RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-334228-25
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2025 door de Warsaw Regional Court, VIII Penal Division [Sąd Okręgowy w Warszawie], Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een judgement by the District Court of Pruszków of 20 January 2020, met kenmerk: II K 1089/19.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij alle zittingen die tot de beslissing hebben geleid. De opgeëiste persoon is bovendien niet in persoon gedagvaard en wist dus niet van de tijd en plaats van de zitting. De oproepingen hebben op ondeugdelijke wijze plaatsgevonden. Hij heeft het veroordelende vonnis per post ontvangen, nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep al was verlopen. De overlevering moet daarom op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon kennis had van de procedure nu hij bij de eerste drie zittingen aanwezig was. Daardoor was hij op de hoogte dat er een procedure liep en desondanks heeft hij zich onvoldoende op de hoogte gehouden van het verdere verloop van de procedure. Hij heeft daarmee stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht bij de overige zittingen. Daarom moet worden afgezien van het weigeren van de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de eerste drie van de vijf zittingen die tot die beslissing hebben geleid. De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden op welke zitting(en) de strafzaak ten gronde is behandeld. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak kan dus op alle vijf de zittingen hebben plaatsgevonden. Op de derde zitting is de opgeëiste persoon in persoon aangezegd om op de vierde zitting te verschijnen maar hij is toen niet op die zitting verschenen en ook niet vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat die zijn verdediging heeft gevoerd. De opgeëiste persoon is evenmin op de laatste zitting op 7 januari 2020 verschenen, terwijl niet is gebleken dat hij – kort gezegd – voor die zitting in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van die zitting en zijn verdediging door een door hem gemachtigde advocaat is gevoerd. Ten slotte is niet gebleken dat de beslissing van 20 januari 2020 aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Uit sectie D van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de eerste zitting op 2 september 2019, de tweede zitting op 1 oktober 2019 en op de derde zitting op 5 november 2019. Bij elk van deze zittingen is hem telkens de datum van de volgende zitting aangezegd. Op de zitting van 5 november 2019 is hem dan ook de volgende zittingsdatum van
4 december 2019 aangezegd. De opgeëiste persoon is toen niet verschenen. Vervolgens is er een kennisgeving voor de zittingsdatum van 7 januari 2020 naar het door hem opgegeven adres gestuurd. Hij heeft de kennisgeving niet opgehaald en is niet verschenen op de zitting van 7 januari 2020.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van het strafproces, maar dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij alle zittingen aanwezig te zijn. Hoewel hem de zittingsdatum van 4 december 2019 is aangezegd, heeft hij er zelf voor gekozen daar niet te verschijnen en heeft hij evenmin geïnformeerd naar het verdere verloop van de procedure. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering daarom geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
5. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
6. Evenredigheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de bijzondere omstandigheden van de opgeëiste persoon ertoe zou moeten leiden dat de overlevering, gelet op de evenredigheid, wordt geweigerd. Deze bijzondere omstandigheden houden in dat de opgeëiste persoon in zijn jeugd langere tijd in een pleegzorginstelling heeft verbleven, hij zijn familie in Polen niet meer spreekt en stevig geankerd is in de Nederlandse samenleving – waar hij ook zijn zoontje en zijn vriendin naartoe wil laten komen. Hij verblijft echter net niet vijf jaar in Nederland, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een gelijkstelling. Deze sterke binding met Nederland maakt overlevering onevenredig.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de evenredigheid ingebed is in het uitvaardigen van een EAB en dat er geen argumenten door de raadsman zijn aangevoerd die tot een uitzondering daarop zou moeten leiden.
Oordeel van de rechtbank
In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank moet voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval.
Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit 2002/582/JBZ (het Kaderbesluit), gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheid tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Daarbij is het in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB te toetsen. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen of er een minder vergaand middel dan een EAB voorhanden is.
Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan in een concreet geval slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen. De rechtbank heeft oog voor de omstandigheid dat de opgeëiste persoon al een aantal jaren in Nederland verblijft. Maar deze en de overige aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om als uitzonderlijk aangemerkt te worden. Daarvoor moet er sprake zijn van een zeer bijzondere situatie en dat is hier niet het geval. Daarom slaagt het beroep op onevenredigheid niet, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Warsaw Regional Court, VIII Penal Division [Sąd Okręgowy w Warszawie] (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.