[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Samenvatting
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 3 mei 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Procesverloop
1. Verzoekster heeft zich bij verweerder gemeld en verzocht om een integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2. Met het primaire besluit van 3 mei 2024 heeft verweerder besloten dat verzoekster geen recht heeft op een vergoeding. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 29 juli 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
Wat vindt verzoekster?
3. In haar verzoekschrift stelt verzoekster dat verweerder heeft bepaald dat zij bij de behandeling van haar bezwaar ambtelijk zal worden gehoord op 11 augustus 2026. Dit is tegen de wens van verzoekster, omdat zij uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij wil worden gehoord door de onafhankelijke Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Verweerder heeft ten onrechte daar geen gehoor aangegeven. Verzoekster stelt dat de opvolgende beroepsprocedure volgens haar geen reëel alternatief biedt voor de onderhavige voorziening. Het afwachten van de bodemprocedure zou volgens haar de gehele procedure vertragen. In het kader van de belangenafweging stelt zij zich op het standpunt dat haar belangen in dit geval zwaarder wegen, omdat het hier gaat om het behoud van een onafhankelijke procedurele waarborg die niet meer kan worden hersteld als het eenmaal is gepasseerd. Zij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen dat verweerder verbiedt om het bezwaar van verzoekster door middel van ambtelijk horen af te doen en dat zij wordt gehoord door de BAC.
Overwegingen
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Zij heeft onvoldoende onderbouwd waarom niet kan worden gewacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure en, indien nodig, een daaropvolgende beroepsprocedure. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij bij behandeling van haar bezwaar door de BAC dient te worden gehoord en dat het achterwege blijven daarvan een onherstelbaar procedureel gebrek oplevert.
5. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Ambtelijk horen kan soms nodig zijn om de omvang van het geschil te bepalen, waarna alsnog een hoorzitting door de BAC kan volgen. Indien ten onrechte niet door de BAC wordt gehoord kan dit worden beoordeeld in een eventuele beroepsprocedure. In die procedure kan verweerder worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het gebrek alsnog wordt hersteld. Van een onomkeerbare situatie is daarom geen sprake. Voor zover verzoekster stelt dat het afwachten van de bezwaar- en eventuele beroepsprocedure leidt tot vertraging, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat een procedure tijd in beslag neemt, onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Dat geldt in beginsel immers voor iedere bezwaar- en beroepsprocedure. Verzoekster heeft niet concreet onderbouwd waarom juist in haar geval sprake is van zodanige gevolgen dat niet kan worden gewacht op de uitkomst van de reguliere rechtsgang. De voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is ook niet van oordeel dat op dit moment al evident is dat het besluit op bezwaar onrechtmatig zal zijn, omdat verzoekster niet is uitgenodigd om door de BAC te worden gehoord.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: