RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-227656-25
Datum uitspraak: 28 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 februari 2024 door de Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de Regional Court in Jelenia Góra van 11 september 2020 met kenmerk II K 112/19, zoals gewijzigd door het Appellate Court in Wrocław van 30 september 2021 met kenmerk II AKa 306/20-/-.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en zes dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Gelet hierop zal de rechtbank enkel het arrest met kenmerk II AKa 306/20-/- toetsen.
Uit de toelichting onderaan onderdeel d) in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon samen met zijn advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep. Artikel 12 OLW is daarom niet aan de orde.
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Artikel 49, derde lid, van het Handvest
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de zwaarte van de straf onevenredig is aan het strafbare feit. Aan opgeëiste persoon is een zeer forse gevangenisstraf opgelegd van negen maanden. Er loopt thans een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) die betrekking heeft op een drugsfeit waarin prejudiciële vragen zijn gesteld die zien op de mogelijkheid om in het kader van de overleveringsprocedure een beroep te doen op artikel 49, derde lid, van het Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel. Het antwoord op deze vragen kan van belang zijn in deze zaak. De raadsman verzoekt daarom de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst hiervan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de zaak omdat onderhavige zaak in grote mate verschilt van de zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af. De rechtbank heeft in voornoemde zaak prejudiciële vragen gesteld over – kort gezegd – haar bevoegdheid om de (on)evenredigheid van een opgelegde minimumstraf te mogen beoordelen. Die vragen zien op een situatie die verschilt van de omstandigheden van het geval van de opgeëiste persoon waarbij van een minimumstraf geen sprake is. Daarnaast gaat het in de zaak van de opgeëiste persoon om een ernstiger feit, waar het in de zaak waar prejudiciële vragen zijn gesteld ging om een geringe hoeveelheid drugs voor eigen gebruik, althans zonder oogmerk van winstbejag. De opgeëiste persoon is immers veroordeeld voor het verstrekken van amfetamine aan een minderjarige. De beantwoording van de prejudiciële vragen is dus niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige overleveringsverzoek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het antwoord daarop af te wachten en wijst het aanhoudingsverzoek af.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Department, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.