RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-290597-25 (EAB 1)
Datum uitspraak: 28 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 oktober 2025 door de Regional Court Harmanli, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans uit andere hoofde gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 8 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, advocaat in ’s-Gravenhage. De behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 14 januari 2026 om 14:00 uur zodat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Zitting van 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een detentiebesluit (definition N: 618) van 1 oktober 2025 met betrekking tot de General Criminal Case N: 67/2025 in compliance to the inventory of RC – Harmanli.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Bulgaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander in het licht van artikel 6 OLW. De raadsman verzoekt de zaak aan te houden om het advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen. De opgeëiste persoon heeft een verblijfstitel “arbeid vrij, onbepaalde geldigheidsduur”. Deze verblijfstitel is vergelijkbaar met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en daarmee voldoet de opgeëiste persoon aan de eerste voorwaarde van artikel 6 OLW. Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie van de opgeëiste persoon en uit de Basisregistratie Personen (BRP) dat hij voldoende tijd in Nederland ingeschreven heeft gestaan. Voor het geval de rechtbank meer stukken nodig blijkt te hebben, doet de raadsman het verzoek het onderzoek te heropenen om alsnog aan te tonen dat hij hier ten minste 5 jaar ononderbroken rechtmatig verbleven heeft.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op artikel 6 OLW niet kan slagen. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is ook geen verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6 OLW afhankelijk gesteld worden van een terugkeergarantie.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het is op grond van artikel 6, derde lid OLW aan de opgeëiste persoon om tijdig en voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank aan te tonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank is hiervan in ieder geval sprake als de stukken tien dagen voor de zitting zijn ingediend. In dit geval is daaraan niet voldaan. De enkele aantekening “arbeid vrij” op het uittreksel SKDB staat niet gelijk aan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat de opgeëiste persoon tussen 2019 en 2021 ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland, maakt niet dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eis van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: ne bis in idem
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9 OLW. De opgeëiste persoon is naar eigen zeggen eerder in Bulgarije onherroepelijk veroordeeld voor het feit (diefstal van een auto in Harmanli in augustus 2017) waarvoor nu de overlevering wordt verzocht. Ook stelt hij de straf die hem is opgelegd, al te hebben uitgezeten. In het kader van een andere strafzaak (zie EAB 2) is hij bovendien eerder overgeleverd naar Bulgarije vanuit Nederland: op dat moment had ook overlevering om hem te vervolgen voor dit feit verzocht kunnen worden. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op artikel 9 OLW niet opgaat, omdat geen objectieve stukken zijn overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon reeds voor dit feit in Bulgarije onherroepelijk is veroordeeld en/of zijn straf zou hebben uitgezeten. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet uitgegaan worden van de juistheid van hetgeen in het EAB staat vermeld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat op 1 oktober 2025 onderhavig EAB is uitgevaardigd door de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarbij de overlevering is gevraagd van de opgeëiste persoon om hem te vervolgen voor het strafbare feit zoals dat in onderdeel e) van het EAB is omgeschreven. Uit niets blijkt dat hij voor dit feit reeds veroordeeld is in Bulgarije. De enkele stelling dat dit wel zo is, is onvoldoende om te twijfelen aan hetgeen in het EAB staat vermeld. De weigeringsgrond van artikel 9 OLW is dan ook niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Ook het door de raadsman ingeroepen beroep op het specialiteitsbeginsel gaat niet op. Weliswaar is de opgeëiste persoon eerder bij uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2021 overgeleverd voor vervolging ter zake van een ander strafbaar feit. Dit maakt echter niet dat niet nu door de uitvaardigende justitiële autoriteit om overlevering ten behoeve van een ander strafbaar feit (dat plaats heeft gevonden voor deze datum) gevraagd kan worden.
6. Artikel 11 OLW: Bulgaarse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft op grond van het Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022.
In aanvullende informatie bij brief van 16 december 2025 van de Minister of Justice van Bulgarije is onder meer de volgende informatie opgenomen:
[…] “With regard to the European arrest warrant Ns 671/2025 from 0 1.10.2025 and
European arrest Warrant NOHD 851/2020 from 01.12.2020, both issued by the Bulgarian judicial authorities against the Bulgarian national [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1978, and with reference to your request for information on prison condition, dated 05.12.2025, please find below the relevant (on both EAW cases) information and assurances.
[…]
The prison in Stara Zagora is an establishment for deprivation of liberty where persons sentenced to imprisonment with a final sentence from the regions of Stara Zagora and Haskovo are accommodated, in accordance with Article 58 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act, and persons detained under the Criminal Procedure Code with a measure or restraint of “detention in custody” imposed in accordance with Article 247, paragraph 1 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act
(…)
I would like to inform you that the following activities were carried out between June 2015 and March 2016: major renovation of the prison building in Stara Zagora, all sleeping quarters were completely renovated in accordance with the requirements of article 3 of the ECHR and article 43 paragraph 4 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act – at least 4 sq m of living space with all necessary furniture, excluding the area of the sanitary facilities. Each sleeping quarter has a separate bathroom with a toilet and running water with 24-hour access, PVC windows that can be opened at any time of the day or night at the discretion of the prisoners in order to provide natural light, airing and natural ventilation. The promises are equipped with standard beds, lockers, hangers, a table and chairs. Artificial illumination is provided by two 2x36 W fluorescent lights. The heating is provided by local heating and cast iron radiators located in the rooms. Each corridor has a room equipped with washbasins and mirrors, a bathroom equipped with showers and a laundry drying room, which are accessible from 6:00 a.m. to 8:00 p.m. every day.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verstrekte detentiegarantie ontoereikend is om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De raadsman verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden en nadere vragen te stellen over de Bulgaarse detentieomstandigheden. De raadsman voert aan dat er geen concrete individuele vierkante meters persoonlijke leefruimte worden gegarandeerd voor de opgeëiste persoon en het onduidelijk is of het sanitair is meegenomen in het aantal berekende vierkante meters. Tot slot wordt niet benoemd op welke specifieke afdeling de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de detentie-instelling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de geboden detentiegarantie het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wegneemt. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in Stara Zagora 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking krijgt. Artikel 11 OLW staat daarom niet langer aan de overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon geplaatst zal worden in de gevangenis in Stara Zagora, waarna in de brief is aangegeven welke garanties daar voor hem gelden. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie blijkt dat voor de opgeëiste persoon aldaar onder meer 4 m2 aan persoonlijke leefruimte exclusief sanitair wordt gegarandeerd. Verder overweegt de rechtbank dat informatie over de plaatsing van de opgeëiste persoon op een specifieke afdeling niet noodzakelijk is. De rechtbank ziet daarom geen redenen om nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court Harmanli, Bulgarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.