RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 6 augustus 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/792133 HA RK 26-296 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
wonende te [woonplaats], Frankrijk
welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Fehmers, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter.
1. Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingsverzoek met bijlagen van 6 augustus 2026.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
2. De feiten
Verzoeker is verdachte in een strafzaak met parketnummer [nummer].
Bij e-mail van 10 juli 2026 is namens de officier van justitie aan verzoeker bericht:
“Hierbij stuur ik u de laatste processtukken inzake parketnummer [nummer] toe.”
Bij e-mail van 11 juli 2026 heeft verzoeker aan de rechter geschreven:
“In bovengenoemde zaak heb ik nog altijd niet alle processtukken ontvangen. Zie in dit verband de mailwisseling die ik met het parket heb gevoerd(bijlage). In onderstaand bericht is thans sprake van 'de laatste processtukken'. Er behoort echter nogal wat meer te zijn. Ik verzoek u dan ook om de officier van justitie in deze alsnog een termijn te stellen.”
Bij e-mail van 24 juli 2026 heeft verzoeker aan de rechter geschreven:
“Op onderstaand mailtje heb ik tot op heden geen reactie ontvangen. Ik verzoek u daarom nogmaals om de officier van justitie een termijn te stellen, waarbij die termijn wat mij betreft zal moeten inhouden dat ik ten laatste op 14 augustus 2026 de beschikking krijg over een kopie van alle processtukken die betrekking hebben op de hierboven genoemde zaak. Mocht u deze termijn niet binnen een week na heden hebben gesteld dan zal ik mij genoodzaakt zien om de wrakingskamer opnieuw te adiëren. Ik nodig u gaarne uit om zulks te voorkomen.”
Bij e-mail van 5 augustus 2026 heeft de rechter verzoeker geantwoord:
“U stelt dat u niet alle processtukken hebt ontvangen. De processen-verbaal van 1 april 2026 met de verklaringen van de getuigen behoren tot de processtukken, ook als u die niet als zodanig zijn toegezonden. Uit uw mail blijkt dat u over deze stukken beschikt. Het is mij dan ook iet duidelijk welk belang u heeft bij uw verzoek. Ten aanzien van de brieven die u op 23 juli 2025 en op 10 maart 2026 heeft verzonden, geldt dat onvoldoende blijkt dat dit processtukken in deze procedure zijn. Daarnaast staat vast dat u over deze stukken beschikt dus ook in zoverre ontgaat mij het belang bij uw verzoek.
Het verzoek wordt afgewezen.”
Bij beslissingen van 21 april 2026 en 16 juni 2026 zijn wrakingsverzoeken van verzoeker tegen de rechter in dezelfde zaak afgewezen (zaaknummers C/13/786376 / HA RK 26-129 en C/13/787131 / HA RK 26-158).
3. Het verzoek
Volgens verzoeker geven de bewoordingen van de beslissing van de rechter in zijn e-mail van 5 augustus 2026 blijk van een zekere vooringenomenheid.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
In zijn arrest (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Het verzoek vermeldt niet uit welke bewoordingen de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid volgt. Ambtshalve kennisneming van bijlage 2 (de onder 2.2 vermelde e-mail van 5 augustus 2026) maakt dat ook niet duidelijk. Dat verzoeker de verdere toelichting bewaart voor de wrakingszitting, zoals hij stelt, maakt het vorenstaande niet anders omdat alle feiten en omstandigheden tegelijkertijd en zo spoedig mogelijk moeten worden aangevoerd.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
Omdat verzoeker het middel tot wraking, lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet en dit bovendien het derde (zonder mondelinge behandeling afgewezen) wrakingsverzoek betreft in dezelfde zaak, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, K.A. Brunner en J.H.J. Evers, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.