RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/053137-25
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1978 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] ,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. Korver, naar voren hebben gebracht. Namens de benadeelde partij, [persoon 1] , is zijn zoon, [persoon 2] , aanwezig. Hij heeft als gemachtigde van [persoon 1] de vordering toegelicht en spreekrecht uitgeoefend.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting, kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 17 februari 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
primair een poging tot moord dan wel doodslag (impliciet subsidiair) van [persoon 1] door hem meermaals met een mes te steken;
subsidiair zware mishandeling met voorbedachten rade van [persoon 1] door hem meermaals met een mes te steken;
meer subsidiair een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [persoon 1] door hem meermaals met een mes te steken.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Verdachte en [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) hadden op de dag van het feit een woordenwisseling. [persoon 1] is naar aanleiding van deze woordenwisseling naar verdachte toegegaan en heeft hem een harde duw gegeven. Verdachte is hierdoor in ieder geval uit balans geraakt. Verdachte heeft een mes gepakt en heeft [persoon 1] hiermee meermaals gestoken.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaarde van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit en van de voorbedachten rade van het meer subsidiaire feit. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van enig feit, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij uit noodweerexces heeft gehandeld.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak voorbedachten rade
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank zal hem dan ook van dit onderdeel vrijspreken.
Poging doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met zijn steken opzet heeft gehad op de dood van [persoon 1] . Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [persoon 1] . De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [persoon 1] . Hiervoor moet er sprake zijn van een aanmerkelijke kans op de dood door het handelen van verdachte, die hij bewust heeft aanvaard.
De rechtbank oordeelt dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [persoon 1] heeft opgeleverd. Er was namelijk op het moment van steken sprake van een dynamische situatie waarbij verdachte en [persoon 1] dicht bij elkaar stonden. Verdachte heeft toen ongecontroleerd over de gehele romp en in de hals van [persoon 1] gestoken. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte hierbij gebruik heeft gemaakt van een stanleymes. Dit heeft verdachte verklaard en past ook binnen de omgeving waar verdachte zich bevond, namelijk een fietsenwerkplaats, waar veelvuldig gebruik wordt gemaakt van stanleymessen. Een stanleymes is erg scherp. Met name het steken in de hals met dit stanleymes levert een aanmerkelijke kans op de dood op. In de hals bevinden zich immers slagaders die oppervlakkig onder de huid liggen. Daarbij blijkt uit het letsel van [persoon 1] dat verdachte zeker enige kracht heeft gebruikt bij het steken. De oorlel van [persoon 1] is door het steken namelijk los komen te liggen. Door dit mes met deze kracht te gebruiken had verdachte ook gemakkelijk een slagader in de hals, vlak onder het oor, kunnen raken. Daarbij heeft verdachte ook nog in de rug, buik en arm van [persoon 1] gestoken. Deze combinatie van alle steekwonden levert dan ook de aanmerkelijke kans op de dood op.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het teweegbrengen van de dood dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Ontbreken noodweersituatie
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de duw van [persoon 1] door hem bij zijn kraag werd vastgepakt. De raadsman heeft gesteld dat verdachte door die gedragingen, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Op grond van de verschillende getuigenverklaringen gaat de rechtbank uit van een andere situatie dan verdachte heeft geschetst. Niet is gebleken dat [persoon 1] verdachte bij de kraag heeft gepakt, daarin staat zijn verklaring op zichzelf. Alleen is komen vast te staan dat [persoon 1] een harde duw aan verdachte heeft gegeven, die verdachte aan het wankelen heeft gebracht. Daarna is het verdachte geweest die aangever heeft aangevallen met het mes. Onder deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.
Het verweer wordt verworpen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 17 februari 2025 te Amsterdam, om [persoon 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals met een mes heeft gestoken in het oor en de hals en arm en rug en buik, van die [persoon 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte poging doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport van 25 november 2025.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank, indien zij tot een strafoplegging komt, dient te volstaan met een onvoorwaardelijke strafdeel dat gelijk is aan de periode van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft geprobeerd zijn collega op het werk te doden door hem onder meer in de hals, buik en rug te steken. Dit is een bijzonder ernstig feit. Hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van [persoon 1] . Uit de slachtofferverklaring van [persoon 1] blijkt dat hij hier tot op heden fysieke en mentale last van ondervindt. Wel neemt de rechtbank in haar overweging mee dat het slachtoffer zelf als eerste de fysieke confrontatie met verdachte heeft opgezocht en dat het lichamelijke letsel beperkt is gebleven. Ook heeft dit incident grote impact gehad op de collega’s, die getuige waren van het steken. Een werkplek hoort voor een ieder veilig te zijn.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de rapporten van de Reclassering Nederland van 31 juli 2025 en 25 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de hieraan gekoppelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden en inziet dat hij nog steeds niet helemaal begrijpt hoe het zo is geëscaleerd tussen hem en het slachtoffer. Verdachte is daarom ook bereid hulp te aanvaarden en mee te werken aan een behandeling.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Zij zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen die door de reclassering geadviseerd zijn.
Gelet op hetgeen in rubriek 3 is omschreven, zijn de ernstige bezwaren onverkort aanwezig. Nu verdachte onderhavig feit onder zeer specifieke omstandigheden heeft gepleegd en hij niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld, oordeelt de rechtbank dat zolang verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden houdt er niet langer sprake is van een recidivegevaar. De rechtbank ziet – met de officier van justitie – geen reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
8. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [persoon 1] vordert na vermindering van de vordering een vergoeding aan materiële schade van € 385,- en daarnaast een vergoeding van immateriële schade tussen de € 45.000,- en € 100.000,- aan te vermeerderen met de wettelijke rente onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is op dit onderdeel niet betwist. Deze gevorderde schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.
De hoogte van de vordering is op de terechtzitting betwist. De rechtbank oordeelt dat in de vordering niet is onderbouwd welke schade precies is geleden en welk bedrag de benadeelde partij hieraan verbindt. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en begroot de immateriële schade naar billijkheid op € 2.500,-.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op nu de vordering van benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en het gevorderde bedrag onvoldoende duidelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen over het totale toegewezen bedrag van € 2.885,- (achtentwintighonderdvijfentachtig euro) vanaf de datum dat de schade is geleden (17 februari 2025).
Daarnaast zal de rechtbank de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op binnen 5 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 1963 te [geboorteplaats 2] in [geboorteland] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
Veroordeelde bevindt zich niet bij de vestiging van [adres 2] aan de [adres 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Veroordeelde neemt, indien nodig wordt geacht door behandelaren en/of reclassering, actief deel aan de gedragsinterventie CovA (plus) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 385,- (driehonderdvijfentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 2.885,- (achtentwintighonderdvijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 28 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en R. Verdonk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.
[...]