RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5850
en
Procesverloop
Met het besluit van 9 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van
6 oktober 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [de persoon].
Overwegingen
1. Op 6 augustus 2025 stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres 1]. Om 18:51 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
2. Eiser voert aan dat de bestreden uitspraak onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Verder stelt eiser dat het betaald parkeerregime ter plaatse onvoldoende kenbaar was, omdat hier volgens hem enkel een verkeersbord E4 aanwezig was, wat uitsluitend een parkeergelegenheid aanduidt, en er geen andere aanwijzing was voor betaald parkeren op de locatie. Volgens eiser is dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel.
3. De heffingsambtenaar voert aan dat in de bestreden uitspraak voldoende is ingegaan op het belastbare feit in kwestie, eiser is uitgelegd dat er ook sprake kan zijn van betaald parkeren indien er geen borden aanwezig zijn en de dichtstbijzijnde parkeerautomaat is vermeld. Volgens de heffingsambtenaar is het parkeerregime ter plaatse voldoende kenbaar. Zo zijn er twee parkeerautomaten dichtbij, een belparkeerbord gelegen op de [adres 2] en is het geldende parkeerregime ook zeer duidelijk weergegeven op de online-plattegrond op de website van de gemeente Amsterdam. De heffingsambtenaar meent dan ook dat eiser niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. De heffingsambtenaar ziet niet in waarom de aanwezigheid van een verkeersbord E4 zich zou verzetten tegen de toepasselijkheid van het plaatselijke parkeerregime.
4. Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats (de kenbaarheid). Verder is het vaste rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht.
5. Ter zitting heeft de rechtbank met de heffingsambtenaar de parkeerlocatie met behulp van GoogleMaps bekeken. De heffingsambtenaar heeft uitgelegd dat eiser heeft geparkeerd [locatie]. De GPS-locatie van de parkeerlocatie geeft ‘[adres 3]’ aan, zijnde de achterkant van de sporthal in plaats van de parkeerplaats aan de voorkant. Deze parkeerlocatie wordt ook bevestigd door de scanfoto’s. De rechtbank stelt vast dat bij het inrijden van de parkeerplaats inderdaad een verkeersbord E4 te zien is. Echter komt eiser in de rijroute naar de uiteindelijke parkeerlocatie parkeerautomaat [nummer] tegen en een parkeerbord die aangeeft dat er sprake is van betaald parkeren. De heffingsambtenaar heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Als eiser voldaan had aan zijn onderzoeksplicht, dan had eiser geweten dat hij op deze parkeerlocatie op genoemde datum en genoemd tijdstip parkeergeld verschuldigd is. Er is dus geen sprake van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of legaliteitsbeginsel.
6. Voor zover eiser stelt dat de bestreden uitspraak onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd, oordeelt de rechtbank dat hiervan niet is gebleken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 1 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.