RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5700
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 17 april 2024 heeft het Uwv de aanvraag van eiseres om een vervoersvoorziening afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 9 mei 2025 heeft eiseres het beroep nader gemotiveerd.
4. Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2025. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
5. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting aangehouden en eiseres in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen over re-integratieactiviteiten in de periode in geding (april 2024) en de medische noodzaak van haar aanvraag nader te onderbouwen.
6. Nadat partijen stukken hebben ingebracht, een excuusbrief van de rechtbank hebben gekregen vanwege het lang blijven liggen van de zaak, en erover zijn geïnformeerd dat een nieuwe rechter de zaak zal overnemen, heeft eiseres op 21 oktober 2025 een reactie gestuurd op de excuusbrief van de rechtbank en aangegeven een nadere zitting te wensen.
7. Met een brief van 14 januari 2026 heeft het Uwv nader aan het dossier toegevoegde stukken gestuurd. De rechtbank heeft de zaak opnieuw op zitting behandeld op 2 februari 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die de zitting via beeldverbinding heeft bijgewoond.
Overwegingen
Wat aan deze procedure vooraf ging
8. Eiseres ontvangt een Wajong-uitkering. Zij zit in een rolstoel en maakt gebruik van een scootmobiel. Op 6 april 2024 heeft eiseres een (vervoers)voorziening aangevraagd. Zij heeft hierbij gebruik gemaakt van een formulier waarmee een voorziening kan worden aangevraagd. Op dit formulier staat onder meer “als u door ziekte of handicap ondersteuning nodig heeft om uw werk of opleiding goed te kunnen doen. Of om in privésituaties ondersteuning van een schrijf- of gebarentolk aan te vragen.” Eiseres heeft op het formulier (onder meer) ingevuld: “Ik wil een voorziening aanvragen om te kunnen (blijven of gaan) werken”, “Ik ben aan het werk of ik start binnenkort met werken”, en verder dat zij de voorziening wil “om mij te verplaatsen naar of op het werk”, dat de voorziening nodig is voor “Verplaatsen naar werk” en dat de benodigde voorziening een “Auto of rolstoelbus in bruikleen” is. Eiseres heeft ook op het aanvraagformulier ingevuld het adres van de werkplek, dat het om twee dagen per week gaat, dat het een proefplaatsing betreft en dat het dienstverband start op 3 juni 2024 en eindigt op 6 april 2026.
9. Het Uwv heeft op 17 april 2024 onderzoek gedaan naar aanleiding van de aanvraag en de bevindingen neergelegd in een “Onderzoeksrapportage Voorzieningen”. Hierin staat dat uit telefonisch contact met eiseres blijkt dat geen sprake is van een proefplaatsing, dat eiseres is aangemeld voor een Werkfit-traject en dat de reiskosten hiervoor in de kosten van het traject zijn vervat.
10. Met het primaire besluit heeft het Uwv de aangevraagde voorziening afgewezen. Het Uwv heeft daarbij overwogen niet bevoegd te zijn over de aanvraag te beslissen en alleen bevoegd te zijn als sprake is van een dienstverband, een proefplaatsing of het volgen van een bepaald soort onderwijs.
11. Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en herhaald dat hij alleen bevoegd is over de aanvraag te beslissen als er een dienstverband is, een proefplaatsing is of als een bepaald soort onderwijs wordt gevolgd. Volgens het Uwv voldoet eiseres niet aan die voorwaarden.
Het standpunt van eiseres
12. In beroep voert eiseres aan dat het Uwv met de gegeven motivering miskent dat zij als jonggehandicapte op grond van de geldende regels ook in aanmerking kan komen voor een vervoersvoorziening als zij arbeid gáát verrichten, arbeid op een proefplaats gáát verrichten of een opleiding gáát volgen. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. In de voor deze procedure relevante periode is eiseres bezig met haar re-integratie en probeert zij vrachtwagen- of buschauffeur te worden. Zij moet hiervoor reizen naar verschillende plekken in het land, aldus eiseres.
De beoordeling door de rechtbank
13. In deze procedure ligt de vraag voor of het Uwv de door eiseres gevraagde vervoersvoorziening terecht heeft geweigerd. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het Werkfittraject, zoals hiervoor onder 9 aangehaald, en de latere aanvragen van eiseres om vervoersvoorzieningen van 9 mei 2025 en 4 augustus 2025 vanwege het volgen van een vakopleiding (BBL) voor twee dagen in de week per augustus 2025, respectievelijk vanwege werk bij [bedrijf] in Zaandam per 15 september 2025, buiten de omvang van dit geding vallen.
14. De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het Uwv heeft namelijk overwogen niet bevoegd te zijn om op de aanvraag van eiseres te beslissen. Het Uwv heeft hiermee de overweging in het primaire besluit herhaald. Op de zitting heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven op de vorige zitting al te hebben aangegeven dat bedoeld is te zeggen dat het Uwv niet bevoegd was de voorziening te verstrekken, maar wel bevoegd was op de aanvraag te beslissen. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu aannemelijk is dat eiseres door het gebrek niet in haar belangen is geschaad. Eiseres heeft dit overigens ook niet aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is na de toelichting van de gemachtigde op de zitting voldoende duidelijk wat het Uwv in het bestreden besluit bedoelde te overwegen. Het Uwv heeft overigens ook (gewoon) op de aanvraag beslist.
15. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, zoals hiervoor onder 9 overwogen, dat het Uwv uit onderzoek bekend was dat bij de aanvraag geen sprake was van een proefplaatsing. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het haar meer in het algemeen te doen is om een rolstoelbus te krijgen om activiteiten te kunnen ondernemen in het kader van re-integratie, sollicitaties en het zoeken naar een baan, maar dat zij niet concreet bij haar aanvraag heeft aangegeven dat het voor een specifieke werkgever of een specifiek traject is.
16. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2:22, eerste lid, van de Wajong, voor zover hier van belang, het Uwv aan de jonggehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht, of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen, of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.
17. Het gaat in voormeld artikel om een bevoegdheid van het Uwv. In dat licht onderschrijft de rechtbank het standpunt van het Uwv, zoals op de zitting is ingenomen, dat een aanvraag om een vervoersvoorziening concreter moet zijn dan zoals eiseres heeft aangegeven dat zij een rolstoelbus nodig heeft voor alles wat zij gaat doen. Dat ligt ook besloten in het artikel, dat op aanvraag voorzieningen kunnen worden toegekend die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats. Voor een toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid, Wajong moet naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van activiteiten die betrekking hebben op (een toeleiding naar) een concrete werksituatie. In de aanvraagsituatie van eiseres was daarvan geen sprake. De rechtbank vindt zich in haar oordeel gesteund door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juli 2021, waarin het om een met artikel 2:22, eerste lid van de Wajong vergelijkbaar artikel uit de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) ging.
Conclusie en gevolgen
18. Gezien het voorgaande heeft het Uwv de vervoersvoorziening terecht geweigerd. Het beroep is dan ook ongegrond.
19. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet het Uwv aan eiseres haar proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het twee keer verschijnen ter zitting voor de behandeling van de zaak en 0,5 punt voor het indienen van de na de eerste zitting verzochte schriftelijke reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.269,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Adam, griffier, op 21 juli 2026.
De griffier is verhinderd rechter
de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad).
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Raad worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.