RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5767
(gemachtigde: mr. N.G.A Voorbach)
en
Procesverloop
Met het besluit van 2 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van
4 oktober 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [de persoon].
Overwegingen
1. Op 29 april 2025 stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres 1]. Om 09:38 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
2. Eiser voert allereerst aan dat de op de zaak betrekking hebbende stukken nog moeten worden verstrekt door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar voert aan dat uit correspondentie met de gemachtigde van eiser blijkt dat de verzochte documentatie is verstrekt dan wel is verwezen naar de vindplaatsen van deze gegevens, zodat eiser en diens gemachtigde deze zelf konden raadplegen. Volgens de heffingsambtenaar is daarmee aan het verzoek voldaan.
3. De rechtbank stelt vast dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het digitale dossier zijn gezet door de heffingsambtenaar. Bovendien waren de gemachtigde van eiser en eiser niet op de zitting om het standpunt nader toe te lichten. De rechtbank volgt daarom het standpunt van de heffingsambtenaar.
De naheffingsaanslag parkeerbelasting
4. Daarnaast stelt eiser dat hij wel parkeerbelasting heeft voldaan. Daartoe overlegt hij een schermprint van een betaalbewijs waarop staat dat op 29 april 2025 om 09.31 uur € 6,13 is betaald voor ‘straat parkeren’ ter hoogte van [adres 2] met parkeerzone [nummer]. Volgens de heffingsambtenaar ontbreken belangrijke gegevens zoals het kenteken van de auto of de naam van eiser op het afschrift, waardoor het niet mogelijk is vast te stellen of het hier daadwerkelijk gaat om de parkeeractie van eiser. De gemeente heeft eiser bovendien tweemaal verzocht (in augustus en september 2025) om verdere documentatie te sturen om te kunnen bevestigen dat wel voldoende parkeerbelasting is voldaan. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar nog toegelicht dat er bij ‘belparkeren’ alleen op het kenteken kan worden gezocht in de systemen. Het kenteken van eiser kan gedurende de parkeeractie uit het betaalbewijs niet worden teruggevonden in de systemen, aldus de heffingsambtenaar.
5. De rechtbank stelt vast dat uit de schermprint met het betaalbewijs van eiser nergens expliciet staat wie zou hebben geparkeerd en met welk kenteken. Het is de rechtbank dus onduidelijk of eiser daadwerkelijk voor het parkeren met zijn auto met kenteken [kenteken] betaald heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, terwijl het op zijn weg ligt om tegenbewijs te leveren. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser niet aanwezig was om de situatie te verduidelijken en hij niet op de informatieverzoeken van de heffingsambtenaar heeft gereageerd.
6. Eiser geeft verder nog aan dat zijn werkgever de parkeerbelasting aan hem vergoedt en dat hij daarom ook geen reden heeft om de parkeerbelasting niet te betalen. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eiser geen reden had om de parkeerbelasting niet te voldoen, verder ook geen gevolg voor de geldigheid van de naheffingsaanslag heeft. De parkeerbelasting is namelijk een objectieve belasting. Bij het opleggen van een naheffingsaanslag komt geen gewicht toe aan de mate van verwijtbaarheid van de belastingplichtige.
7. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier.
griffier rechter
Uitgesproken op 1 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.