ECLI:NL:RBAMS:2026:7714

ECLI:NL:RBAMS:2026:7714

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer 13-091526-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak medeplegen opzettelijk aanwezig hebben harddrugs. Blijkens het NFI-rapport bevat het onderzoeksmateriaal een lage concentratie heroïne (minder dan 1% heroïne). Volgens de toelichting is deze concentratie laag ten opzichte van de concentraties op gangbare gebruikersniveaus, die op circa 46% liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangetroffen concentratie onvoldoende is om het opzettelijk aanwezig hebben van 159,16 gram heroïne te bewijzen. Bewezenverklaring medeplegen voorhanden hebben van een wapen van categorie III en munitie van categorie III en medeplegen opzettelijk aanwezig hebben softdrugs. Gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/091526-26

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Plasman, naar voren hebben gebracht.

Deze zaak is gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 13/091525-26.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

feit 1:

het medeplegen van het voorhanden van een wapen van categorie III en munitie van categorie III;

feit 2:

het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs;

feit 3:

het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder de feiten 1 en 3 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat uit de forensische bevindingen volgt dat de tenlastegelegde 159,16 gram slechts een zeer lage concentratie heroïne bevat, namelijk minder dan 1% en dat dit wijst op een afvalfractie. Ten aanzien van de aangetroffen sealbags is vastgesteld dat deze geen stoffen bevatten die zijn opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman bepleit dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk hennep betreft.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Uit onderzoek is gebleken dat de tenlastegelegde 1,78 kilogram geen stoffen bevat die zijn opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Ten aanzien van de tenlastegelegde 159,16 gram heroïne overweegt de rechtbank dat blijkens het NFI-rapport het onderzoeksmateriaal onder andere een lage concentratie heroïne bevat (minder dan 1% heroïne). Volgens de toelichting is deze concentratie laag ten opzichte van de concentraties op gangbare gebruikerniveaus, die op circa 46% liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangetroffen concentratie onvoldoende is om het opzettelijk aanwezig hebben van 159,16 gram heroïne te bewijzen.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 1 en 3

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Aanhouding medeverdachte

Op 26 maart 2026 zagen verbalisanten dat de medeverdachte een zogenoemd flitsbezoek bracht aan de [adres 1] in Amsterdam, waarna de medeverdachte werd aangehouden. Bij hem werden diverse verdovende middelen aangetroffen.

Aanhouding verdachte

Drie verbalisanten zijn vervolgens naar de woning van de medeverdachte aan de [adres 2] te Amsterdam gegaan. Voor de woning van de medeverdachte troffen zij verdachte aan met twee zwarte schoudertassen en twee plastictassen. Bij verdachte werden onder andere een geladen, maar niet doorgeladen, pistool van het merk Crvena Zastava, type 70, kaliber 7.65mm Browning met acht patronen van het merk Sellier & Bellot van het kaliber 7.65mm Browning aangetroffen. Daarnaast werden bij verdachte 254 gram henneptoppen aangetroffen. Een verbalisant heeft vastgesteld dat het hennep is op grond van de uiterlijke kenmerken, de kleur, de vorm en de herkenbare geur van hennep. Tijdens de aanhouding van verdachte zag een verbalisant op de bij verdachte aangetroffen telefoon een gesprek openstaan met ene T020 waarin onder andere werd gezegd “we moeten die osso sxhoonmake” en “ze hebben ons door”. Ook werd de huissleutel van de woning van de medeverdachte aangetroffen bij verdachte.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met de medeverdachte aan het bellen was toen de medeverdachte werd aangehouden. De medeverdachte heeft toen gevraagd om zijn huis schoon te maken. Ook had verdachte het vermoeden dat het huis van de medeverdachte werd gebruikt als opslagplaats. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet precies wist welke tassen hij moest hebben en dat hij bepaalde tassen had opengemaakt. De tas met het wapen had hij geopend, zijn hand erin gestoken en weer gesloten. Hij wilde een jeugdvriend helpen door de spullen weg te gooien.

3.3.2.1. Oordeel feit 1

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.

Gelet op de verklaring van verdachte staat het voor de rechtbank vast dat verdachte het pistool en de munitie bewust aanwezig heeft gehad en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte een pistool en acht patronen voorhanden heeft gehad.

Nu de medeverdachte aan verdachte heeft gevraagd zijn woning ‘schoon te maken’, hetgeen hij vervolgens ook heeft gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte om het tenlastegelegde medeplegen te kunnen bewijzen. De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.3.2.3. Oordeel feit 3

De rechtbank overweegt dat de verbalisant op grond van de uiterlijke kenmerken, de kleur, de vorm en de herkenbare geur van hennep heeft vastgesteld dat het hennep betreft. De rechtbank is van oordeel dat dit, gezien de jurisprudentie op dit punt, voldoende is om te kunnen bewijzen dat het daadwerkelijk hennep betreft.

Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte wist dat hij verboden middelen uit de woning van de medeverdachte ging halen en dat hij, gelet op zijn verklaring dat hij de tassen had geopend en de herkenbare geur die de henneptoppen afgaven, wist dat er henneptoppen in de tas zaten en dat hij daarover kon beschikken. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte de 254 gram henneptoppen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Uit het voorgaande volgt dat ook ten aanzien van dit feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte om het tenlastegelegde medeplegen te kunnen bewijzen. De rechtbank acht het onder feit 3 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 26 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Crvena Zastava, type 70, kaliber 7.65mm Browning (synoniem voor 32 AUTO) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 patronen, van het merk Sellier & Bellot van het kaliber 7.65mm Browning (synoniem voor .32 AUTO) voorhanden heeft gehad;

feit 3:

op 26 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (goednummer: 6792399) 254 gram henneptoppen, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

Eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat hij enkel een jeugdvriend wilde helpen. De raadsman heeft verzocht om een flinke voorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Door dit middel wordt de volksgezondheid bedreigd en verdachte heeft hier een bijdrage aan geleverd. Verdachte heeft ook in het openbaar een geladen vuurwapen voorhanden gehad. Het staat buiten kijf dat het ongeoorloofde bezit van een vuurwapen onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich meebrengt vanwege de kans op het gebruik daarvan, met alle mogelijke onomkeerbare gevolgen van dien.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 7 juli 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit blijkt dat het sociaal netwerk en psychosociale factoren, zoals beperkte probleemhanteringsvaardigheden en cognitieve vaardigheden, ten grondslag hebben gelegen aan de tenlastegelegde strafbare feiten. Er zijn aanwijzingen voor impulsief gedrag waarbij verdachte onvoldoende de gevolgen van zijn handelen overziet. Het ontbreken van een dagbesteding en inkomen zijn risico verhogende factoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie, een dagbesteding en aflossing van schulden.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt zij aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Alles tezamen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

8. Beslag

Verbeurdverklaring

Het onder verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten:

1 STK Telefoontoestel (G6792414),

dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is begaan. Verdachte heeft immers via deze telefoon contact gehad over het bewezen verklaarde met de medeverdachte. De telefoon is derhalve onderdeel van de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.

Onttrekking aan het verkeer

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan of deze bestemd zijn tot het begaan van het bewezen geachte en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

feit 3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan tussen 09.00 en 12.00 uur bij de bureaudienst bij Reclassering Nederland op het adres aan de [adres 3].

Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Veroordeelde neemt gedurende de proeftijd deel aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich gedurende de proeftijd in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, eventueel in combinatie met een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Aflossing schulden

Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Verklaart verbeurd:

1 STK Telefoontoestel (G6792414)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. D. Bode en A.R. Vlierhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en L.D. de Vries, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. Hoogendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFS 2026/269
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand