RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4287
en
Procesverloop
Met het besluit van 2 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van
5 juni 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar partner. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [de persoon].
Overwegingen
1. Op 1 maart 2025 stond de auto van eiseres met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van de locatie aan de [adres 1]. Om 11.10 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
2. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend. De heffingsambtenaar heeft in de ambtshalve conclusie gesteld dat uit het parkeersysteem blijkt dat het kenteken op
1 maart 2025 om 11.10 uur niet was aangemeld. Er is geen betaling ontvangen. Eiseres heeft verder ook niet aangetoond dat wel parkeergeld is betaald.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank moet in dit geschil beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Indien het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de beschikking, tenzij de beschikking na de dagtekening bekend is gemaakt. Dan begint de termijn op de dag na de bekendmaking. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend als het voor het einde van de termijn door de heffingsambtenaar is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
5. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat zij de naheffingsaanslag nooit heeft ontvangen en betwist daarmee de verzending van de aanslag. Het is dan aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag is verzonden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat de naheffingsaanslag is geplaatst in de digitale berichtenbox van MijnOverheid, maar kan dit niet onderbouwen met stukken. De heffingsambtenaar merkt daarbij op dat het onduidelijk is of eiseres de e-mailnotificatie heeft aangezet en of er daadwerkelijk een notificatiebericht is verstuurd naar het e-mailadres van eiseres. Daarvoor zou er aanvullend onderzoek gedaan moeten worden door een andere afdeling. Dat is op dit moment nog niet gebeurd.
6. Gelet op het voorstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Dit betekent dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag op 2 mei 2025 is bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet-tijdig indienen van het bezwaar. Daarom is het beroep gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd aan eiseres. De verdere beroepsgrond dat er sprake is van een motiveringsgebrek in het besluit kan onbesproken blijven nu het besluit al om voornoemde reden vernietigd wordt.
De naheffingsaanslag parkeerbelasting
7. Eiseres stelt verder dat zij wel parkeerbelasting heeft voldaan via Easypark. Daartoe overlegt zij een schermprint van een betaalbewijs waarop staat dat op 1 maart 2025 van 09.30 uur tot 11.15 uur € 0,00 is betaald voor ‘parkeren op straat - [plaats]’ ter hoogte van [locatie] in [plaats] bij parkeerpaal [nummer 1] en met kenteken [kenteken]. Verder geeft eiseres aan dat er door een fout van de gemeente of Easypark geen bedrag in rekening is gebracht. Deze fout is volgens eiseres niet aan haar toe te rekenen.
8. De heffingsambtenaar geeft aan dat eiseres een parkeersessie heeft gestart bij parkeerpaal [nummer 1] ter hoogte van [adres 2], welke op circa twee kilometer afstand van de parkeerlocatie van eiseres is gevestigd. Er zijn geen kosten in rekening gebracht, omdat de parkeersessie bij een parkeerpaal is gestart waar op dat moment geen sprake was van een betaald parkeren gebied. De meest dichtstbijzijnde parkeerpaal ([nummer 2]) was op enkele meters afstand van de parkeerlocatie van eiser en is gelegen in Amsterdam. Volgens de heffingsambtenaar is er geen sprake van een fout bij de gemeente of bij Easypark, nu eiseres een verkeerde parkeerpaal heeft gebruikt voor de betaling van de parkeerkosten. Deze fout komt voor eigen rekening en risico van eiseres.
9. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld voor wiens rekening en risico het komt dat een verkeerde parkeerzone is gebruikt waardoor het betalen van de belasting (onbedoeld) voor een nultarief heeft plaatsgevonden in een andere gemeente. Het is vaste rechtspraak dat het gebruik van een parkeerapplicatie en eventuele foutieve gegevens die hierin zijn vermeld voor rekening en risico komen van de parkeerder. Een parkeerder heeft een onderzoeksplicht in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van (de hoogte van de) parkeerbelasting ter plaatse. Daarbij kan hij niet alleen afgaan op informatie in de parkeerapp, maar moet hij controleren of deze informatie juist is, bijvoorbeeld bij de aanwezige parkeerapparatuur of overige aanwezige bebording. Uit de uitleg van de heffingsambtenaar volgt dat eiseres stond geparkeerd op zeer korte afstand van parkeerautomaat [nummer 2]. Als eiseres het zonenummer en/of de tarieven had gecontroleerd bij deze automaat, dan had eiseres geweten dat zij in een andere zone en gemeente stond dan de parkeerapp aangaf en dat zij op deze parkeerlocatie een hoger tarief dan het nultarief aan parkeerbelasting verschuldigd was.
10. Voor zover eiseres stelt dat zij niet bewust voor de onjuiste zone heeft betaald en geen kwade intenties had, merkt de rechtbank op dat haar hiervan ook geen verwijt wordt gemaakt. Parkeerbelasting is een objectieve belasting, waarbij opzet en schuld geen rol spelen en in beginsel geen rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden. Of eiseres zich al dan niet bewust was van het betalen voor de onjuiste zone, is dan ook niet relevant.
11. De rechtbank merkt nog op dat de heffingsambtenaar vaak coulance toepast bij het aanmelden van een kenteken in een verkeerde zone, maar dat de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht dat alleen coulance wordt toegepast als de verkeerde zone eenzelfde tarief heeft. Daarvan is in dit geval geen sprake nu eiseres niets heeft betaald.
12. De rechtbank is dus van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiseres is opgelegd
Conclusie
13. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal, zoals overwogen onder 6, de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eiser ontvankelijk verklaren. Gelet op wat hiervoor over het opleggen van de naheffingsaanslag is overwogen zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren (de naheffingsaanslag is dus terecht opgelegd).
14. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar ontvankelijk en ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 1 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.