgemaakt naar verschillende rekeningen maar de
toegezegde aandelen niet ontvangen.
Binnen het onderzoek zijn meerdere personen als verdachte aangemerkt. Volgens het politieonderzoek hebben zij – in meer of mindere mate – met elkaar samengewerkt en daarbij verschillende rollen vervuld. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de hoedanigheid van katvanger samen met ‘ [naam] ’ een bedrijf heeft opgericht, een Duitse bankrekening gekoppeld aan dat bedrijf heeft geopend, zijn bankpas ter beschikking heeft gesteld aan een ander en meerdere malen bedragen van die bankrekening heeft gepind.
Afkomstig uit enig misdrijf?
De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of de geldbedragen die op de rekening van verdachte werden gestort afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de bedragen die zijn gestort door [benadeelde partij 3] (€ 14.400) en door [benadeelde partij 1] (€ 7.200) van misdrijf afkomstig zijn. Voor [benadeelde partij 2] geldt dat bij zijn storting ‘ [bedrijfsnaam 1] Shares’ wordt vermeld. Het enkele feit dat [benadeelde partij 3] hetzelfde bedrag heeft overgemaakt als [benadeelde partij 2] , die dit bedrag heeft gestort onder vermelding van de term ‘ [bedrijfsnaam 1] Shares’, hetgeen verband houdt met de oplichting, is onvoldoende om vast te stellen dat dit bedrag is betaald in het kader van de oplichting en daarmee uit enig misdrijf afkomstig is. Dit is voor de andere bedragen wel bewezen, gelet op de aangiftes die in het dossier zitten van [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en J [benadeelde partij 8] . De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat van het ten laste gelegde totaalbedrag van € 160.800 euro bewezen kan worden dat € 139.200 afkomstig is uit enig misdrijf. Ter onderbouwing van de (bewezenverklaarde) oplichting die aan de genoemde bedragen ten grondslag ligt verwijst de rechtbank naar de vonnissen van 9 oktober 2025 in de zaken die ter terechtzitting van 25 september 2025 gedeeltelijk gelijktijdig zijn behandeld met de onderhavige zaak (met parketnummers 13/022730-22, 13/022988-22, en 13/021580-22).
Schuldwitwassen
Voor een veroordeling voor schuldwitwassen in de zin van artikel 420quater, eerste lid van
het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat de verdachte ‘redelijkerwijs moet vermoeden
dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf’. De vraag is dus of verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de op zijn bankrekening gestorte gelden een criminele herkomst hadden.
Verdachte heeft verklaard benaderd te zijn door ene ‘ [naam] ’, die hij verder niet kent. Samen met hem is verdachte op 11 december 2015 naar de Kamer van Koophandel gegaan. Daar heeft verdachte (uitsluitend op zijn naam) het bedrijf [bedrijfsnaam 2] opgericht om vervolgens een aan dat bedrijf gekoppelde bankrekening in Duitsland te openen. De afspraak was dat verdachte geld zou pinnen en dat hij hiervan een deel zelf zou mogen houden. Verdachte gaf ‘ [naam] ’ de pinpas en toegang tot de rekening. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat het geld dat op zijn bankrekening werd gestort afkomstig was van de verkoop van tweedehands auto’s uit Duitsland. Verdachte dacht dat het bedrijf verband hield met de verkoop van auto’s. Verdachte is vragen gaan stellen op het moment dat de gestorte bedragen steeds groter werden en hij het vermoeden kreeg dat er achter zijn rug geld werd verdiend.
Aldus heeft verdachte in opdracht van een persoon die hij niet goed kende een bedrijf opgericht en een bankrekening geopend, terwijl niet duidelijk was wat zijn exacte werkzaamheden en rol binnen het bedrijf zouden zijn. Verdachte heeft aan die persoon zijn bankgegevens en een bankpas verstrekt en heeft volgens afspraak meerdere malen ook zelf een geldbedrag gepind waarvan hij het grootste deel heeft afgedragen aan die persoon, zonder hierover verdere vragen te stellen of onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat het geld werd verdiend met de verkoop van auto’s, maar gezien het gebrek aan enige feitelijke rol van verdachte in het bedrijf of kennis van het bedrijf en het feit dat zijn rol uitsluitend bestond uit het pinnen van contant geld dat hij vervolgens moest afstaan, zijn dit omstandigheden waardoor hij naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld geen legale herkomst had en derhalve afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte had dit moeten onderzoeken. Dat hij, zoals hij verklaart, na zes maanden – nadat de bedragen groter werden en hij het vermoeden had dat er geld achter zijn rug werd verdiend – uiteindelijk besluit te stoppen, is onvoldoende om te kunnen zeggen dat hij voldaan heeft aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte dan ook
zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig geweest dat hij zich schuldig heeft gemaakt
aan schuldwitwassen.
Dat verdachte daadwerkelijk wist dat de ten laste gelegde geldbedragen van enig misdrijf
afkomstig waren, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, zodat
verdachte niet zal worden veroordeeld voor opzetwitwassen.
De rechtbank acht derhalve het impliciet subsidiair ten laste gelegde, gepleegd tezamen en in vereniging met een ander, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van witwassen van de bedragen uit de tenlastelegging die zijn gestort door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] omdat daarvan niet is vast komen te staan dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
in de periode van 13 juli 2016 tot en met 16 december 2016 in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van 10.800 euro en
- een geldbedrag van 10.800 euro en
- een geldbedrag van 10.800 euro en
- een geldbedrag van 36.000 euro en
- een geldbedrag van 14.400 euro en
- een geldbedrag van 20.400 euro en
- een geldbedrag van 14.400 euro en
- een geldbedrag van 21.600 euro
heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
5. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. De strafbaarheid van het feit en van verdachte
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
7. Motivering van de straf
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het door haar bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke situatie van verdachte, verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Subsidiair heeft zij verzocht de duur van de taakstraf beperkt te houden.
8. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door geldbedragen op zijn rekening te laten storten en diverse keren van deze rekening geld te pinnen, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de verschillende geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening heeft verdachte het mogelijk gemaakt voor anderen om uit oplichting verkregen opbrengsten, waarvan verdachte ook een percentage heeft ontvangen, door te sluizen. Mede door het handelen van verdachte zijn de opgelichte personen ernstig gedupeerd. Ook al kan niet worden vastgesteld dat verdachte hier meer vanaf wist, hem kan wel worden aangerekend dat hij met zijn handelingen het vertrouwen in het financiële en economische verkeer schade heeft toegebracht.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 november 2025 waaruit blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Verdachte lijdt al jaren aan een depressie en daarnaast ook aan hyperhidrose. Hierdoor is verdachte geïsoleerd geraakt. Verdachte zit nu in een re-integratieproces.
Redelijke termijn
Ook houdt de rechtbank in sterke mate rekening met het tijdsverloop in deze zaak. De
rechtbank stelt vast dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn,
als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens (EVRM), in deze zaak is geschonden. Een verdachte heeft recht op een openbare
behandeling van zijn zaak binnen twee jaren nadat de termijn is aangevangen, tenzij sprake
is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is aangevangen op 31 oktober 2018
omdat de politie verdachte op deze datum heeft verhoord. Het vonnis in deze zaak wordt gewezen op 22 januari 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar met ruim vijf jaar is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van zo’n lange duur rechtvaardigen, is niet gebleken. De overschrijding dient naar het oordeel van de rechtbank daarom tot een forse strafvermindering te leiden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, een taakstraf van 60 uren passend is. Medeverdachte [medeverdachte] is in hetzelfde onderzoek veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren voor het (schuld)witwassen van een geldbedrag van € 108.300. Hoewel verdachte wordt veroordeeld voor een hoger bedrag, is de rechtbank, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, van oordeel dat een straf gelijk aan die van medeverdachte Makhlouf op zijn plaats is.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. D.M.S. Gribling en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.
[...]