RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/100957-23
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres 1] .
1. Vooronderzoek
Op 22 februari 2023 heeft het team Mensenhandel en Migratiecriminaliteit Amsterdam een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen van de eenheid Amsterdam ontvangen met de volgende inhoud: “[medeverdachte] vervoert prostituees en houdt zich bezig met mensenhandel”. Naar aanleiding van dit proces-verbaal is op 1 maart 2023 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Sula. De bevindingen van het onderzoek hebben ertoe geleid dat [medeverdachte] en [verdachte] worden verdacht van mensenhandel door middel van uitbuiting van prostituees. Laatstgenoemde (hierna: verdachte) wordt ook verdacht van mensensmokkel. Bij proces-verbaal van aanvullend relaas van 9 december 2023 zijn de laatste onderzoeksresultaten aan het politiedossier toegevoegd. Het dossier bevat onder meer processen-verbaal van verhoren van verdachte en getuigen, van financieel onderzoek naar verdachte en van onderzoek naar de inhoud van meerdere telefoons.
Verdachte is op 16 mei 2023 aangehouden en in verzekering gesteld en op 19 mei 2023 in bewaring gesteld in deze zaak. Op 25 mei 2023 heeft de officier van justitie de invrijheidstelling van verdachte gelast, omdat de gronden op basis waarvan het bevel tot bewaring was verleend, waren vervallen.
2. Beschuldiging
Verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting van 14 januari 2026. In die dagvaarding is verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het
1.
(mede)plegen van mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie ten aanzien van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) in de periode van 22 april 2023 tot en met 16 mei 2023 in Amsterdam, in elk geval in Nederland (mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, onder 1°, 4°, 6° en 9°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr));
2.
(mede)plegen van het uit winstbejag behulpzaam zijn van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland in de periode van 22 april 2023 tot en met 16 mei 2023 in Amsterdam, althans in Nederland, of voornoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was en verdachte daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.D. Roskam (waarnemend voor mr. S.C. Sassen), naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van benadeelde partij
[benadeelde partij 1] . Deze vordering is ter terechtzitting toegelicht door haar raadsvrouw,
mr. M.L. Hoogendoorn, die ook een slachtofferverklaring van [benadeelde partij 1] heeft voorgelezen.
4. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
5. Bewijsvraag
Inleiding
De rechtbank zal in deze inleiding eerst enkele feiten en omstandigheden vaststellen om de feitelijke context van deze zaak weer te geven. Het gaat om feiten en omstandigheden die grotendeels ook volgen uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en die niet ter discussie staan. Vervolgens zal de rechtbank in de inleiding de juridische kaders weergeven aan de hand waarvan de ten laste gelegde mensenhandel en mensensmokkel moeten worden beoordeeld. Daarna volgen de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte ten aanzien van de tenlastelegging, gevolgd door het oordeel van de rechtbank.
Feitelijke context
Verdachte heeft een rol gespeeld bij het regelen van kamers in Nederland voor meerdere prostituees. Ook heeft hij prostituees vervoerd in Nederland.
Verdachte heeft in de periode in de tenlastelegging voor [benadeelde partij 1] een kamer geregeld aan de [adres 2] in Amsterdam en een kamer aan de [adres 3] in Amsterdam om daar prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Hij heeft voor haar ook een advertentie op [website] geregeld en contact onderhouden met klanten. Hij sprak met haar over de praktische invulling van haar prostitutiewerkzaamheden. Verdachte heeft een en ander gedaan tegen een financiële vergoeding. Hij had een ‘fifty-fifty’ verdeling met [benadeelde partij 1] afgesproken, inhoudende dat [benadeelde partij 1] de helft van haar prostitutieverdiensten aan verdachte zou betalen.
Verdachte heeft in de periode in de tenlastelegging ook voor [benadeelde partij 2] een kamer geregeld aan de [adres 2] in Amsterdam en een kamer aan de [adres 3] in Amsterdam om daar prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Verdachte heeft hier een financiële vergoeding voor gekregen.
Op 16 mei 2023 heeft de politie [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op het adres [adres 3] in Amsterdam aangetroffen.
[benadeelde partij 1] heeft de [nationaliteit] Zij had in de periode in de tenlastelegging geen verblijfsrecht in Nederland.
[benadeelde partij 2] heeft de Braziliaanse nationaliteit. Zij had in de periode in de tenlastelegging een geldig Spaans verblijfsdocument. Zij mocht dan ook 90 dagen in Nederland verblijven als toerist, de zogenoemde vrije termijn. Doordat zij in Nederland prostitutiewerkzaamheden verrichte, was haar vrije termijn echter vervallen en haar verblijf in Nederland niet rechtmatig.
Toetsingskaders
Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in het wetboek in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan. In artikel 273f, eerste lid Sr zijn in de afzonderlijke subonderdelen 9 gedragingen strafbaar gesteld als mensenhandel. De subonderdelen die aan verdachte ten laste zijn gelegd worden hieronder kort besproken.
Sub 1 en 4
Sub 1 betreft de strafbaarstelling van de persoon die in het traject voorafgaand aan de uitbuiting actief is. De activiteiten van de persoon zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.
Voornoemde subonderdelen bestaan uit de volgende drie elementen: a) handelingen, b) dwangmiddelen en c) (oogmerk van) uitbuiting. Om te komen tot een veroordeling voor mensenhandel dient vast te staan dat er sprake is van zowel een handeling als de inzet van een dwangmiddel in relatie tot het oogmerk van uitbuiting. Tussen de handelingen en dwangmiddelen bestaat een causaal verband; de handelingen worden mogelijk gemaakt door het gebruik van/het aanwezig zijn van (één van de) dwangmiddelen.
Uitbuiting betreft in het algemeen oneerlijke profijttrekking van een ander. De uitbuiter heeft het oogmerk om op een oneerlijke manier voordeel te trekken van een ander. Het resultaat, of het streven naar het resultaat is echter niet het enige dat uitbuiting typeert. De manier van totstandkoming en het effect op de uitgebuite persoon is van belang.
Het bestanddeel ‘(oogmerk van) uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in artikel 273f, tweede lid Sr van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van voornoemde vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Verder dienen bij de afweging van de relevante factoren de in Nederland geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Het aanwenden van een dwangmiddel beïnvloedt de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat het leidt tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.
Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat onder een uitbuitingssituatie in geval van seksuele uitbuiting wordt verstaan dat een prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de ‘omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren’.
Uit jurisprudentie blijkt dat uitbuiting niet gepaard hoeft te gaan met een vrijheidsbeperking.
Een bewezenverklaring lijkt slechts te volgen bij misbruik waarbij slachtoffers redelijkerwijs geen andere keuze hebben dan het misbruik te ondergaan. In de rechtspraak wordt het misbruik eerder aangenomen bij (zeer) kwetsbare personen, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren. Uit de rechtspraak lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is indien het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten dan het verrichten van andere arbeid. De enkele oneerlijke profijttrekking, waarbij een ander op ongunstige condities aan het werk wordt gezet om er zo veel mogelijk aan te verdienen, is in beginsel onvoldoende voor strafrechtelijke uitbuiting.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 3, 4 en 9 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in deze subonderdelen, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
Sub 6
Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste.
Sub 9
Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met (één van) de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde. Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen.
Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel
Aan het bestanddeel “behulpzaam zijn bij” in artikel 197a Sr komt dezelfde betekenis toe als aan het begrip ‘medeplichtigheid’, zoals omschreven in artikel 48 Sr. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde moet worden beoordeeld of verdachte het verblijf in Nederland van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt.
Verder moet onder meer worden beoordeeld of deze vrouwen wederrechtelijk in Nederland verbleven en of verdachte dat wist of ernstige reden had dat te vermoeden. Daarbij geldt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in artikel 197a Sr een ruime betekenis heeft en inhoudt: ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’. Met wederrechtelijk verblijf wordt bedoeld het verblijf dat niet berust op een aan enige rechtsregel te ontlenen titel. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, wordt bepaald in de Vreemdelingenwet.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel bewezen dat verdachte
[benadeelde partij 1] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, daarbij misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie en heeft gehandeld met het oogmerk haar uit te buiten (artikel 273f, lid 1, onder 1°, Sr);
[benadeelde partij 1] heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele diensten (artikel 273f, lid 1, onder 4°, Sr);
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [benadeelde partij 1] (artikel 273f, lid 1, onder 6°, Sr);
[benadeelde partij 1] heeft gedwongen hem te bevoordelen uit haar prostitutieverdiensten (artikel 273f, lid 1, onder 9°, Sr).
De officier van justitie acht hierbij medeplegen niet bewezen.
De officier van justitie acht ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf in Nederland en dat hij wist dat deze vrouwen niet rechtmatig in Nederland verbleven. Verder acht zij bewezen dat verdachte dit tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] heeft gedaan.
De omstandigheden die maken dat sprake is van de strafbare kern van de door haar bewezen geachte mensenhandel en mensensmokkel – respectievelijk uitbuiting en wetenschap van het wederrechtelijke verblijf – ontleent de officier van justitie aan de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [vriendin benadeelde partij 1] . Vooral in de chatgesprekken ziet zij steunbewijs voor de meer feitelijke handelingen door verdachte.
Standpunt van de raadsvrouw van verdachte
De raadsvrouw van verdachte heeft algehele vrijspraak bepleit.
Wat betreft de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel worden de belastende onderdelen van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [vriendin benadeelde partij 1] weersproken door de chatgesprekken en de verklaring van verdachte.
Wat betreft de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel is er onvoldoende bewijs dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat het verblijf van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in Nederland wederrechtelijk was.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel en de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel wel bewezen verklaren. Hieronder zal de rechtbank dat toelichten.
Vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel
In de inleiding heeft de rechtbank al kort omschreven onder welke omstandigheden [benadeelde partij 1] in Nederland prostitutiewerkzaamheden verrichte. De rechtbank zal nu nader ingaan op haar situatie en die situatie waarderen in het licht van de ten laste gelegde mensenhandel.
[benadeelde partij 1] is in het buitenland in de prostitutie gaan werken. Zij sprak geen Nederlands en had geen rechtmatig verblijf in Nederland. Zij was van verdachte afhankelijk om een verblijf- en werkplek te regelen. Voorgaande omstandigheden maken dat [benadeelde partij 1] in zijn algemeenheid kwetsbaar was in Nederland en dat sprake was van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van verdachte op [benadeelde partij 1] .
Deze situatie levert nog niet zonder meer uitbuiting van [benadeelde partij 1] door verdachte op. Daarvoor moet ook worden vastgesteld dat van het overwicht of de kwetsbare positie concreet misbruik is gemaakt door verdachte. Die vaststelling kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gedaan. Zo kan de afgesproken ‘fifty-fifty’ regeling niet zonder meer als onredelijk worden aangemerkt, gelet op wat verdachte voor [benadeelde partij 1] regelde. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] bij het prostitutiewerk zodanig onder druk heeft gezet dat zij geen keuzevrijheid meer had. Voor zover dit al volgt uit de verklaringen van [benadeelde partij 1] en haar vriendin [vriendin benadeelde partij 1] , vindt dit geen ondersteuning in de chatgesprekken in het dossier. Die duiden er op dat verdachte en [benadeelde partij 1] op een vriendelijke toon overlegden over de voorwaarden waaronder werd gewerkt. In die gesprekken komt niet naar voren dat verdachte op [benadeelde partij 1] een relevante mate van overwicht had. Zo vraagt [benadeelde partij 1] verdachte om condooms te brengen, stuurt verdachte berichten in de Arabische taal van klanten door naar [benadeelde partij 1] ter beantwoording, worden prijzen besproken, laat [benadeelde partij 1] weten welke handelingen zij niet wil doen en bepaalt [benadeelde partij 1] zelf wanneer zij wil gaan werken. De rechtbank kan overigens niet vaststellen dat verdachte [benadeelde partij 1] heeft bedreigd en haar op die manier onder druk heeft gezet. Uit de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [vriendin benadeelde partij 1] volgt wel dat verdachte zich agressief kon gedragen tegen [benadeelde partij 1] en dat hij dan bedreigingen uitte. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij ADHD heeft, zich daardoor wat heftig kan uitdrukken, maar dat eventuele bedreigingen vooral ook in de context moeten worden bezien. Die context zou zijn geweest dat hij dan samen met [benadeelde partij 1] zou hebben gedold. [benadeelde partij 1] heeft ook verklaard dat zij verdachte soms tot rust heeft gebracht, wat er niet op duidt dat zij angstig was of zich onderdrukt voelde. De rechtbank constateert dat de chats in het dossier, die van zeer amicale toon lijken te zijn, geen ondersteuning bieden voor bedreigingen van [benadeelde partij 1] door verdachte.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de volgende slotsom.
[benadeelde partij 1] was kwetsbaar en afhankelijk van verdachte in Nederland. Verdachte heeft daar gebruik van gemaakt om geld te verdienen. Er kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van [benadeelde partij 1] . Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de kwetsbare en afhankelijke positie van [benadeelde partij 1] ten opzichte van haar heeft ingezet op een manier dat daardoor haar keuzevrijheid om al dan niet in de prostitutie te (blijven) werken tegen de door haar gestelde voorwaarden werd beïnvloed. Niet is gebleken van onaanvaardbare controle of druk op de werkzaamheden, de duur daarvan en de verdiensten of dat sprake was van restricties in de bewegingsvrijheid die [benadeelde partij 1] werden opgelegd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er sprake was van een situatie van uitbuiting en evenmin dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk daarop.
Nu voor bewezenverklaring van alle ten laste gelegde vormen van mensenhandel (artikel 273f, lid 1, onder 1°, 4°, 6° en 9°, Sr) uitbuiting van [benadeelde partij 1] vereist is, zal verdachte volledig worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde mensenhandel.
Bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel
Dat verdachte uit winstbejag [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] behulpzaam is geweest bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland volgt zonder meer uit het dossier. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte dit met medeplegers heeft gedaan en dat hij het als beroep of gewoonte heeft gedaan. Op deze punten is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank voor de onderbouwing verwijst naar de bewijsmiddelen.
De raadsvrouw heeft wel betwist dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] wederrechtelijk in Nederland verbleven. De rechtbank acht echter, met de officier van justitie, in dit verband wetenschap bij verdachte wel bewezen. Uit het dossier volgt namelijk dat verdachte op de hoogte was van de [nationaliteit] nationaliteit van deze vrouwen. Verder wist hij dat zij prostitutiewerk in Nederland verrichtten. Verdachte moet hebben geweten dat dit geen basis voor rechtmatig verblijf in Nederland kan opleveren.
Slotsom
De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel niet bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
in de periode van 22 april 2023 tot en met 16 mei 2023 in Nederland, tezamen en in
vereniging met anderen,
- [benadeelde partij 1] (geboren 16 januari 1999 te Tanger – Marokko) en
- [benadeelde partij 2] (geboren 7 april 1992 te Sao Paulo – Brazilië),
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in
Nederland door
- voor voornoemde vrouwen woningen te regelen waar zij konden verblijven en van waaruit zij hun prostitutiewerkzaamheden konden verrichten en
- voornoemde vrouwen te (laten) vervoeren van en naar hun prostitutiewerkzaamheden en
- het onderhouden van contacten en het maken van afspraken met (potentiële)
prostitutieklanten voor [benadeelde partij 1] en het maken
van afspraken met de (potentiële) klanten over de aard van de
prostitutiewerkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en
- het in ontvangst nemen van het verdiende geld uit prostitutiewerkzaamheden
van [benadeelde partij 1] ,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wist dat dat verblijf wederrechtelijk was
en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de bijlage.
6. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de officier van justitie gewezen op de ernst van de feiten. Zij neemt verdachte vooral kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare prostituee voor eigen financieel gewin. In strafmatigende zin heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dat verband heeft zij onder meer naar voren gebracht dat geen sprake is van relevante eerdere veroordelingen, dat verdachte zich niet meer bezig lijkt te houden met vergelijkbare feiten en dat verdachte onder behandeling is (geweest) van een psychiater en psycholoog.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft voor het geval de rechtbank tot een veroordeling voor de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel zou komen, aangevoerd dat oplegging van een (on)voorwaardelijke straf die de duur van het voorarrest overstijgt, niet passend zou zijn.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit en omstandigheden waaronder het is begaan
Verdachte is, samen met anderen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij wist dat het verblijf van deze vrouwen in strijd was met de wet.
Uit het dossier en de verklaring van verdachte volgt dat verdachte al gedurende enige tijd prostituees hielp bij het regelen van een verblijf- en werkplaats in Nederland en soms ook verdergaande samenwerkingen met prostituees aanging, terwijl in ieder geval een aantal van die prostituees niet rechtmatig in Nederland verbleven. In het geval van [benadeelde partij 1] was ook sprake van zo’n samenwerking. Verdachte regelde seksafspraken, trad op als contactpersoon, maakte seksadvertenties aan, voorzag [benadeelde partij 1] van condooms en ontving een aanzienlijk deel van haar prostitutieopbrengsten.
Verdachte heeft bijgedragen aan het frustreren van lokaal en nationaal beleid aangaande de bestrijding van illegale toegang tot en verblijf in Nederland en de alsmaar groeiende overlast die uitgaat van de illegale prostitutiebranche.
Dit alles maakt dat de rechtbank het bewezen verklaarde feit als ernstig aanmerkt.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat geen sprake is van strafverzwarende recidive.
Nadat verdachte bij de politie vooral gebruik had gemaakt van zijn zwijgrecht, heeft hij ter terechtzitting uitvoerig verklaard. Verdachte heeft in ieder geval erkend dat hij kamers regelde voor prostituees en ook samenwerkingen aanging met prostituees. Daardoor was het voor de rechtbank mogelijk in gesprek te gaan met verdachte over de ten laste gelegde feiten. Hoewel verdachte heeft ontkend strafbare feiten te hebben begaan, lijkt hij zich wel te beseffen dat hij zich op glad ijs heeft begeven. Zo heeft hij verklaard zich niet meer bezig te houden met vergelijkbare praktijken en afstand te hebben genomen van personen met wie hij destijds samenwerkte.
Oriëntatiepunten voor strafoplegging
De rechtbank heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS-oriëntatiepunten). Bij mensensmokkel is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van drie maanden voor iedere persoon die de verdachte heeft gesmokkeld. Daarbij geldt in beginsel een lineaire verhoging, maar kan het uitgangspunt in het geval van medeplegen en het maken van een beroep of gewoonte van mensensmokkel aanzienlijk worden verhoogd.
Op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en de oriëntatiepunten geldt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn in deze zaak met een periode van meer dan een jaar is overschreden. Gelet hierop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank afwijken van de oriëntatiepunten en verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De voorwaardelijke straf geldt als (extra) motivatie voor verdachte zich niet meer schuldig te maken aan strafbare feiten.
9. Beslag
Uit het dossier blijkt dat onder verdachte gegevensdragers en een geldbedrag van 1.820 euro in beslag zijn genomen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat al is beslist dat de gegevensdragers aan verdachte worden teruggegeven en dat de rechtbank alleen nog over het geldbedrag een beslissing moet nemen.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het geld verbeurd te verklaren, omdat dit afkomstig zou zijn van de ten laste gelegde strafbare feiten.
De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite algehele vrijspraak de rechtbank verzocht te bevelen dat het geld aan verdachte wordt teruggegeven.
De rechtbank is van oordeel dat het geld aan verdachte moet worden teruggegeven. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat er grond bestaat voor verbeurdverklaring. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte het geld heeft verkregen door het bewezen geachte feit.
10. Vordering benadeelde partij
Vordering
[benadeelde partij 1] heeft 5.000 euro materiële schadevergoeding (vermeerderd met de wettelijke rente) van verdachte gevorderd in verband met onrechtmatig door haar aan verdachte afgestane prostitutieverdiensten. Daarnaast heeft zij 10.000 euro immateriële schadevergoeding (vermeerderd met de wettelijke rente) van verdachte gevorderd in verband met psychische schade ten gevolge van de seksuele uitbuiting door verdachte. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting opgemerkt dat ook indien de rechtbank alleen de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel bewezen acht, deze schade zou moeten worden vergoed door verdachte.
Standpunt van de raadsvrouw van verdachte
De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de bepleite algehele vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Mensensmokkel ziet namelijk op een ander beschermd belang dan mensenhandel en dan ontbreekt het causale verband tussen het bewezen feit en de vordering, aldus de raadsvrouw.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wat betreft de gestelde materiële schade geheel kan worden toegewezen en wat betreft de gestelde immateriële schade tot een bedrag van 6.000 euro. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Verder heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Oordeel van de rechtbank
Voor zover de vordering ziet op de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel, zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Voor zover de vordering ziet op de onder 2 ten laste gelegde mensensmokkel, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 197a Sr ziet op de bescherming van het overheidsbeleid bij bestrijding van illegaal verblijf van personen in Nederland en de publieke kas. Dit artikel beoogt dus niet de bescherming van de individuele belangen van de personen die gesmokkeld dan wel tewerkgesteld zijn. In het licht daarvan en nu de rechtbank ook geen rechtstreeks verband ziet tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade, wordt [benadeelde partij 1] ook om deze reden niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5.4.3 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is,
begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1.820 euro.
Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.
[...]
[...]
1. [...]
[...]
2. [...]
[...]
[...] [...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
.