RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/139059-25 (zaak A), 13/110380-25 (zaak B) (ttz gev.)
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1]
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Rastegar, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en wat door haar advocaat, mr. A. Wijburg, naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
1 opzetaanranding dan wel schuldaanranding van [benadeelde partij 2] op 6 mei 2025 in [plaats];
2 opzetaanranding dan wel schuldaanranding van [benadeelde partij 1] op 6 mei 2025 in [plaats];
Zaak B
opzetaanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren van [benadeelde partij 3] op 7 maart 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten, te weten tweemaal opzetaanranding en eenmaal opzetaanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, wettig en overtuigend te bewijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de in zaak A ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat verdachte de persoon is die aangeefsters heeft betast. Voor het tenlastegelegde onder zaak B heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Zaak A, feit 1 en feit 2
De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten, te weten tweemaal opzetaanranding, op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit de aangifte van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) volgt dat zij op 6 mei 2025 omstreeks 14.07 uur op de [adres 2] in [plaats] liep. Er kwam een man in tegenovergestelde richting aangelopen en zij voelde dat hij haar bij haar schaamstreek pakte en er in kneep.
Uit de aangifte van [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]) volgt dat zij op 6 mei 2025 omstreeks 14.30 uur op de [straatnaam] in [plaats] liep. Er kwam een man aanlopen en toen hij passeerde voelde zij dat de man in haar rechterbil kneep. Hierna probeerde de man [benadeelde partij 2] te omhelzen wat niet lukte omdat [benadeelde partij 2] zijn hand afwendde.
Anders dan door de raadsvrouw betoogd is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon is die beide aangeefsters heeft betast.
Het signalement van de man zoals omschreven door [benadeelde partij 2] werd, na het delen via politiekanalen, herkend door twee verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Eerder die middag hadden deze verbalisanten contact gehad met verdachte in verband met een winkeldiefstal bij een supermarkt aan het Amstelplein in [plaats]. Het signalement van verdachte – zwarte man met baardje, 170/175 cm lang, zwart bomber jack met witte kraag en rood embleem op de schouder en een Albert Heijn tas – kwam overeen met het signalement zoals gegeven door [benadeelde partij 2]. Daarnaast is vast komen te staan dat verdachte vóór 14.05 uur de winkel had verlaten en verdachte liet toen aan de verbalisanten weten lopend naar zijn woning aan de [adres 1] in [plaats] te gaan. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben vervolgens verdachte kort daarop aangetroffen in zijn woning, een foto van verdachte gemaakt en geconstateerd dat verdachte voldeed aan het signalement zoals genoemd door [benadeelde partij 2] in haar aangifte.
De rechtbank stelt vast dat het signalement zoals omschreven door [benadeelde partij 1] – man, donker getint, zwarte winterjas met rood/wit embleem – gelijkenis vertoont met de foto van verdachte tijdens zijn aanhouding in zijn woning om 14.55 uur die dag.
Overwegende dat verdachte voor 14.05 uur tegen de verbalisanten heeft gezegd dat hij lopend naar huis zou gaan vanaf het Amstelplein, de eerste aanranding volgens [benadeelde partij 1] om 14.05 uur plaatsvond op de [adres 2], de tweede aanranding volgens [benadeelde partij 2] plaastvond rond 14.30 uur op de [straatnaam] en verdachte even daarna werd aangetroffen in zijn woning aan de [adres 1], stelt de rechtbank het volgende vast. Beide aanrandingen hebben plaatsgevonden op de route – in een vrijwel rechte lijn – tussen de winkel aan het Amstelplein en de woning aan de [adres 1] en passen in het tijdsbestek tussen het incident bij de supermarkt en het moment waarop aangeefster [benadeelde partij 2] de aanranding meld, namelijk om 14.30 uur.
Na de melding van [benadeelde partij 2] heeft de politie in de omgeving van de [straatnaam] een zoekslag gemaakt waarbij niemand is aangetroffen die aan het signalement dat [benadeelde partij 2] had gegeven, voldeed.
Gelet op de aangiftes, de signalementen en gezien het feit dat de aanrandingen qua tijdstippen en locaties op de meest logsiche wandelroute van verdachte van de supermarkt naar zijn woning hebben plaatsgevonden, is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte degene is die beide aangeefsters heeft aangerand.
Zaak B
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit, te weten opzetaanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende:
De rechtbank stelt vast dat verdachte [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3]) op 7 maart 2025 heeft aangeraakt. [benadeelde partij 3] heeft in haar aangifte verklaard dat bij het instappen in de tram een man haar naar voren duwde en haar in haar rechterbil kneep.
Deze aangifte wordt ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangeefster met opzet heeft aangeraakt om te kijken ‘hoe zij erin zat’, waarmee hij bedoelde dat hij aangeefster leuk vond en zo wilde peilen of dat wederzijds was.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte:
Zaak A
1
op 6 mei 2025 te [plaats], met een persoon, te weten [benadeelde partij 2], een seksuele handeling heeft verricht, te weten het knijpen in de bil van die [benadeelde partij 2], terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij 2] daartoe de wil ontbrak;
2
op 6 mei 2025 te [plaats], met een persoon, te weten [benadeelde partij 1], seksuele handelingen heeft verricht, te weten het grijpen met zijn hand naar de schaamstreek van die [benadeelde partij 1] en het knijpen in de schaamstreek van die [benadeelde partij 1], terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak;
Zaak B
op 7 maart 2025 te Amsterdam, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [benadeelde partij 3] een seksuele handeling heeft verricht, te weten het aanraken van en het knijpen in de bil.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De twee bewezen geachte feiten in zaak A zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Anders is dat waar het gaat om de strafbaarheid van het in zaak B bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging zijn niet strafbaar gesteld. Weliswaar was [benadeelde partij 3] ten tijde van het bewezenverklaarde 17 jaar oud, echter voor de strafbaarheid op grond van artikel 245 Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van één van de vier gevallen zoals vermeld in het eerste lid van dat artikel. Omdat hiervan niet is gebleken levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit op en dient verdachte hiervoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd in het rapport van 18 december 2025 aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. De officier heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een contactverbod met [benadeelde partij 1] wordt opgelegd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Wat betreft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid moet worden verklaard in het materiële deel van de vordering en dat het immateriële gedeelte kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om – als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, kan zich vinden in een taakstraf en verzoekt de rechtbank de straf te matigen tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf.
De verdediging verzoekt de rechtbank het gevorderde contactverbod met [benadeelde partij 1] niet op te leggen.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan aanranding. Hij heeft aangeefsters op klaarlichte dag en publiekelijk plotseling in de bil en in de schaamstreek geknepen. Door dit handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefsters. Aangeefsters konden zich niet onttrekken aan deze onverhoedse toenaderingen, zij waren beiden erg geschrokken van het incident.
Niet alleen bij de slachtoffers maar ook in de maatschappij veroorzaakt dit seksueel geweld gevoelens van onveiligheid.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Uit de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten van 24 juni 2025 en 18 december 2025 komt – samengevat – naar voren dat een (forse) verstandelijke beperking in combinatie met seksuele behoeften ten grondslag liggen aan het delictgedrag.
Het recidiverisico acht de reclassering hoog en zij adviseert daarom de oplegging van verschillende bijzondere voorwaarden om verdachte te kunnen leiden naar langdurige en passende hulpverlening. De rechtbank kan zich vinden in dit advies.
De rechtbank vindt een taakstraf passend en geboden. Bij de hoogte hiervan heeft de rechtbank meegewogen dat vanwege de verstandelijke beperking van verdachte een taakstraf voor hem zwaarder zal zijn dan voor een gemiddeld persoon. Verder weegt mee dat alleen op twee van de drie bewezenverklaarde aanrandingen straf volgt. Daarom zal de rechtbank bij de straftoemeting afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en verdachte een taakstraf van 80 uur opleggen.
Daarnaast zal de rechtbank verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opleggen en daaraan een proeftijd van 3 jaren met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, zoals de officier van justitie heeft geëist.
Het voorwaardelijke deel dient als een stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden zoals hierboven genoemd en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank wijst het door de officier van justitie verzochte contactverbod met het slachtoffer [benadeelde partij 1] af. Daarbij betrekt de rechtbank het gegeven dat [benadeelde partij 1], evenals [benadeelde partij 2], willekeurig gekozen zijn door verdachte. Verdachte en [benadeelde partij 1] wonen in dezelfde buurt wonen en kennen elkaar niet. Daarom vindt de rechtbank het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht in dit geval niet proportioneel.
8. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 385,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.250,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover die ziet op het materiële gedeelte van het verbruiken van eigen risico over 2026, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het immateriële gedeelte van het verzoek dat gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde voor aangeefster zo voor de hand liggen dat een ‘op andere wijze aantasting in de persoon’ zoals bedoeld in artikel 6:106 BW kan worden aangenomen. De benadeelde partij geeft in de toelichting op haar vordering aan geestelijk letsel te hebben opgelopen als gevolg van het gepleegde feit. De rechtbank acht € 1.000,- een billijke vergoeding voor de immateriële schade.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat haar schade meer bedraagt.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A feit 2 bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.000,- (duizend euro).
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en de maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 241 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A, feit 1 en feit 2
telkens: opzetaanranding.
Verklaart dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit zoals vermeld onder zaak B dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Verklaart het bewezene onder zaak A strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren.
Beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich na oproep bij Reclassering Nederland te [adres 3]. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door Amsta of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich op seksualiteit en delictpreventie en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Meewerken aan ambulante begeleiding
Veroordeelde verleent zijn medewerking aan ambulante begeleiding, ook als dit huisbezoeken inhoudt - uitgevoerd door Amsta of een andere passende zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Indien de reclassering het nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Meewerken aan middelencontrole
Indien de reclassering het nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan controle van het gebruik van alcohol en/of drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen vervangende hechtenis. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en R. Verdonk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.
[...]
[...]