RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/148235-23
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. T. Nieuwenhuis en G. Zengin, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] en van wat mr. B. Roodveldt, advocate van [benadeelde partij 1] , namens die [benadeelde partij 1] en mevrouw F. Dubbeling van Slachtofferhulp Nederland namens [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 7] , naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Nederland en/of België heeft schuldig gemaakt aan het
1
medeplegen van oplichting van vijftien personen in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023;
2
medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste dierenpaspoorten en/of vaccinatiestickers in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023;
3
medeplegen van witwassen van geldbedragen van € 101.555,00 euro en/of € 12.731,91 en/of € 12.950,00 (totaal: € 127.236,91) in de periode van 14 juni 2021 tot en met 22 oktober 2023;
4
(primair) dierenmishandeling dan wel (subsidiair) het onthouden van de nodige zorg aan dieren in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Inleiding
Vanaf februari 2022 heeft Stichting House of Animals Foundation, een organisatie die zich inzet tegen dierenleed, meldingen ontvangen over een hondenhandelaar die mensen via Marktplaats zou oplichten en wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn zou overtreden. Naar aanleiding van die meldingen is de stichting de hondenhandelaar via Marktplaats in de gaten gaan houden. Uiteindelijk hebben zij met behulp van de politie een undercoveractie (een pseudokoop) ingezet, als gevolg waarvan verdachte op 10 oktober 2022 is aangehouden en een strafrechtelijk onderzoek tegen hem is gestart. Uit dat onderzoek is de verdenking gerezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig zijn requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte voor de onder 1 tenlastegelegde oplichtingen dient te worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het oplichten van [slachtoffer] . Voor wat betreft feit 2 (valsheid in geschrift) moet hij worden vrijgesproken van het gebruikmaken van de vervalste dierenpaspoorten met de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] en het medeplegen van dat feit. De primair onder 4 tenlastegelegde dierenmishandeling kan worden bewezen, maar verdachte moet wel worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het te jong scheiden van de puppy’s van hun moeder.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben – overeenkomstig hun pleitnota en samengevat – het volgende bepleit. Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten (medeplegen oplichting en valsheid in geschrift). De tenlastelegging is partieel nietig waar het feit 3 (witwassen) betreft voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het daarin vermelde geldbedrag van € 12.950,-. Subsidiair dient vrijspraak te volgen voor het witwassen van dat bedrag. Daarnaast hebben zij vrijspraak betoogd voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op het geldbedrag van € 12.731,91 en partiële vrijspraak voor het tenlastegelegde bedrag van € 101.555,-. Ook dient vrijspraak te volgen voor het onder 4 tenlastegelegde (dierenmishandeling/onthouden van zorg).
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 – oplichting
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde oplichting. Zij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
Voor bewijs van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
De betrokkenheid van verdachte:
De onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde slachtoffers hebben afzonderlijk aangifte gedaan van oplichting bij de aankoop van puppy’s. Naar het oordeel van de rechtbank staat de betrokkenheid van verdachte bij deze verkopen vast. Verdachte heeft betrokkenheid bij deze verkopen nooit ontkend. Verdachte heeft verklaard dat hij puppy’s via Marktplaats te koop heeft aangeboden, die puppy’s heeft verkocht en geleverd aan verschillende kopers en daarbij heeft samengewerkt met anderen. Daarnaast zijn op verdachtes telefoon dierenartsrekeningen van verschillende slachtoffers aangetroffen en is tijdens de doorzoeking van zijn woning een aansprakelijkstelling van een ander slachtoffer gevonden. Voorts neemt de rechtbank de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de resultaten van het digitaal politieonderzoek en de door de slachtoffers verstrekte informatie – waaronder signalementen van de verkoper, het adres waar de puppy’s werden opgehaald, de gebruikte telefoonnummers en de WhatsApp- en Marktplaatsgesprekken met verdachte dan wel met [naam 1] , [naam 2] of [naam 3] – in aanmerking. Gelet op het vorenstaande in onderling samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat verdachte bij de verkopen was betrokken.
De rechtbank acht de verschillende ten laste gelegde oplichtingen zodanig met elkaar verweven en overeenstemmend in de wijze waarop deze zijn gepleegd, dat de bewijsmiddelen met betrekking tot de afzonderlijke oplichtingen elkaar over en weer ondersteunen. De rechtbank wijst in dat kader op het adverteren op Marktplaats, verdachte die – soms in samenwerking met anderen – de verkoper is en hondjes uit Bulgarije haalt met Bulgaarse vervalste paspoorten. De rechtbank betrekt deze overeenkomsten als schakelbewijs bij de bewijswaardering.
De oplichtingsmiddelen:
Uit de eerdergenoemde aangiftes volgt onder meer het volgende. De slachtoffers hebben via Marktplaats Pomeriaan (Dwergkees) puppy’s gekocht. De verkoper heeft in de advertenties en in de chat- en mondelinge communicatie voorgespiegeld dat de aangeboden puppy’s gezond en juist ingeënt waren en dat de bijbehorende dierenpaspoorten in orde waren. Al kort na die aankopen bleek dat niet het geval te zijn. Zo bleken de puppy’s ernstige gezondheidsproblemen te hebben, waarbij in vier gevallen de puppy’s uiteindelijk zijn overleden. Bij het merendeel van de puppy’s constateerden de dierenartsen bovendien dat de opgegeven leeftijden niet klopten en dat de puppy’s (veel) jonger moesten zijn. Daarnaast heeft de Koninklijke Marechaussee onderzoek gedaan naar een aantal van de bij de verkoop overhandigde Bulgaarse dierenpaspoorten en vastgesteld dat deze waren vervalst, omdat er valse vaccinatiestickers op waren aangebracht en de vaccinatiestickers niet gedrukt waren maar geprint. Verder bleek dat in een enkele gevallen de chipnummers van de puppy’s niet overeenkwamen met de nummers die op de dierenpaspoorten stonden. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij tegenover één van de kopers heeft gezegd dat hij al vier jaar puppy's verkocht, maar dat dit niet juist was en dat hij dit had gezegd om betrouwbaarder over te komen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij alle puppy's kocht bij één en dezelfde fokker in Bulgarije, die hij verder niet kende. Desondanks is tegenover twee kopers verklaard dat de puppy's afkomstig waren van goede kennissen of van familie in Bulgarije.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte zich heeft voorgedaan als een professionele en ervaren hondenhandelaar die gezonde puppy’s verkocht. Daartoe plaatste verdachte advertenties op Marktplaats, waarin hij – en ook in zijn contacten met potentiële kopers – voorhield dat de puppy's gezond, vrij van ziektes en ingeënt waren, ouder waren dan zij in werkelijkheid waren en een betrouwbare herkomst hadden. Als bewijs daarvoor werden vervalste dierenpaspoorten aan de kopers overhandigd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen bij de kopers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor zij zijn bewogen tot de afgifte van de door verdachte gevraagde koopprijs voor de puppy's.
Oogmerk:
De rechtbank is van oordeel dat verdachte daar ook het oogmerk op heeft gehad. Hierover overweegt zij als volgt.
Verdachte heeft op 7 juli 2021 een puppy verkocht aan aangeefster [benadeelde partij 1] en op 13 juli 2021 aan aangever [benadeelde partij 2] . Kort na deze verkopen hebben beiden verdachte geïnformeerd over de ernstige gezondheidsproblemen van de puppy's en daarover stevige klachten geuit. Desondanks heeft verdachte vervolgens nog zes puppy's verkocht aan anderen, waarbij hij opnieuw werd geconfronteerd met klachten over de gezondheid van die puppy's, de onjuist opgegeven leeftijd en de verstrekte inentingen. Nadat verdachte vervolgens op 10 oktober 2022 was aangehouden en door de politie nogmaals met deze klachten was geconfronteerd, heeft hij zijn handelwijze evenmin aangepast. Integendeel, ook daarna heeft hij nog zeven puppy's verkocht, waarna hij wederom telkens klachten heeft ontvangen over de gezondheid van de puppy's en de onjuist opgegeven leeftijden en inentingen. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat verdachte zijn handelwijze op geen enkel moment heeft aangepast. Zowel na de eerste klachten van aangeefster [benadeelde partij 1] en aangever [benadeelde partij 2] als na zijn aanhouding en verhoor door de politie is hij op dezelfde wijze puppy's blijven verkopen.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze voortdurende en ongewijzigde handelwijze volgt dat geen sprake is geweest van een aanvankelijk bonafide handel waarbij verdachte pas later wetenschap kreeg van de gebreken of onjuistheden. Integendeel, verdachte is ondanks de vele klachten van kopers en de confrontatie door de politie op identieke wijze blijven handelen. De rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat verdachte reeds vanaf de eerste verkopen het oogmerk had om de kopers door middel van de hiervoor omschreven misleidende handelswijze te bewegen tot afgifte van de koopprijs. Daarbij neemt de rechtbank bovendien in aanmerking dat verdachte, behoudens één geval waarin hij pas na aansprakelijkstelling de dierenartskosten heeft vergoed en één geval waarin hij slechts een beperkt deel van die kosten heeft betaald, de door de kopers gemaakte dierenartskosten niet heeft vergoed. Verdachte heeft de kopers daarbij veelal toegezegd de dierenartskosten te zullen vergoeden, maar kwam die toezeggingen niet na en ging uiteindelijk over op het negeren van de kopers. Ook deze omstandigheden bevestigen naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte al vanaf het begin met het voor oplichting vereiste oogmerk heeft gehandeld.
Medeplegen:
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij regelmatig samen met zijn (ex-)vriendinnen puppy’s verkocht. Ook heeft hij verklaard dat zij weleens meereisden naar Bulgarije om de puppy’s daar in te kopen en op te halen en dat de opbrengsten van de verkopen onderling werden verdeeld. Verder heeft verdachte verklaard dat hij zijn moeder weleens contacten met (potentiële) kopers liet onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen, zodat sprake is van medeplegen.
Partiële vrijspraak:
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op de beschuldiging dat hij heeft doen voorkomen dat de puppy's de leeftijd hadden bereikt waarop zij van de moeder mochten worden gescheiden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de dierenartsen de leeftijd van de puppy's niet exact hebben kunnen vaststellen, maar slechts een schatting hebben kunnen maken. Gelet daarop kan niet wettig worden bewezen dat de puppy's ten tijde van de verkoop de leeftijd waarop zij van de moeder mochten worden gescheiden nog niet hadden bereikt.
Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het bewegen van [slachtoffer] tot afgifte van een geldbedrag. Met de officier van justitie en de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] niet door de hiervoor omschreven oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van het geldbedrag. [slachtoffer] heeft de pup immers gekocht in het kader van een vooraf opgezette undercoveractie (pseudokoop) met het doel om verdachte te ontmaskeren. Van een door de oplichtingsmiddelen veroorzaakte onjuiste voorstelling van zaken en een daardoor bewogen afgifte is daarom geen sprake.
Conclusie:
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van oplichting bewezen.
Feit 2 – gebruik maken van vervalste geschriften
Zoals hiervoor onder rubriek 3.4.1. is vermeld, heeft de Koninklijke Marechaussee onder meer onderzoek verricht naar een aantal dierenpaspoorten die door verdachte bij de verkoop van puppy's aan kopers zijn overhandigd en vastgesteld dat deze dierenpaspoorten waren vervalst.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het gebruik van deze vervalste geschriften. Ter onderbouwing van dat oordeel verwijst zij naar hetgeen zij hiervoor onder rubriek 3.4.1. onder het kopje oogmerk heeft overwogen. In aanvulling daarop neemt de rechtbank in aanmerking dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte een dierenpaspoort is aangetroffen waarop een vaccinatiesticker was aangebracht met een vaccinatiedatum die was gelegen na de datum van de doorzoeking. Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de dierenpaspoorten zelf altijd bekeek. Gelet daarop moet verdachte de vermelde vaccinatiedatum hebben gezien en dus hebben geweten dat deze niet juist kon zijn. Deze omstandigheid sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdacht wist dat de door hem gebruikte dierenpaspoorten waren vervalst. Zij acht het opzet op het gebruik van de vervalste dierenpaspoorten en daarmee het onder 2 tenlastegelegde dan ook bewezen.
De dierenpaspoorten zijn bedoeld om als bewijs te dienen en in deze zaak om als bewijs te dienen bij de verkoop dat de puppy’s ingeënt zijn. Daarmee zijn de dierenpaspoorten geschriften als bedoeld in artikel 225 Sr.
Wel zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het gebruik maken van de tenlastegelegde vervalste dierenpaspoorten met nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] . Deze dierenpaspoorten zijn na de tenlastegelegde periode in de woning van verdachte aangetroffen en uit het strafdossier volgt niet dat deze door hem daadwerkelijk zijn gebruikt of overhandigd in de tenlastegelegde periode.
Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit, omdat verdachte heeft verklaard dat hij degene was die de dierenpaspoorten overhandigde aan kopers en uit het strafdossier verder niet blijkt dat anderen bij het gebruik van de dierenpaspoorten waren betrokken.
Feit 3 – witwassen
De politie heeft onderzoek gedaan naar de saldo- en transactiegegevens van de Belgische bankrekeningen van verdachte. Hieruit blijkt dat in de periode van 14 juni 2021 tot en met 3 december 2022 in totaal € 101.555,- aan contanten is gestort op een Belgische bankrekening van verdachte. Deze stortingen zijn verricht met een KBC-debitkaart, waarvan verdachte de kaarthouder is.
Daarnaast volgt uit die saldo- en transactiegegevens dat in de periode van 11 april 2022 t/m 10 oktober 2022 een totaalbedrag van € 12.731,91 is overgemaakt van de Nederlandse bankrekening van verdachte naar zijn Belgisch bankrekeningnummer.
Tot slot volgt uit het politieonderzoek dat in totaal € 12.950,- giraal is overgemaakt naar bankrekeningen van verdachte. Gelet op getuigenverklaringen hielden deze overboekingen verband met de verkoop van puppy’s, niet zijnde de verkopen die volgen uit het onder 1 tenlastegelegde.
De vraag die voorligt is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen. Daarvoor is het volgende van belang.
Bewezenverklaring van het witwassen van € 101.555,-:
Ten aanzien van het totaalbedrag van € 101.555,- stelt de rechtbank voorop dat niet kan worden vastgesteld dat dit afkomstig is uit een specifiek misdrijf, bijvoorbeeld van het misdrijf waarvoor verdachte onder feit 1 wordt veroordeeld. Voor een veroordeling van witwassen is dit echter niet vereist. Een verdachte kan toch worden veroordeeld als het op basis van het dossier niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Om te beoordelen of van een dergelijke situatie sprake is, is in de rechtspraak een zogenaamd zes-stappenplan ontwikkeld.
Allereerst moeten door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij dat vermoeden ontzenuwt, door een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld.
Vervolgens ligt het, als verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van verdachte het witwassen kan worden bewezen op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het geldbedrag van € 101.555,- een gerechtvaardigd vermoeden is dat dit geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. Het betreft immers een aanzienlijk bedrag, bestaande uit een grote hoeveelheid contante stortingen, in een periode waarin – zoals uit de verdere inhoud van dit vonnis blijkt – verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van oplichting.
Gelet hierop mag van verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld worden verlangd. Over een deel van voornoemd geldbedrag, te weten € 60.000,-, heeft hij verklaard dat hij dat geldbedrag zwart van twee werkgevers heeft ontvangen. Zo zou hij € 35.000,- hebben verdiend voor het bezorgen van pakketjes voor het bedrijf van zijn ex-vriendin, [naam 2] , en zou hij € 25.000,- hebben verdiend met het verrichten van bouwklussen voor ene [naam 4] in België. Verdachte heeft geen verdere gegevens aangeleverd over hoe [naam 4] te bereiken is.
Verdachte heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke verklaring afgelegd waarin staat dat hij sinds ongeveer 2021 een relatie zou hebben gehad met [naam 2] . Gedurende die relatie zou hij 1,5 dan wel 2,5 jaar hebben gewerkt voor het bedrijf van die [naam 2] . Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij tot ongeveer 2022 à 2023 een relatie zou hebben gehad met [naam 2] . Die verklaring komt echter niet overeen met zijn verklaring van 2 november 2023 dat [naam 2] zijn ex is en al meer dan twee jaar samenwoont met haar vriend in [plaats] . Dat wordt ook bevestigd uit wat aangeefster [benadeelde partij 1] telefonisch heeft verhoord in juli 2021 van [naam 2] , namelijk dat zij en verdachte op dat moment al uit elkaar waren. Door deze tegenstrijdigheden, maar ook omdat verdachte verder geen andere controleerbare en verifieerbare aanknopingspunten heeft geboden over de herkomst van dit geldbedrag, is de rechtbank van oordeel dat er geen nadere onderzoeksplicht op het openbaar ministerie rust en het witwasvermoeden voor het geldbedrag van € 35.00,- niet is ontzenuwd en het dus niet anders kan zijn dan dat dat geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. Dezelfde conclusie gaat op voor het bedrag van € 25.000,-. Verdachte heeft geen concrete, verifieerbare aanknopingspunten genoemd voor de bouwklussen die hij voor [naam 4] zou hebben gedaan. Hij kan geen achternaam noemen, geen namen noemen van anderen waarmee hij zou hebben samengewerkt en kan geen berichten leveren waaruit volgt dat hij die opdrachten ontving.
Voor het resterende geldbedrag van € 41.555,- heeft verdachte geen verklaring afgelegd, zodat ook hiervan geen andere conclusie mogelijk is dan dat dat geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 101.555,-.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het medeplegen van het witwassen van dat geldbedrag, omdat het strafdossier geen bewijs bevat dat een of meer anderen bij het witwassen daarvan betrokken zijn geweest.
Vrijspraak van het witwassen van € 12.731,91:
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het witwassen van het op de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 12.731,91. Het enkele feit dat verdachte geld heeft overgemaakt van zijn Nederlandse bankrekening naar zijn Belgische bankrekening, is onvoldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. Ook de hoogte van dit bedrag op een bankrekening is, bezien in het licht van de financiële omstandigheden van verdachte, onvoldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat dit bedrag te herleiden is naar contante stortingen afkomstig van de verkoop van honden.
Geen partiële nietigheid van het tenlastegelegde geldbedrag van € 12.950,- :
De raadslieden hebben aangevoerd dat de dagvaarding voor het onder 3 tenlastegelegde geldbedrag van € 12.950,- nietig moet worden verklaard, nu de tenlastelegging op dit punt onvoldoende concreet en specifiek is. Het dossier bevat immers geen concrete paragraaf of proces-verbaal over de witwasverdenking en de originele tenlastelegging bevatte geen verwijzing naar een vindplaats in het dossier. Hierdoor is het voor verdachte dan ook onvoldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging, mede gelet op de inhoud van het dossier en de voorafgaand aan de terechtzitting toegezonden conceptwijziging van de tenlastelegging waarop de vindplaats in het strafdossier over die verdenking staat vermeld, voldoende duidelijk en concreet. Zij verwerpt dan ook het verweer van de raadslieden.
Vrijspraak van het witwassen van € 12.950,-:
De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van witwassen van het geldbedrag van € 12.950,-. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De enkele omstandigheid dat enkele getuigen hebben verklaard dat zij hondjes hebben gekocht die ziek werden dan wel ziek bleken te zijn, is onvoldoende om tot dat oordeel te komen, nu deze personen geen aangifte hebben gedaan van oplichting.
Conclusie:
De rechtbank acht het onder 3 tenlastegelegde bewezen voor een bedrag van € 101.555,-.
Feit 4 – dierenmishandeling dan wel het onthouden van de nodige zorg
Uit de eerdergenoemde aangiftes en de daarbij gevoegde medische stukken volgt dat de door verdachte verkochte puppy's kort na de verkoop ernstige gezondheidsproblemen vertoonden. In een aantal gevallen traden deze gezondheidsklachten al de volgende dag op. Uit de aard en ernst van de klachten en het korte tijdsverloop tussen de verkoop en het ontstaan dan wel zichtbaar worden van die gezondheidsproblemen bij de kopers, leidt de rechtbank af dat de puppy's al ten tijde van de verkoop ziek waren en dat dit kenbaar moet zijn geweest voor verdachte. Uit het onderzoek is niet gebleken dat verdachte deze zieke puppy’s door een dierenarts heeft laten onderzoeken. Een medewerker van de dierenartspraktijk waar verdachte zijn eigen huisdieren laat behandelen, heeft verklaard dat daar nooit andere dieren van verdachte zijn aangeboden. Ook een medewerker van een andere door verdachte genoemde dierenkliniek waar hij ’een’ puppy zou hebben laten controleren heeft verklaard dat de gegevens van verdachte niet in hun systeem voorkomen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zichtbaar zieke puppy’s heeft vervoerd en heeft overgedragen, zonder een dierenarts te raadplegen.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op “een of meer honden te jong van de moeder te scheiden” en “een of meer (zeer) jonge honden langdurig en/of op de onjuiste wijze in een auto te vervoeren”. Met de officier van justitie en de raadslieden is zij van oordeel dat uit het strafdossier niet blijkt dat verdachte degene is geweest die de puppy’s op een te jonge leeftijd heeft gescheiden van hun moeder. Tevens is niet vastgesteld op welke leeftijd de puppy’s precies van hun moeder zijn gescheiden. Daarnaast blijkt uit het strafdossier slechts één concrete situatie waarin sprake zou zijn geweest van het (tijdelijk) los vervoeren van een puppy op de bijrijdersstoel. Het strafdossier bevat geen bewijs dat dit vaker heeft plaatsgevonden. Ook bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs om vast te stellen dat de puppy’s op onjuiste wijze vanuit Bulgarije naar Nederland zijn vervoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze tenlastegelegde gedachtestrepen niet kunnen worden bewezen.
De vaststelling dat verdachte zieke puppy’s heeft vervoerd en overgedragen, zonder een dierenarts te raadplegen, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer met zich mee dat verdachte bij de puppy’s pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die puppy’s heeft benadeeld. Hierom kan de onder 4 primair tenlastegelegde dierenmishandeling niet worden bewezen en wordt verdachte daarvan vrijgesproken. Wel heeft verdachte daarmee als houder van de puppy’s de nodige verzorging aan deze dieren onthouden en oordeelt de rechtbank dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onthouden van zorg zoals onder 4 subsidiair ten laste is gelegd.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4. in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde partij 1] en/of
[benadeelde partij 2] en/of
[benadeelde partij 3] en/of
[benadeelde partij 12] en/of
[benadeelde partij 13] en/of
[benadeelde partij 4] en/of
[benadeelde partij 5] en/of
[benadeelde partij 6] en/of
[benadeelde partij 7] en/of
[benadeelde partij 8] en/of
[benadeelde partij 9] en/of
[benadeelde partij 14] en/of
[benadeelde partij 15] en/of
[benadeelde partij 11]
heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen van in totaal ongeveer € 20.175,-, bestaande uit geldbedragen
ongeveer 2.600,- euro betaald door [benadeelde partij 1] en/of
ongeveer 1.200,- euro betaald door [benadeelde partij 2] en/of
ongeveer 1.200,- euro betaald door [benadeelde partij 3] en/of
ongeveer 1.500,- euro betaald door [benadeelde partij 12] en/of
ongeveer 1.600,- euro betaald door [benadeelde partij 13] en/of
ongeveer 1.500,- euro betaald door [benadeelde partij 4] en/of
ongeveer 1.650,- euro betaald door [benadeelde partij 5] en/of
ongeveer 1.000,- euro betaald door [benadeelde partij 6] en/of
ongeveer 1.375,- euro betaald door [benadeelde partij 7] en/of
ongeveer 1.350,- euro betaald door [benadeelde partij 8] en/of
ongeveer 1.350,- euro betaald door [benadeelde partij 9] en/of
ongeveer 1.450,- euro betaald door [benadeelde partij 10] en/of
ongeveer 1.200,- euro betaald door [benadeelde partij 15] en/of
ongeveer 1.200,- euro betaald door [benadeelde partij 11] ,
door:
- zich voor te doen als bonafide verkoper van honden en
- advertenties met betrekking tot verkoop van gezonde, ingeënte honden op marktplaats te plaatsen en
- te doen voorkomen dat de honden die hij te koop aanbood gezond waren en/of mochten worden ingevoerd en/of verkocht in Nederland en
- te doen voorkomen dat de honden reeds een rabiës vaccinatie hadden gekregen en
- te doen voorkomen dat de honden op de juiste wijze gechipt waren en/of geregistreerd waren en/of
- het overhandigen/tonen van een vervalst inentingsbewijs en vaccinatiesticker en dierenpaspoort;
2
in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023 in Nederland en België, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (telkens) een dierenpaspoort en/of vaccinatiestickers in deze paspoorten (met nummer [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] en [nummer] en [nummer] ), als ware deze echt en onvervalst, door deze te overhandigen en te tonen bij de verkoop van honden en daarmee te doen voorkomen dat de honden legaal ingevoerd zijn en (juist/volledig) ingeënt zijn;
3
in de periode van 14 juni 2021 tot en met 22 oktober 2023 in Nederland en België, meermalen van meer geldbedragen met een waarde van € 101.555,-:
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig
waren uit enig misdrijf;
4, subsidiair
in de periode van 7 juli 2021 tot en met 22 oktober 2023 in Nederland en België, als houder van honden de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, door meer honden te vervoeren en over te dragen terwijl de honden ziek waren, zonder een dierenarts te raadplegen, waardoor een of meer honden onnodig hebben geleden en een of meer honden zijn overleden.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een verbod op het houden van dieren zoals bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren (hierna: houdverbod) wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Gelet hierop is de verdediging van oordeel dat een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf niet wenselijk is.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft samen met anderen gedurende een periode van bijna 28 maanden oplichtingen gepleegd bij de verkoop van Pomeriaan puppy’s. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van vervalste dierenpaspoorten. Ook heeft hij de nodige zorg aan honden onthouden.
Verdachte heeft via Marktplaats puppy’s te koop aangeboden en deed het daarbij voorkomen alsof hij een professionele verkoper was van puppy’s die in goede gezondheid verkeerden. Daarbij schotelde hij de potentiële kopers voor dat de puppy’s ingeënt en vrij waren van ziektes. De puppy’s bleken echter allen een zwakke gezondheid te hebben, zodat kopers vrijwel direct na de koop hoge dierenartskosten moesten maken. Verscheidene honden zijn kort na de aankoop overleden. Om te doen voorkomen dat de puppy’s gezond waren, overhandigde verdachte dierenpaspoorten die voorzien waren van vervalste vaccinatiestickers.
Door zijn handelen heeft verdachte dierenleed veroorzaakt en heeft hij de kopers van de honden financieel gedupeerd. Voor de aangevers heeft het ook grote impact gehad dat zij hun net aangekochte puppy hebben moeten zien lijden en in vier gevallen hebben moeten zien sterven. De wijze waarop verdachte met de gezondheid en het welzijn van de puppy’s is omgegaan waarbij de puppy’s zonder vaccinaties grote gezondheidsrisico’s liepen en ook hoe hij de kopers die met hun klachten bij hem kwamen hadden (financieel) in de kou heeft laten staan, is schokkend. De verkoop van de puppy’s was verdachte kennelijk alleen maar te doen om geld te verdienen. Hij heeft niet stilgestaan bij de verantwoordelijkheden die het verkopen van dieren met zich meebrengt. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
In strafverzwarende zin neemt de rechtbank ook mee dat verdachte in oktober 2022 al was gewaarschuwd voor de manier waarop hij zaken deed. Desondanks is verdachte op dezelfde voet verder gegaan, waarbij hij zelfs zijn gebruikersnamen op Markplaats veranderde waardoor het leek of een andere verkoper Pomeriaan puppy’s aanbood.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Door witwassen kan crimineel geld worden besteed en buiten het bereik van terugvorderende instanties worden gehouden. Witwassen faciliteert daarmee de misdaad en is een onmisbare schakel in de georganiseerde criminaliteit. Door witwassen wordt verder de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het (digitale) handelsverkeer.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor medeplegen van oplichting, maar ook voor andersoortige feiten. Kennelijk hebben de eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsstukken, waaronder het meest recente voortgangsverslag van 24 juli 2026. Hieruit volgt onder meer dat verdachte een omslag in zijn leven lijkt te hebben gemaakt. Hij heeft zich gedurende de lange looptijd van het schorsingstoezicht volop ingezet om stabiliteit te bewerkstelligen in het kader van dagbesteding, werk en financiën. Daarnaast heeft verdachte zich meewerkend en open opgesteld en is hij gemotiveerd voor gedragsverandering. Gelet hierop wordt het risico op herhaling als laag ingeschat. De reclassering vindt interventies of toezicht niet meer nodig en adviseert bij een veroordeling daarom tot een straf zonder bijzondere voorwaarden. Daarnaast vindt de reclassering de oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf onwenselijk, omdat verdachte dan zij herstel- en revalidatieproces niet kan volgen, een dergelijke straf afbreuk zal doen aan het rendement van het schorsingstraject en de behaalde resultaten daarvan teniet zal doen.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen bij gelegenheid van de eerste inverzekeringstelling van verdachte op 10 oktober 2022. Vanaf dat moment kon verdachte ervan uitgaan dat hij zou worden vervolgd.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De zaak had dus in beginsel op 10 oktober 2024 afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 11 augustus 2026 uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn aanzienlijk overschreden, te weten met één jaar, tien maanden en één dag. De rechtbank is met de raadslieden en de officier van justitie van oordeel dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Al het voorgaande in acht genomen, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten gerechtvaardigd. Vanwege de geconstateerde forse overschrijding van de redelijke termijn en daarbij ook het advies van de reclassering in aanmerking nemend zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten opleggen, maar wel een taakstraf. Nu verdachte eerder is veroordeeld voor medeplegen van oplichting acht de rechtbank het van belang om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.
Alles overwegend acht de rechtbank passend en geboden een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. De rechtbank legt daarnaast op een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tot slot zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren opleggen, die inhoudt dat de verdachte gedurende een periode van vijf jaren geen honden of andere dieren mag houden. Ook zal de rechtbank bepalen dat verdachte verplicht is mee te werken aan controles op het verbod op het houden van dieren.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen zoals vermeld in bijlage II in beslag genomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om het geldbedrag van € 6.400,- verbeurd te verklaren, omdat voldoende aannemelijk is dat het hier om handelsgeld gaat. Ten aanzien van de dierenpaspoorten heeft de officier van justitie verzocht deze te onttrekken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 6.400,- (beslagnummer 1) niet aan verdachte toebehoort, maar aan zijn moeder. Daarom heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht te beslissen dat dit bedrag wordt teruggegeven.
Het oordeel van de rechtbank
Geen beslissing
Verdachte heeft op de terechtzitting ten overstaan van de officier van justitie verklaard afstand te doen van de inbeslaggenomen Rolex horloges (beslagnummer 16). Daarnaast heeft verdachte op de terechtzitting verklaard dat de onder hem inbeslaggenomen telefoon (beslagnummer 14) al aan hem is teruggegeven.
Nu verdachte op de terechtzitting en ten overstaan van de officier van justitie afstand heeft gedaan van voornoemde horloges en de eerder hiervoor genoemde en onder hem inbeslaggenomen telefoon aan hem is terug gegeven, rust er niet langer beslag op deze voorwerpen en kan de rechtbank hier daarom geen beslissing op nemen.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de redelijkerwijs rechthebbende, namelijk [naam rechthebbende] , gelasten van het Nederlands dierenpaspoort met beslagnummer 20, omdat dit voorwerp aan haar toebehoort en niet is vastgesteld dat dit voorwerp verband houdt met de strafbare feiten waarvoor verdachte is veroordeeld.
Ook zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de redelijkerwijs rechthebbende, namelijk de moeder van verdachte, gelasten van het geldbedrag van € 6.400,- met beslagnummer 1, omdat niet is vastgesteld dat dit voorwerp verband houdt met de strafbare feiten waarvoor verdachte is veroordeeld.
Verbeurdverklaring
Nu de inbeslaggenomen hondjes, met beslagnummers 15 en 22, aan verdachte toebehoren en deze tot het begaan van het strafbare feit zijn bestemd, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal het Bulgaarse paspoort, met beslagnummer 8, onttrekken aan het verkeer. Dit is een voorwerp met betrekking tot welk het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan en is van zodanig aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Daarnaast zal de rechtbank de Bulgaarse paspoorten – met beslagnummers 9 tot en met 13, 17 tot en met 19 en 21 – onttrekken aan het verkeer. Dit zijn voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
9. De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 5.556,70 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 2.187,90 aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 1.514,60 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 820,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert € 2.346,56 aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert € 1.143,77 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert € 2.850,11 aan vergoeding van materiële schade en € 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 8] vordert € 2.267,55 aan vergoeding van materiële schade en € 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 9] vordert € 3.802,45 aan vergoeding van materiële schade en € 1.350,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 10] vordert € 1.825,27 aan vergoeding van materiële schade en € 1.450,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 11] vordert € 1.200,- aan vergoeding van materiële schade en € 500 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade (al dan niet gedeeltelijk) kunnen worden toegewezen, omdat de aard en ernst van de normschending met zich meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat een aantasting in persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW), kan worden aangenomen. Gelet op de bedragen die de benadeelden hebben gevorderd, acht de officier van justitie daarbij toewijzing van een bedrag van € 400,- billijk. De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in het meer gevorderde.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 7] :
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële vorderingen volledig kunnen worden toegewezen. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd en deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 2] :
De gevorderde materiële schadevergoeding kan worden toegewezen tot € 2.187,70. De laatste factuur is € 0,20 lager dan het opgevoerde bedrag en daarom dient de benadeelde partij voor dit bedrag niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard. Verder is de vordering voldoende onderbouwd en zijn deze kosten rechtstreeks het gevolg van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 3] :
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering waar het de gevorderde aanschafkosten van de hond betreft, omdat zonder nadere toelichting niet is gebleken dat de benadeelde niet langer in het bezit is daarvan. Verder zijn de gevorderde dierenartskosten onderbouwd en zijn dat deze kosten rechtstreeks het gevolg van feit 1, zodat deze kosten kunnen worden toegewezen.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 4] :
De benadeelde partij vordert € 820,- aan vergoeding van dierenartskosten. Uit de overgelegde factuur komt het Openbaar Ministerie uit op € 541,37. Uit die factuur volgt echter ook dat er op 6 maart 2022 kosten zijn gemaakt, maar de pagina waarop die kosten zijn uitgewerkt ontbreken. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten volledig kunnen worden toegewezen, omdat er geen reden is om te twijfelen aan de rest van het gevorderde bedrag en deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van feit 1. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering gedeeltelijk moet worden toegewezen tot € 541,37 en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 5] :
De gevorderde materiële kosten kunnen, met uitzondering van de crematiekosten van een andere hond dan de hond die als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde feit is aangeschaft, worden toegewezen. Deze kosten zijn onderbouwd en zijn rechtstreeks het gevolg van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 6] :
De gevorderde materiële schadevergoeding kan gedeeltelijk worden toegewezen tot € 989,87, omdat deze kosten gelet op de bijgevoegde eerste zes dierenartsrekeningen voldoende zijn onderbouwd. De laatste dierenartsrekening is van een latere datum en ziet op een pijnlijke poot en heeft daarom geen rechtstreeks verband met feit 1. De benadeelde partij dient hiervoor dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard voor de gevorderde schadepost van de vloerkleden, omdat deze kosten niet zijn onderbouwd.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 8] :
De gevorderde aanschafkosten van de hond dient te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij hiervoor schadeloos is gesteld. De gevorderde dierenartskosten kunnen wel worden toegewezen, nu deze kosten zijn onderbouwd en rechtstreeks het gevolg zijn van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 9] :
De benadeelde partij moet om dezelfde reden als bij [benadeelde partij 3] het geval is niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering die ziet op de aanschafkosten van de hond. Wel kunnen de gevorderde dierenartskosten volledig worden toegewezen, omdat deze zijn onderbouwd en het rechtstreeks gevolg zijn van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 10] :
De benadeelde partij moet om dezelfde reden als bij [benadeelde partij 3] het geval is, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering die ziet op de aanschafkosten van de hond. Wel kunnen de gevorderde dierenartskosten volledig worden toegewezen, omdat deze zijn onderbouwd en het rechtstreeks gevolg zijn van feit 1.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 11] :
De benadeelde partij moet om dezelfde reden als bij [benadeelde partij 3] het geval is, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering die ziet op de aanschafkosten van de hond. De gevorderde dierenartskosten zijn toewijsbaar tot € 91,85, nu deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Voor de overige materiële gevorderde dierenartskosten moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair hebben zij aangevoerd dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de adressen op de nota’s zijn weggelakt en een andere naam staat vermeld in de nota’s. Meer subsidiair is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het gevorderde aanschafbedrag van de hond, omdat bewijs hiervoor ontbreekt. Daarnaast blijkt uit de factuur van 9 juli 2021 dat dit een voorschot betreft en dat dit bedrag om die reden onterecht bij de vordering is opgeteld.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair wordt verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in zijn immateriële gevorderde schade, omdat deze niet is onderbouwd.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair wordt verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de vordering ziet op het aankoopbedrag dan wel deze vordering af te wijzen, omdat de benadeelde de hond nog heeft. Daarnaast is de benadeelde voor de gemaakte dierenartskosten gecompenseerd voor € 180,-. Bij toewijzing van de dierenartskosten verzoeken de raadslieden de vordering met voornoemd bedrag te verminderen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] :
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair hebben zij aangevoerd de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair is verzocht de vordering te matigen tot € 541,31.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] :
Voor wat betreft de materiële vordering hebben de raadslieden betoogd dat de gevorderde kosten die zien op het euthanaseren van een andere hond dan de hond die verband houdt met het onder 1 tenlastegelegde feit en de gevorderde castratiekosten dienen te worden afgewezen. Deze kosten hebben geen rechtstreeks verband met het onder 1 tenlastegelegde feit. Voor de overige facturen geldt dat zij in een te ver verwijderd verband staan met het onder 1 tenlastegelegde feit.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] :
De raadslieden hebben aangevoerd dat de gevorderde kosten die zien op het vloerkleed moeten worden afgewezen, omdat deze niet zijn onderbouwd. Ook moeten de gevorderde kosten van augustus 2023, november 2023 en december 2023 worden afgewezen. Deze kosten staan in een te ver verwijderd verband met het onder 1 tenlastegelegde feit.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] :
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde kosten die zien op de aankoop van haar hond, nu zij de hond voor een jaar en negen maanden heeft gehouden. Daarnaast moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde kosten van de hondenverzekering. De hondenverzekering betreft een standaardkostenpost en kunnen verdachte niet worden aangerekend.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] :
De raadslieden hebben bepleit dat het gevorderde aankoopbedrag moet worden afgewezen, omdat uit de aangifte van de benadeelde blijkt dat zij hiervoor schadeloos is gesteld.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] :
De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd.
Voor wat betreft de gevorderde materiële schade hebben zij aangevoerd dat de vordering die ziet op het aankoopbedrag moet worden afgewezen, omdat dit bedrag onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast is er geen sprake van schade, nu de benadeelde de hond nog heeft. Ten aanzien van de gevorderde dierenartskosten hebben de raadslieden aangevoerd dat deze alleen kunnen worden toegewezen voor zover deze op naam van de benadeelde staan.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 10] :
Ook deze door de benadeelde gevorderde immateriële schade en het gevorderde aankoopbedrag moeten worden afgewezen, omdat deze kosten niet zijn onderbouwd. Bovendien heeft de benadeelde de hond nog in haar bezit, zodat geen sprake is van schade. Daarnaast moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in het deel van de vorderring dat ziet op de dierenartskosten van 2024. Deze kosten staan in een te ver verwijderd verband met de tenlastegelegde feiten.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 11] :
De vordering van de benadeelde is niet onderbouwd. Daarom moet deze worden afgewezen of dient de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade:
Over de door de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] ingediende vorderingen tot vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van artikel 6:106, eerste lid en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel hebben opgelopen, in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in persoon zijn aangetast. Van een aantasting in persoon op ‘andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daaraan voor de benadeelden, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zullen degenen die zich hierop beroepen de aantasting in hun persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in hun persoon kan worden aangenomen.
De benadeelden hebben niet aangetoond dat sprake is van geestelijk letsel. Volgens vaste rechtspraak is voor het vaststellen van geestelijk letsel vereist dat daar een (medische) onderbouwing aan ten grondslag ligt door een huisarts, psycholoog of behandelaar. De benadeelden hebben weliswaar aangevoerd onder meer psychische klachten te hebben ervaren als gevolg van stress, spanning, angst, verdriet en slapeloze nachten, maar hebben dit niet met (medische) stukken onderbouwd.
Ook als er geen sprake is van geestelijk letsel kan de rechtbank in sommige gevallen – ook zonder die onderbouwing – toch een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW vaststellen. De Hoge Raad stelt daaraan hoge eisen. De maatstaf daarbij is dat de aard en de ernst van de normschending reeds meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat daarvoor immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Oplichting zoals in onderhavige zaak is doorgaans niet een feit waarbij dat het geval is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de benadeelden zich zorgen hebben gemaakt om hun puppy’s, zij stress hebben ervaren en hun emotioneel leed is aangedaan, wordt de drempel voor het aannemen van een aantasting in de persoon in dit geval niet gehaald. De rechtbank acht de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in dit deel van hun vorderingen. Desgewenst kunnen de benadeelden hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 1] :
Vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. Uit het strafdossier volgt dat kort na de aankoop de puppy is overleden en dat hiervoor dierenartskosten zijn gemaakt. Deze gemaakte kosten zijn onderbouwd. Ter terechtzitting heeft de advocate toegelicht dat de dochter van de benadeelde partij namens die benadeelde partij zich bij de dierenarts heeft ingeschreven om de benadeelde daarmee te ondersteunen. Hieruit, maar ook nu op de facturen de naam van de hond van de benadeelde staat vermeld, leidt de rechtbank af dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij degene is die de kosten heeft gedragen.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering van € 5.556,70 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 7 juli 2021).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 2] :
Vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank acht de gevorderde materiële kosten voldoende onderbouwd, zodat deze vordering van € 2.187,90 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 13 juli 2021).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 3] :
De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd voor het aankoopbedrag van de puppy en de gemaakte dierenartskosten. Uit het strafdossier volgt dat de benadeelde de puppy hebben weggegeven nadat de puppy beter was geworden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze gevorderde kosten en het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af. De gevorderde dierenartskosten zijn voldoende onderbouwd en houden rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde, zodat deze zullen worden toegewezen. Wel zal de rechtbank deze kosten verminderen met € 180 aan ontvangen schadeloosstelling, zoals blijkt uit het strafdossier.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 134,60, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 3 januari 2022).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 4] :
De benadeelde partij heeft € 820,- gevorderd aan materiële schade. Ter onderbouwing van die kosten heeft de benadeelde verwezen naar het strafdossier. Gelet daarop zal de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 541,-, nu die kosten zijn onderbouwd en deze kosten rechtstreeks als gevolg van het bewezenverklaarde zijn toegebracht. Het meer gevorderde is niet onderbouwd, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 541,31, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 3 maart 2022).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 5] :
De benadeelde partij heeft € 2.346,50,- gevorderd aan materiële schade als gevolg van dierenarts- en dierenziekenhuiskosten. Met uitzondering van de kosten die gemaakt zijn voor het castreren van de hond Tjabo en het euthanaseren van de hond Dollar zal de rechtbank de gevorderde kosten toewijzen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit. De euthanasiekosten hebben betrekking op een andere hond en houden geen verband met het onder 1 bewezenverklaarde, zodat deze gevorderde kosten zullen worden afgewezen. De castratiekosten zullen ook worden afgewezen, omdat ook deze geen verband houden met het bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 1.907,12, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 22 augustus 2022).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 6] :
Met de raadsvouw is de rechtbank van oordeel dat de materieel gevorderde dierenartskosten van augustus 2023, november 2023 en december 2023 in een te ver verwijderd verband staan van het onder 1 bewezenverklaarde. De rechtbank zal deze gevorderde kosten dan ook afwijzen. Ook de gevorderde schadeposten van de vloerkleden zullen worden afgewezen, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De gevorderde dierenartskosten van maart en februari 2023 zijn wel voldoende onderbouwd en houden rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde feit. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 313,22, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 28 januari 2023).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 7] :
De gevorderde materiële kosten zullen, met uitzondering van de verzekeringskosten, worden toegewezen, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en zij rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezenverklaarde. Met de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringskosten standaardkosten zijn en niet direct verband houden met het onderhavige feit.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot
€ 2.578,91, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 15 februari 2023).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 8] :
De benadeelde partij heeft € 2.267,- gevorderd aan vergoeding van materiële schade, die bestaat uit € 1.350,- aan kosten voor de aankoop van de puppy en € 917,55 aan dierenartskosten. Met de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde aankoopkosten moeten worden afgewezen, omdat de benadeelde door verdachte hiervoor schadeloos is gesteld. Wat de gevorderde dierenartskosten betreft is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende zijn onderbouwd en rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit, zodat deze zullen worden toegewezen.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 917,55, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 20 mei 2023).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 9] :
De benadeelde partij heeft € 3.802,45 gevorderd aan vergoeding materiële schade, bestaande uit € 1.350,- aan kosten voor de aankoop van de puppy en € 2.452,45 aan dierenartskosten. Met de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde aankoopkosten moeten worden afgewezen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij nog over zijn hond, [naam hond] , beschikt en dat het daarmee goed gaat, zodat de benadeelde partij op dit punt geen schade heeft geleden. Verder zal de rechtbank de gevorderde dierenartskosten – waaronder de kosten die volgen uit de facturen waarop de naam [naam 5] staat vermeld – ook toewijzen. Op alle facturen staat de naam van de hond van de benadeelde partij vermeld en daarnaast is [naam 5] familie van de benadeelde partij. Gelet hierop is voldoende duidelijk dat [naam 5] namens de benadeelde partij naar de dierenarts is geweest en dat de benadeelde partij degene is die de kosten heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.452,45, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 26 augustus 2023).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 10] :
De benadeelde partij heeft € 1.825,27 gevorderd aan vergoeding van materiële schade. Deze schade bestaat uit € 1.450,- aan aankoopkosten van de puppy en € 375,27 aan dierenartskosten. De rechtbank is ook in dit geval met de raadslieden van oordeel dat de gevorderde aankoopkosten moeten worden afgewezen, omdat uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij nog over haar hond beschikt. De benadeelde partij heeft op dit punt dan ook geen schade geleden. De gevorderde dierenartskosten zullen wel worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 375,27, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 26 augustus 2023).
De vordering tot materiële schadevergoeding van [benadeelde partij 11] :
De benadeelde partij heeft € 1.200,- gevorderd aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit de aankoopkosten van de puppy. Zowel uit het strafdossier als uit de vordering volgt niet dat de benadeelde partij niet meer over haar hond beschikt. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij daadwerkelijk schade heeft geleden, zodat de vordering moet worden afgewezen. De rechtbank merkt voorts op dat de officier van justitie uitgaat van dierenartskosten die zouden zijn gevorderd, maar de rechtbank stelt vast dat er geen dierenartskosten zijn gevorderd.
Veroordelingen in de kosten:
De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregelen:
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve benadeelde partijen de verplichtingen opleggen tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rentes daarover vanaf de momenten van het ontstaat van de schades tot de dag van de volledige betalingen.
De betalingen die door verdachte zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betalingen zijn gedaan aan de benadeelde partijen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de volgende artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57 (oud), 63 (oud), 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, en
2.2, 8.11a en 8.12 van de Wet dieren.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 4 primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
feit 2:
opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
feit 3:
witwassen, meermalen gepleegd;
feit 4, subsidiair:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar,
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf, groot 176 (honderdzesenzeventig) dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
Tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Legt aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren op, die inhoudt dat:
- verdachte gedurende een periode van vijf jaren geen honden of andere dieren mag houden;
- verdachte gedurende een periode van vijf jaren verplicht is mee te werken aan controles op het verbod op het houden van dieren door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en/of de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LIDW) en de politie.
Verklaart verbeurd:
nr. 15 – Huisdier (hond) (PL1300-2022214435-6245846), en
nr. 22 – 1 STK Huisdier (PL1300-2022214435-6416882, hond, Pomeriaan, (100242000037714).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van:
nr. 8 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6245886);
nr. 9 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6245869, blauw);
nr. 10 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6635316);
nr. 11 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6245871 , Blauw, merk: Dierenpaspoort);
nr. 12 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6245873, Blauw, merk: Dierenpaspoort);
nr. 13 – 1 STK Document (PL1300-2022214435-G6245874 , Blauw, merk: Dierenpaspoort);
nr. 17 – 1 Envelop / paspoort BG01VP 593304 (DRBA22011_790095);
nr. 18 – Paspoort BG 01 AP 069481 (ADRBA22011_790096);
nr. 19 – Paspoort BG 01VP 593307 (ADRBA22011_790097), en
nr. 21 – Paspoort BG 01VP 565954 (ADRBA22011_790099).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
nr. 1 – 6400 EUR ibg d.d. 01-11-2023 (Omschrijving: ADRBA22011_790000), en
nr. 20 – Nederlands dierenpaspoort [nummer] (ADRBA22011_790098).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , van € 5.556,70 (vijfduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en zeventig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 7 juli 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 5.556,70 (vijfduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en zeventig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 7 juli 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 51 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , van € 2.187,90 (tweeduizend honderdzevenentachtig euro en negentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 13 juli 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] van een bedrag van € 2.187,90 (tweeduizend honderdzevenentachtig euro en negentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 13 juli 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 21 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3] van € 134,60 (honderdvierendertig euro en zestig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 3 januari 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst het overige gevorderde af.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3] van een bedrag van € 134,60 (honderdvierendertig euro en zestig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 3 januari 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 1 dag gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 4] , van € 541,31 (vijfhonderdeenenveertig euro en eenendertig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 3 maart 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 4] van een bedrag van € 541,31 (vijfhonderdeenenveertig euro en eenendertig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 3 maart 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 5 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 5] , van € 1.907,12 (duizend negenhonderdzeven euro en twaalf eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 22 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 5] van een bedrag van € 1.907,12 (duizend negenhonderdzeven euro en twaalf eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van. 22 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 19 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 6] , van € 313,22 (driehonderddertien euro en tweeëntwintig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 28 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 6] van een bedrag van € 313,22 (driehonderddertien euro en tweeëntwintig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 28 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 3 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte n tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 7] , van € 2.578,91 (tweeduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en eenennegentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 15 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde partij 7] van een bedrag van € 2.578,91 (tweeduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en eenennegentig eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van
15 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 25 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 8] , van € 917,55 (negenhonderdzeventien euro en vijfenvijftig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 20 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde partij 8] van een bedrag van € 917,55 (negenhonderdzeventien euro en vijfenvijftig eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 20 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 9 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 9] , van € 2.452,45 (tweeduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijfenveertig eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 26 augustus 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde partij 9] van € 2.452,45 (tweeduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijfenveertig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 26 augustus 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 24 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 10] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 10] , van € 375,27 (driehonderdvijfenzeventig euro en zevenentwintig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 26 augustus 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Wijst af het overige deel van de vordering.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde partij 10] van een bedrag van € 375,27 (driehonderdvijfenzeventig euro en zevenentwintig eurocent aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 26 augustus 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 3 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 11] :
Wijst af de vordering van de benadeelde partij.
Bepaalt dat de benadeelde partij in haar immateriële vordering niet-ontvankelijk is.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Deze beslissing is gegeven door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2026.