ECLI:NL:RBAMS:2026:7543

ECLI:NL:RBAMS:2026:7543

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-06-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer C/13/767725
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

tussenvonnis. Misbruik van omstandigheden (3:44 BW). Geen schenkingsovereenkomst in de zin van artikel 7:175 BW. Daarnaast afgifte van verschillende zaken gevorderd (5:2 BW). Meerdere bewijsopdrachten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/767725 / HA ZA 25-943

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats 2] (Verenigde Staten van Amerika),

beiden in hun hoedanigheid van erfgenamen/rechtsopvolgers van [erflater] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

hierna te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. R. Gardeslen,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 4] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. K. van Barneveld-Peters.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 3 en 8 april 2024 met producties,

- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid en niet-ontvankelijk verklaring en tevens conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie met producties,- de conclusie van antwoord in het incident met producties

- de executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater] (erflater) heeft op 25 augustus 2025 verklaard dat de gezamenlijke erven instemmen met het voortzetten van de gerechtelijke procedure en hij mr. Gardeslen daartoe opdracht heeft gegeven,

- het vonnis in het incident van 24 september 2025, waarbij de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te nemen,

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 april 2026, met de daarin genoemde stukken en de daaraan gehechte zittingsaantekeningen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

Wijlen [erflater] (hierna: [erflater] ) was sinds circa 1987 tot aan haar overlijden de levensgezel van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Zij waren niet met elkaar gehuwd en tussen hen bestond geen geregistreerd partnerschap.

[eisers] zijn de zoons van [erflater] (uit een eerdere relatie) en tevens gezamenlijk de enige wettelijke erfgenamen van [erflater] . [gedaagden] zijn de biologische kinderen van de zus ( [naam 2] ) van [naam 1] . [gedaagden] zijn de enige wettelijke erfgenamen van [naam 1] .

In 2018 is [naam 1] naar Bonaire verhuisd. Tot dat moment woonde [naam 1] alleen in haar woning aan de [straat] in [plaats 1] .

Op 6 juni 2019 heeft [erflater] bij leven het (blote) eigendom van een woning, gelegen in [plaats 2] in Bonaire, plaatselijk bekend als [woning 1] (hierna: [woning 1] ) aan [naam 1] geleverd, onder last van een eeuwigdurend vruchtgebruik ten behoeve van [erflater] , waarbij de op USD 560.000,- bepaalde koopsom is omgezet in een geldlening.

Op 14 april 2020 heeft [erflater] aan [naam 1] een bedrag van USD 630.000,- geschonken ter voldoening van een natuurlijke verbintenis en dringende morele verplichting om [naam 1] zo verzorgd mogelijk achter te laten, waarbij in de akte tevens is bepaald dat de schenking wordt verrekend met de hiervoor onder 2.4 bedoelde geldlening.

In het voorjaar van 2023 is [naam 1] plotseling ernstig ziek geworden. Om afscheid van haar te kunnen nemen, waren [gedaagden] omstreeks het overlijden van [naam 1] op Bonaire. In die periode heeft [erflater] op enig moment de toegang van [gedaagden] tot [naam 1] beperkt, in die zin dat zij haar alleen mochten bezoeken op momenten dat [erflater] niet aanwezig was.

Op 1 juli 2023 heeft [erflater] – voor zover hier relevant – het volgende aan [gedaagden] gemaild:

(…)

Ter afronding een samenvatting van wat we afgelopen donderdag de 29e juni 2023 hebben afgesproken inzake de erfenis van [erflater] .

Inzake [woning 1] hebben we afgesproken dat na onverhoopt overlijden van [naam 1] het huis [woning 1] zal worden geschonken aan [naam 3] , middels notarieele akte, waarbij alle daarmee samenhangende kosten en belastingen zullen worden gedragen door [naam 3] . (…)

Als reactie op de e-mail van [erflater] , hebben [gedaagden] op 1 juli 2023 – voor zover hier relevant – het volgende aan [erflater] laten weten:

“(…) Wij zijn hier voor [naam 1] en voor niks anders. (…) Zij is onze tweede moeder. Dat weet je, dat erken je, dat heb je al die tijd ondersteund. Daarom moeten wij, daarom willen wij, zoals dat gaat met zulke naaste familie, tot en met haar einde met en bij haar kunnen zijn, zonder dat jij daar beperkingen aan stelt Je kunt [naam 1] en ons dat simpelweg uit menselijk oogpunt niet ontnemen. (…) Als wij, zoals jij eist, daarvoor moeten afzien van [woning 1] , dan doen we dat. Het gaat ons immers om [naam 1] (…) Vanzelfsprekend zullen wij op generlei wijze opdraaien voor welke kosten dan ook, die voortvloeien uit de overdracht van [woning 1] aan jou, waaronder in ieder geval de overdrachtsbelasting en de notariskosten. En natuurlijk moet je ook de successierechten ervan voor je rekening nemen. (…) Als er naast [naam 1] en [naam 2] iemand is die weet hoeveel [naam 1] voor ons betekent en wij voor haar, dan ben jij het. Dat juist jij deze sterke band gebruikt als middel om jullie doel te bereiken, zonder enig respect en begrip voor onze gevoelens, kunnen wij niet begrijpen. We worden gewoon emotioneel gechanteerd.”

Op 26 juli 2023 is [naam 1] overleden.

Bij brief van 26 april 2024 hebben [gedaagden] de overeenkomst tot teruglevering van [woning 1] vernietigd op grond van dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.

In maart 2025 hebben [erflater] en [gedaagden] per e-mail contact gehad over de nalatenschap van [naam 1] . Op 22 maart 2025 heeft [erflater] per e-mail – voor zover hier relevant – het volgende aan [gedaagden] laten weten:

(…)

het ronde hoofd heb ik gekocht en betaald in [plaats 3]

3x donald judd werken heb ik betaald en in bezit

het olifanfte heb ik n b via veiling gekocht en betaald desgewenst kan dit terug

alhoewel ik niet overtuigd ben is status van het beeld van t paaseiland enigszins diffuus ben ik bereid dit af te staan

lijsten met grafiek heb ik betaald en in z bezit evenals wit schoonhoven.

(…)

[erflater] is, hangende deze procedure, op 8 april 2025 overleden.

Na het overlijden van [erflater] heeft de executeur in de nalatenschap van [erflater] een lijst opgesteld van roerende zaken die volgens [gedaagden] aan [naam 1] toebehoorden. Op die lijst heeft de executeur – voor zover hier relevant – vermeld dat drie werken van Donald Judd, de lijsten met grafiek [de rechtbank begrijpt: de werken van Mangold], het kunstwerk van Schoonhoven, het beeld van een hoofd (rond), het beeld van een olifant en het beeld van Paaseiland door [erflater] als zijn eigendom zijn aangemerkt. Voor wat betreft de Citroën DS 23 modelauto, de beige driezitsbank en het bed/matras heeft de executeur aangegeven dat deze niet zijn getraceerd.

3. Het geschil in conventie

[eisers] vorderen, als de erfgenamen van [erflater] en als zijn rechtsopvolgers onder algemene titel, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en samengevat weergegeven, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] :

I. tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, door uiterlijk binnen vier weken na het te wijzen vonnis mee te werken aan de teruglevering aan [eisers] van de woning [woning 1] op straffe van een dwangsom;

II. in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

[eisers] hebben de vordering zoals gezegd overgenomen van [erflater] en gronden hun vordering, samengevat weergegeven, op een tussen [erflater] met [gedaagden] gemaakte afspraak, ter naleving van de wens van [naam 1] , om de woning aan [erflater] terug te leveren. De aanvankelijke levering van de woning van [erflater] aan [naam 1] was bedoeld om in het geval van zijn overlijden, [erflater] was immers 16 jaar ouder dan [naam 1] , [naam 1] zo verzorgd mogelijk achter te laten. Onverwacht is echter [naam 1] degene geweest die ziek werd en als eerste is komen te overlijden. Het was daarom de wens van [naam 1] om de woning terug te leveren aan [erflater] . Omdat [naam 1] daartoe niet meer in staat was heeft [erflater] een afspraak met [gedaagden] als beoogde erfgenamen van [naam 1] gemaakt, om de woning aan hem terug te leveren tegen betaling van de notariskosten, de overdrachtsbelasting en successierechten. In deze procedure wordt nakoming van die afspraak gevorderd.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer en verzoeken [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren of de vorderingen af te wijzen. Zij betwisten dat er een geldige afspraak/overeenkomst tot teruglevering van de woning tot stand is gekomen dan wel beroepen zij zich erop, onder verwijzing naar artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en voeren aan dat deze overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden, dwaling, bedrog dan wel bedreiging.

4. Het geschil in reconventie

[gedaagden] vorderen – na vermindering van eis ten aanzien van de foto [locatie] – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht te verklaren dat van een geldige overeenkomst van schenking van de woning geen sprake is, dan wel dat deze is vernietigd;

II. de veroordeling van [eisers] tot afgifte van de goederen uit de nalatenschap van [naam 1] die zich nog onder hen bevinden zoals benoemd in randnummer 47 van de conclusie van eis in reconventie;

III. de veroordeling van [eisers] in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

[gedaagden] voeren, zoals reeds in conventie naar voren is gebracht, aan dat er geen rechtsgeldige overeenkomst tot schenking, teruglevering en/of afgifte van de woning tot stand is gekomen. Voor zover wel sprake zou zijn van een (schenkings)overeenkomst, dan hebben [gedaagden] de overeenkomst rechtsgeldig vernietigd vanwege misbruik van omstandigheden, bedreiging en bedrog dan wel dwaling. Verder stellen [gedaagden] dat [eisers] nog beschikken over een aantal zaken die tot de nalatenschap van [naam 1] behoren. Die zaken dienen [eisers] aan [gedaagden] af te geven.

[gedaagden] vorderen, zoals vermeld in randnummer 47 van de conclusie van de eis in reconventie, afgifte van de volgende zaken:

drie kunstwerken van Mangold (uit een multiple oplage, gesigneerd);

vier werken van Donald Judd;

een (uniek werk/reliëf van) Schoonhoven, ongeveer 70 x 70 cm, waarschijnlijk met zwarte lijst;

beige driezitsbank;

bed en matras;

beeld van Paaseiland;

beeld hoofd (rond);

Citroën DS 23 modelauto;

olifant beeld.

[eisers] voeren gemotiveerd verweer en verzoeken de vorderingen van [gedaagden] af te wijzen. Zij betwisten dat er grond is voor buitengerechtelijke vernietiging en stellen dat [gedaagden] de overeenkomst, die niet ziet op een schenking maar op een teruglevering met een tegenprestatie, moeten nakomen. Daarnaast betwisten [eisers] dat zij nog roerende zaken aan [gedaagden] moeten afgeven. De zaken waarvan [gedaagden] afgifte vorderen, behoorden namelijk in eigendom toe aan [erflater] . Bovendien was het merendeel van de zaken in bezit van [erflater] , zodat wordt vermoed dat hij daarvan de eigenaar was (artikel 3:119 BW).

5. De beoordeling

In conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.

Er is een overeenkomst tot stand gekomen tussen [erflater] en [gedaagden]

Tussen partijen staat ter discussie of een (rechtsgeldige) overeenkomst tussen [erflater] en [gedaagden] tot stand is gekomen. De rechtbank volgt [eisers] in hun betoog dat dit het geval is. In dat kader wordt het volgende overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat sprake is van twee op elkaar aansluitende rechtshandelingen: aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW). Voor het bestaan van een rechtshandeling is noodzakelijk dat er een op een rechtgevolg gerichte wil is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW).

Ter onderbouwing van hun standpunt dat een overeenkomst tot stand is gekomen, hebben [eisers] aangevoerd dat de teruglevering van [woning 1] een wens was van [naam 1] en dat [erflater] dit na het overlijden van [naam 1] met [gedaagden] is overeengekomen, hetgeen door [gedaagden] is bevestigd hun e-mail van 1 juli 2023.

[gedaagden] hebben hiertegen ingebracht dat hun wil aan de instemming met teruglevering van [woning 1] ontbrak, omdat zij zich daartoe gedwongen voelden. Daaruit leidt de rechtbank af dat [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat de e-mail van 1 juli 2023 geen uitdrukking was van een op de teruglevering van [woning 1] gerichte wil, zodat niet is voldaan aan de eisen van artikel 3:33 BW en er geen overeenkomst tussen [erflater] en [gedaagden] tot stand kan zijn gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de e-mailwisseling van 1 juli 2023 tussen [erflater] en [gedaagden] duidelijk. Daaruit is af te leiden dat [gedaagden] hebben ingestemd met de teruglevering van [woning 1] aan [erflater] , tegen betaling van de daarmee samenhangende kosten en successierechten. Niet is gebleken dat hun wil daarmee niet in overeenstemming was. Dat [gedaagden] zich destijds mogelijk gedwongen voelden om in te stemmen met teruglevering van [woning 1] aan [erflater] , maakt dat niet anders. In onderhavig geval kan dat namelijk hoogstens tot de conclusie leiden dat de wil van [gedaagden] tot het terugleveren van [woning 1] op een gebrekkige wijze is gevormd, oftewel: dat sprake kan zijn geweest van een wilsgebrek. De overeenkomst is dan wel tot stand gekomen.

[gedaagden] hebben verder nog aangevoerd dat ook vanwege het ontbreken van een geldige titel en beschikkingsbevoegdheid, geen overeenkomst tussen [erflater] en [gedaagden] tot stand kan zijn gekomen. De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet.

Een geldige titel, die doorgaans voortvloeit uit een overeenkomst, en beschikkingsbevoegdheid zijn vereisten voor eigendomsoverdracht in de zin van artikel 3:84 BW. Dat ligt hier niet ter beoordeling voor. Dat beschikkingsbevoegdheid op het moment van de overeenkomst (nog) niet bestond doet niet af aan de geldigheid van de overeenkomst. Het gebrek aan beschikkingsbevoegdheid wordt pas een probleem bij de levering van de zaak.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [erflater] en [gedaagden] tot teruglevering van [woning 1] , tegen betaling van de daarmee samenhangende overdrachtsbelasting, notariskosten en de successierechten over [woning 1] (hierna: de Overeenkomst).

Er is geen sprake van een schenkingsovereenkomst

Wat partijen verder verdeeld houdt, is of de Overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een schenkingsovereenkomst in de zin van artikel 7:175 BW. De rechtbank is van oordeel dat van een schenking geen sprake is. Daartoe is het volgende redengevend.

Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van het eigen vermogen van de andere partij, de begiftigde, verrijkt (artikel 7:175 lid 1 BW).

Vaststaat dat de teruglevering van de woning zou plaatsvinden tegen betaling van de daarmee gepaard gaande overdrachtsbelasting en notariskosten. Daarnaast zou [erflater] de successierechten voor zijn rekening nemen. De rechtbank volgt [gedaagden] niet in hun standpunt dat daarmee sprake is van een overeenkomst om niet. De tegenprestatie die [erflater] zou leveren vertegenwoordigt namelijk een substantiële waarde. Het is een feit van algemene bekendheid dat een woning een aanzienlijke waarde heeft. De overdrachtsbelasting en de successierechten betreffen aan de fiscus verschuldigde bedragen die worden afgeleid van die waarde. De stelling van [gedaagden] dat de tegenprestatie te verwaarlozen is, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten voor een schenking in de zin van artikel 7:175 BW. Dat [erflater] in zijn e-mail van 1 juli 2023 de Overeenkomst zelf een schenking heeft genoemd, maakt het voorgaande niet anders. Beoordeeld moet worden of de Overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van artikel 7:175 BW. Dat is hier niet het geval. Daarmee moet het gedeelte van de vordering van [gedaagden] om voor recht te verklaren dat van een rechtsgeldige schenkingsovereenkomst geen sprake is, worden afgewezen.

Is sprake van misbruik van omstandigheden? Nog te bewijzen feiten

Subsidiair stellen [gedaagden] dat de Overeenkomst onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en dat zij de Overeenkomst op grond van artikel 3:44 BW buitengerechtelijk hebben vernietigd. In dit kader wordt het volgende overwogen.

Degene die onder invloed van misbruik van omstandigheden een rechtshandeling verricht, heeft weliswaar de wil om die rechtshandeling tot stand te brengen, maar in dat geval is die wil op een gebrekkige wijze gevormd. De verrichte rechtshandeling is dan vernietigbaar op grond van artikel 3:44 lid 1 BW. Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden moet vast komen te staan dat iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen daarvan bevordert, ondanks dat hij weet of moet begrijpen dat die omstandigheden hem daar juist van hadden behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). De partij die zich op misbruik van omstandigheden beroept, draagt daarvan op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast.

[gedaagden] hebben verschillende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgens hen volgt dat de overeenkomst onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Zo stellen zij dat [erflater] de toegang tot [naam 1] in de laatste fase van haar leven heeft beperkt, in die zin dat [gedaagden] alleen bij [naam 1] mochten zijn als [erflater] niet aanwezig was. Pas als [gedaagden] zouden instemmen met teruglevering van [woning 1] aan [erflater] , zou [erflater] hen weer de onbeperkte toegang tot [naam 1] verlenen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat dit de voortdurende en reële onzekerheid met zich meebracht dat zij geen afscheid zouden kunnen nemen van [naam 1] , terwijl [naam 1] als een tweede moeder was voor [gedaagden] Zoals ook blijkt uit hun e-mail van 1 juli 2023, maakte dit vooruitzicht volgens [gedaagden] dat zij niet anders konden dan instemmen met de teruglevering van [woning 1] . [erflater] was zich ervan bewust wat het niet kunnen nemen van afscheid van [naam 1] voor [gedaagden] zou betekenen. Van die omstandigheden heeft hij misbruik gemaakt, aldus [gedaagden]

[eisers] betwisten dat van misbruik van omstandigheden sprake is. Zij voeren daartoe aan dat [erflater] de toegang tot [naam 1] slechts heeft beperkt en dat [erflater] niet verplicht was om [gedaagden] de onbeperkte toegang tot [naam 1] te verlenen. [gedaagden] konden [naam 1] nog steeds iedere dag bezoeken. Verder brengen [eisers] naar voren dat niet de beperking in toegang, maar de wens van [naam 1] om [woning 1] aan [erflater] terug te leveren voor [erflater] de reden was om de Overeenkomst te sluiten. Dat die wens bij [naam 1] bestond, onderbouwen [eisers] met een verklaring van de makelaar van [naam 1] en [erflater] , mevrouw [naam 4] . In het licht van die omstandigheden kan volgens [eisers] niet worden geoordeeld dat [gedaagden] enkel hebben ingestemd met teruglevering van [woning 1] om toegang tot [naam 1] te kunnen krijgen, aldus [eisers]

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] in een afhankelijkheidspositie verkeerden ten opzichte van [erflater] . [erflater] kon immers bepalen wie (en in welke mate) toegang had tot [naam 1] . Niet in geschil is dat [erflater] de toegang van [gedaagden] tot [naam 1] in de periode rondom haar overlijden heeft beperkt. Wat partijen hier echter verdeeld houdt, is of [erflater] die toegang destijds afhankelijk heeft gesteld van de voorwaarde dat [gedaagden] [woning 1] aan [erflater] zouden leveren. Dat dit het geval was, is af te leiden uit de e-mail van 1 juli 2023, waarin [gedaagden] het volgende aan [erflater] hebben laten weten: “daarom willen wij, zoals dat gaat met zulke naaste familie, tot en met haar einde met en bij haar kunnen zijn, zonder dat jij daar beperkingen aan stelt” en “als wij, zoals jij eist, daarvoor moeten afzien van [woning 1] , dan doen we dat (...)We worden gewoon emotioneel gechanteerd ”. Dit vindt bevestiging in het feit dat [erflater] de beperking in de toegang tot [naam 1] na totstandkoming van de Overeenkomst heeft opgeheven, wat onderschrijft dat de toegang tot [naam 1] daarvan afhankelijk was. [eisers] hebben hier slechts tegen ingebracht dat [erflater] niet gehouden was om [gedaagden] de onbeperkte toegang tot zijn woning te verlenen. Daarmee hebben zij de stelling van [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat vaststaat dat [erflater] de teruglevering van [woning 1] destijds als voorwaarde heeft gesteld voor de vrije toegang tot [naam 1] .

De vraag die vervolgens voorligt, is of de voornoemde bijzondere omstandigheden [gedaagden] hebben bewogen tot het sluiten van de Overeenkomst. De rechtbank begrijpt de stelling van [eisers] dat [gedaagden] de Overeenkomst zijn aangegaan om een wens van [naam 1] te honoreren zo, dat zij zich op het standpunt stellen dat [gedaagden] de Overeenkomst ook onder normale omstandigheden zouden zijn aangegaan. Daarmee hebben [eisers] de aanwezigheid van het causaal verband tussen de bijzondere omstandigheden en de Overeenkomst voldoende gemotiveerd betwist. [gedaagden] beroepen zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van een vernietigingsgrond (misbruik van omstandigheden) en zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld om feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de beperking van toegang tot [naam 1] in de periode rondom haar overlijden [gedaagden] ertoe heeft bewogen de Overeenkomst te sluiten, en dat zij de Overeenkomst onder andere omstandigheden niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden zijn aangegaan.

Indien en voor zover na bewijslevering vast komt te staan dat een causaal verband bestaat tussen de beperking van de toegang tot [naam 1] door [erflater] en de Overeenkomst, dan moet nog worden beoordeeld of dit bij [erflater] kenbaar was of redelijkerwijs kenbaar had moeten zijn, en hij de Overeenkomst desondanks heeft bevorderd. In dit kader acht de rechtbank ook van belang of [gedaagden] door de teruglevering van [woning 1] worden benadeeld. Ook ten aanzien daarvan dragen [gedaagden] de bewijslast. Het voorgaande maakt dat, als [gedaagden] er naar het oordeel van de rechtbank in slagen het causale verband tussen de beperking in toegang tot [naam 1] en de Overeenkomst te bewijzen en als zij bewijzen dat dit bij [erflater] kenbaar was of redelijkerwijs kenbaar had moeten zijn, aan de vereisten voor misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW is voldaan. In dat geval zouden [gedaagden] de Overeenkomst terecht hebben vernietigd.

Geen sprake van bedreiging, bedrog en/of dwaling

Mochten [gedaagden] er niet in slagen bewijs te leveren van hun stelling dat van misbruik van omstandigheden sprake is, dan zal nog moeten worden beoordeeld of de Overeenkomst onder invloed van bedreiging, bedrog en/of dwaling tot stand is gekomen, zoals [gedaagden] meer subsidiair hebben aangevoerd. Die stellingen hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd. De verklaring voor recht dat de Overeenkomst op grond van deze wilsgebreken rechtsgeldig is vernietigd, zal niet worden gegeven.

De roerende zaken waarvan afgifte wordt gevorderd

Verder staat tussen partijen ter discussie of de roerende zaken waarvan [gedaagden] in reconventie afgifte vorderen aan [naam 1] toebehoorden. Volgens [eisers] was niet [naam 1] , maar [erflater] de rechthebbende van die roerende zaken. De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat [gedaagden] als enig erfgenamen van [naam 1] onder algemene titel eigenaar zijn geworden van de zaken die aan [naam 1] toebehoorden. Op grond van artikel 5:2 BW is de eigenaar van een zaak bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Nu [eisers] hebben bestreden dat [gedaagden] eigenaar zijn van de zaken waarvan zij in reconventie afgifte vorderen, dienen [gedaagden] op grond van artikel 150 Rv voldoende feiten te stellen en bewijzen waaruit het ontstaan van hun eigendomsrecht volgt. In dit kader spelen onder meer de wettelijke bewijsvermoedens uit artikel 3:109 BW en 3:119 BW een rol. Degene die een goed houdt, wordt op grond van artikel 3:109 BW vermoed dit voor zichzelf te houden. Uit artikel 3:107 BW volgt dat bezit het houden van een goed voor zichzelf is en op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter vermoed rechthebbende te zijn. Tegen dit vermoeden staat tegenbewijs vrij. De wederpartij zal dan zijn beter recht moeten bewijzen, wat hij bijvoorbeeld kan doen door aan te tonen dat hij (of zijn rechtsvoorganger) op enig moment eigenaar is geworden en dat sindsdien is gebleven.

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens beoordelen of [gedaagden] voldoende feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht waaruit blijkt dat de zaken waarvan zij in deze procedure afgifte vorderen, aan [naam 1] toebehoorden. Daarvoor is niet doorslaggevend wie de zaken heeft betaald, dat is slechts een aanwijzing. Indien [erflater] een zaak expliciet voor [naam 1] heeft gekocht, moet dit worden aangemerkt als een schenking, zodat die zaak in de nalatenschap van [naam 1] valt.

Drie werken van Mangold, vier werken van Judd, een werk van Schoonhoven – nader bewijs te leveren

[gedaagden] hebben aangevoerd dat [naam 1] de werken van Mangold, Judd en Schoonhoven (hierna: de werken) in de jaren negentig heeft gekocht of omstreeks die periode aan haar zijn geschonken en dat de werken tot aan de verhuizing naar Bonaire in haar woning in [plaats 1] hebben gehangen. [gedaagden] hebben dit onderbouwd met een verklaring van [naam 2] en met verschillende foto’s.

[eisers] stellen daar tegenover dat [erflater] de werken heeft betaald en dat hij bij leven heeft verklaard dat de werken zijn eigendom waren, hetgeen volgens [eisers] onder meer volgt uit de lijst die de executeur van de nalatenschap van [erflater] heeft opgemaakt. Verder hebben [eisers] aangevoerd dat [erflater] bezitter was van de werken, zodat op grond van artikel 3:119 BW wordt vermoed dat hij de rechthebbende was.

Vaststaat dat de werken zich, voorafgaand aan en ten tijde van zijn overlijden, in de woning(en) van [erflater] bevonden. Daarmee wordt op grond van artikel 3:119 BW vermoed dat [erflater] de rechthebbende was. Dat betekent dat [gedaagden] hun beter recht moeten bewijzen. [gedaagden] zijn daar vooralsnog niet in geslaagd. Weliswaar heeft [naam 2] verklaard dat de werken van [naam 1] waren, maar die enkele verklaring is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende. Dit te meer nu uit de overige stukken en de foto’s die [gedaagden] in het geding hebben gebracht niet is af te leiden dat de werken zich tot de verhuizing naar Bonaire steeds in de woning van [naam 1] hebben bevonden. De rechtbank zal [gedaagden] daarom in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren dat [naam 1] eigenaar was van de werken.

Als [gedaagden] slagen in deze bewijsopdracht, staat vast dat niet [eisers] , maar [gedaagden] eigenaar zijn geworden van de werken. Nu reeds vaststaat dat de werken zich onder [eisers] bevinden, zullen zij in dat geval worden veroordeeld tot afgifte daarvan. Slagen [gedaagden] niet in het bewijs, dan zal de vordering tot afgifte van de werken worden afgewezen.

Beige driezitsbank, een bed en een matras – nader bewijs te leveren

[gedaagden] stellen verder dat [naam 1] eigenaar was van een beige driezitsbank en een bed en matras, die zich nog in een van de huizen op Bonaire moeten bevinden. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagden] een foto van een bank in het geding gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat de beige driezitsbank en het bed en matras voorafgaand aan de verhuizing naar Bonaire in de woning van [naam 1] stonden.

[eisers] betwisten dat deze spullen aan [naam 1] toebehoorden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] verklaard dat de bank, het bed en matras mogelijk op Bonaire aanwezig zouden kunnen zijn, maar dat niet zeker is.

Op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, kan de rechtbank vooralsnog niet vaststellen of [naam 1] eigenaar was van een beige driezitsbank, bed en matras en of die voorwerpen zich op het moment onder [eisers] bevinden. De foto van de bank geeft daarover onvoldoende uitsluitsel. Nu de stelplicht en bewijslast op dit punt op [gedaagden] rusten, zal de rechtbank [gedaagden] in de gelegenheid stellen om feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [naam 1] eigenaar was van een beige driezitsbank, bed en matras en dat die zaken zich onder [eisers] bevinden.

Als [gedaagden] slagen in deze bewijsopdracht, staat vast dat zij eigenaar zijn geworden van de bank, het bed en de matras en dat deze zaken zich onder [eisers] bevinden en moeten deze spullen worden afgegeven aan hen. Slagen [gedaagden] niet in het bewijs, dan zal de vordering tot afgifte worden afgewezen.

Beeld van een hoofd (rond) – nader bewijs te leveren

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat [naam 1] eigenaar was van een beeld van een hoofd (rond), wat zij in de afgesloten kas naast het tiny house op Bonaire hebben zien staan.

[eisers] hebben hier tegen ingebracht dat [erflater] het beeld heeft gekocht en het daarom zijn eigendom was. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] toegelicht dat het beeld zich nog op Bonaire bevindt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het beeld zich, voorafgaand aan en ten tijde van zijn overlijden, in de bij het tiny house behorende kas bevond. Daarmee wordt op grond van de wet vermoed dat dit beeld aan [erflater] toebehoorde (artikel 3:119 BW). De enkele stelling van [gedaagden] dat het beeld van [naam 1] was en in de kas stond, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat dit beeld van [naam 1] was. [gedaagden] zullen daarom nog in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van het eigendom van [naam 1] van het beeld van een hoofd (rond).

Als [gedaagden] slagen in deze bewijsopdracht, zal de vordering tot afgifte worden toegewezen. Slagen [gedaagden] niet in het bewijs, dan zal de vordering tot afgifte van het beeld worden afgewezen.

Beeld van Paaseiland en beeld van een olifant - afgifte

[gedaagden] vorderen eveneens afgifte van een beeld van Paaseiland en een beeld van een olifant. Zij voeren daartoe onder meer aan dat [erflater] per e-mail van 22 maart 2025 heeft toegezegd dat [gedaagden] de beelden zouden krijgen.

[eisers] stellen hier tegenover dat de beelden in eigendom aan [erflater] toebehoorden, nu hij beide beelden heeft betaald en die in zijn bezit waren.

Ten aanzien van het beeld van Paaseiland en het beeld van een olifant staat eveneens vast dat die zich in de woning van [erflater] op Bonaire bevonden (en daar nog steeds aanwezig zijn), zodat op grond van de wet wordt vermoed dat [erflater] daarvan de rechthebbende was (artikel 3:119 BW). Echter, met de e-mail van [erflater] van 22 maart 2025 hebben [gedaagden] dat vermoeden naar het oordeel van de rechtbank voldoende weerlegd. Daaruit blijkt immers dat [erflater] bij leven heeft verklaard dat hij vond dat het beeld van Paaseiland en het beeld van de olifant aan [naam 1] en daarmee inmiddels aan [gedaagden] toekwamen. [eisers] hebben verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt, zodat zij hun standpunt dat [erflater] de rechthebbende was van de beelden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende hebben onderbouwd.

Met het voorgaande is komen vast te staan dat [gedaagden] eigenaar zijn van het beeld van Paaseiland en het beeld van een olifant. Zodoende hebben zij recht op afgifte van deze beelden. Nu vaststaat dat de beelden zich onder [eisers] bevinden, zal de vordering tot afgifte ten aanzien van het beeld van Paaseiland en het beeld van een olifant worden toegewezen.

Citroën DS 23 modelauto – wordt afgewezen

Tot slot stellen [gedaagden] dat [naam 1] ook eigenaar was van een Citroën DS 23 modelauto (hierna: de modelauto), maar dat zij die modelauto tot op heden nog niet van [eisers] hebben ontvangen. Volgens [gedaagden] stond de modelauto in de kamer van [naam 1] in [woning 2] , een van de woningen van [erflater] op Bonaire.

[eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de modelauto nooit in de woning(en) van [erflater] hebben aangetroffen.

De stelling van [eisers] dat zij de modelauto niet hebben aangetroffen in de woning(en) van [erflater] op Bonaire, vindt bevestiging in de lijst die de executeur van de nalatenschap van [erflater] heeft opgemaakt. Daarin is immers ten aanzien van de modelauto vermeld: “niet getraceerd door erven [eisers] tijdens hun verblijf op Bonaire”. [gedaagden] hebben daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenover gesteld, terwijl dat wel op hun weg gelegen had. Dit maakt dat niet is komen vast te staan dat de modelauto zich onder [eisers] bevindt, hetgeen vereist is voor een geslaagd beroep op artikel 5:2 BW. De vordering tot afgifte van de modelauto zal derhalve worden afgewezen.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagden] om voor recht te verklaren dat er geen sprake is van een rechtsgeldige schenkingsovereenkomst en de vordering van [gedaagden] tot afgifte van de modelauto zullen worden afgewezen. De vordering van [gedaagden] tot afgifte van het beeld van Paaseiland en het beeld van een olifant zal worden toegewezen. Verder wordt aan [gedaagden] nog de gelegenheid geboden om nader bewijs te leveren, op de wijze als in de beslissing (zie 6.1 en 6.2) is bepaald.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

In conventie en in reconventie

laat [gedaagden] toe feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de beperking in toegang tot [naam 1] er bij hen toe heeft geleid dat zij de overeenkomst met [erflater] hebben gesloten en dat dit bij [erflater] kenbaar was of redelijkerwijs kenbaar had moeten zijn;

laat [gedaagden] toe feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat [naam 1] de eigenaar was van een beige driezitsbank, een bed en een matras en drie werken van Mangold, vier werken van Judd, het werk van Schoonhoven en het beeld van een hoofd (rond) en dat die zaken zich onder [eisers] bevinden;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor uitlating door [gedaagden] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

bepaalt dat [gedaagden] , indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct (op de rolzitting van [datum] 2026) in het geding moeten brengen en tegelijkertijd aan de wederpartij moeten toesturen;

bepaalt dat [gedaagden] , indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2026 tot en met november 2026 direct moeten opgeven, waarna een dag en tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden bepaald;

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C.M.E. de Koning, in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 280;

bepaalt dat beide partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door

mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M.E. de Koning

Griffier

  • mr. M.A. van Eerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0404 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0404
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand