RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/435 en 24/436
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. M. Boermans ).
Als derde-partij neemt aan de zaak met zaaknummer AMS 24/436 deel: [vergunninghouder], uit Almere (vergunninghouder).
Als derde-partij neemt tevens aan de zaken deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
1. Deze uitspraak gaat over de staanplaatsvergunning voor een [naam] op de locatie [adres]. Het college heeft de aanvraag van eiser geweigerd (zaaknummer AMS 24/435) en de vergunning aan vergunninghouder verleend (zaaknummer AMS 24/436). Eiser is het er niet mee eens dat de vergunning niet aan hem, maar aan vergunninghouder is verleend. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag van vergunninghouder heeft mogen inwilligen en de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit om de vergunning aan vergunninghouder te verlenen tot stand is gekomen via een procedure die zich niet verdraagt met de Dienstenrichtlijn. Eiser krijgt op dit punt gelijk en zijn beroepen zijn om die reden gegrond. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van de vergunningverlening in stand omdat het in dit geval, alles afwegend en overziend, onevenredig zou zijn om te beslissen dat de vergunning moet worden ingetrokken en een nieuwe verdeelprocedure moet worden doorlopen. De vergunning blijft dus aan vergunninghouder verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 1 december 2023 op de bezwaren van eiser is het college bij de weigering van de vergunning aan eiser gebleven (bestreden besluit 1). Met het bestreden besluit van eveneens 1 december 2023 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de vergunningverlening aan vergunninghouder gegrond verklaard en de duur van de vergunning aan vergunninghouder beperkt (bestreden besluit 2).
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
4. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting gelijktijdig behandeld met het beroep van vergunninghouder tegen de aangepaste vergunningduur. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder. Naast de gemachtigde van het college heeft ook [de persoon], [functie] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag van de besluitvorming
5. In het najaar van 2022 is op de website van de gemeente Amsterdam bekendgemaakt dat een staanplaatsvergunning voor de verkoop van [naam] op het [adres] beschikbaar zou komen. Belangstellenden die op de sollicitantenlijst voor een staanplaats stonden, konden een aanvraag voor deze vergunning indienen. Daarop hebben zowel eiser als vergunninghouder een aanvraag ingediend.
6. Op grond van artikelen 3.2. en 3.3. van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten (de Verordening) kunnen belangstellenden zich laten plaatsen op een sollicitantenlijst voor een staanplaatsvergunning. Voor een vergunning komen in aanmerking, degenen die hun belangstelling hiervoor kenbaar hebben gemaakt en in de volgorde van hun plaats op de sollicitantenlijst. De vergunning is op grond van deze bepalingen verleend aan vergunninghouder omdat hij langer op de lijst stond dan eiser.
7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de verleende vergunning aan vergunninghouder als de geweigerde vergunning aan hemzelf. In bezwaar is het college bij de afwijzing van de vergunningverlening aan eiser gebleven. Het college heeft het bezwaar van eiser tegen de vergunningverlening aan vergunninghouder wel gegrond verklaard voor wat betreft de tijdsduur van de vergunning. De vergunning van vergunninghouder is aangepast van onbepaalde tijd naar een looptijd van tien jaar.
Standpunten partijen
8. Eiser is in beroep gegaan tegen de verleende vergunning aan vergunninghouder. Hij stelt zich op het standpunt dat de vergunning niet op de juiste wijze is toegekend omdat de verdeelmethode niet voldoet aan de eisen van de Dienstenrichtlijn. Door het hanteren van een sollicitantenlijst is aan hem namelijk geen gelijke kans geboden om mee te dingen naar de vrijgekomen staanplaats. Het college stelt zich op het standpunt dat er bij deze vergunningverlening wel degelijk sprake is geweest van gelijke kansen voor beide belangstellenden. Van belang daarbij is dat zowel eiser als vergunninghouder nieuwkomers op de markt waren en dat voor beiden duidelijk moet zijn geweest dat zij zich op de sollicitantenlijst konden laten plaatsen en mee konden dingen naar deze staanplaats. Vergunninghouder stelt zich op het standpunt dat de vergunning terecht aan hem is verleend en dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij de vergunning ook zou kunnen behouden. Om die reden heeft hij veel geïnvesteerd in de voorzieningen van de kiosk.
Beoordeling door de rechtbank
9. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een schaarse vergunning. Een vergunningstelsel voor schaarse vergunningen moet op grond van de Europese Dienstenrichtlijn voldoen aan het gelijkheidsbeginsel. Dat wil weggen dat potentiële gegadigden een gelijke kans moeten hebben op die schaarse vergunning.
10. Om gelijke kansen te realiseren, moet het bestuursorgaan een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Het bestuursorgaan moet hierover tijdig voorafgaand aan de start van de aanvraagprocedure duidelijkheid scheppen, door informatie over deze aspecten bekend te maken via een zodanig medium dat potentiële gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. Dit vereiste wordt ook wel de transparantieverplichting genoemd.
11. De rechtbank is van oordeel dat het verdelen van schaarse vergunningen door middel van rangorde op een sollicitantenlijst niet voldoet aan de transparantieverplichting en dat daarmee in beginsel geen gelijke kansen worden geboden. Door het hanteren van de wachtlijst kan immers niet voorafgaand worden gegarandeerd dat mededingingskansen voor nieuwkomers aanwezig is. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de toelichting van het college dat inmiddels geen gebruik meer wordt gemaakt van sollicitantenlijsten en dat schaarse staan- en ligplaatsvergunningen volgens nieuw beleid via loting onder aanvragers worden verdeeld. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet aanleiding om het beroep hierom gegrond te verklaren.
12. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtgevolgen van de vergunningverlening in stand laten. Op de zitting is besproken hoe de sollicitantenlijst aan belangstellenden kenbaar is gemaakt. Uit de toelichting van partijen op de zitting begrijpt de rechtbank dat eiser wist dat een sollicitantenlijst werd gehanteerd. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij tot drie keer toe bij het Marktbureau is geweest om kenbaar te maken dat Amsterdam door gebruik van een sollicitantenlijst afwijkt van andere gemeenten en dat het hanteren van een sollicitantenlijst niet in overeenstemming is met de Europese regels. Eiser is dus in contact geweest met het Marktbureau over dit punt, was op de hoogte van de sollicitantenlijst en was dus in de gelegenheid om zich eerder dan hij nu heeft gedaan, te laten registreren op de sollicitantenlijst als belangstellende. Hij heeft zich echter om hem moverende redenen pas laten registeren toen hij een aanvraag indiende voor de vergunning. Van belang is verder dat vergunninghouder flink heeft geïnvesteerd in de staanplaats en het voor hem niet duidelijk was dat de investering voor eigen rekening en risico was zolang de vergunning niet onherroepelijk was. In de rechtsmiddelenclausule van het besluit van vergunninghouder is namelijk niets vermeld over dit risico, terwijl dit bij bijvoorbeeld bouwvergunningen wel uitdrukkelijk wordt vermeld. De rechtbank stelt vast dat de kiosk in zeer slechte staat was en dat in de vergunning stond dat vergunninghouder op korte termijn moest gaan starten. Onder deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de evenredigheid zich verzet tegen het opnieuw doorlopen van een verdeelprocedure.
13. Voor eiser betekent het voorgaande concreet dat de rechtbank oordeelt dat de verdeling via de sollicitantenlijst niet in overeenstemming is met het recht en dat de bestreden besluiten om die reden worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dat betekent dat de vergunningverlening aan vergunninghouder in stand blijft.
Overschrijding redelijke termijn
14. Eiser heeft de rechtbank op de zitting verzocht om een immateriële schadevergoeding vast te stellen vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
15. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt overschreden als de duur van de gehele procedure onredelijk lang is. Voor zaken in eerste aanleg geldt in beginsel een redelijke termijn van in totaal twee jaar. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure begint de termijn op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt wanneer de rechter uitspraak doet. De redelijke behandelingsduur in bezwaar is overschreden als deze langer dan een half jaar heeft geduurd. De redelijke behandelingsduur in beroep is overschreden als deze langer dan anderhalf jaar heeft geduurd.
16. In dit geval is het bezwaarschrift gedateerd op 15 december 2022 aangetekend verstuurd. De rechtbank gaat uit van ontvangst op de volgende werkdag, 16 december 2022. De redelijke termijn van twee jaar is daarom op 16 december 2024 verlopen.
17. De rechtbank doet uitspraak op 12 augustus 2026. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn afgerond 20 maanden bedraagt. De rechtbank zal daarom – uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar of een deel daarvan – een schadevergoeding van € 2.000,- aan eiser toekennen.
18. Dan is vervolgens de vraag wie deze schadevergoeding moet betalen. Het college heeft de beslissing op bezwaar op 1 december 2023 genomen en daarmee de termijn van zes maanden (eindigend op 15 juni 2023) met bijna 6 maanden overschreden. Dit betekent dat de eerste zes maanden voor rekening van het college komen en de overige 14 maanden voor rekening van de rechtbank. Het college moet 6/20 deel van € 2.000,- betalen en de Staat 14/20 deel. Het college moet een bedrag van € 600,- betalen en de Staat een bedrag van € 1.400,-.
Conclusie en gevolgen
19. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Dat betekent dat de vergunningverlening aan vergunninghouder in stand blijft.
20. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Er is sprake van twee samenhangende zaken die samen als één beroep tellen. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (2 punten, met wegingsfactor 1). Ook heeft de gemachtigde op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn (1 punt, met wegingsfactor 0,5). De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 1 december 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- veroordeelt het college tot het betalen van € 600,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser van € 2.335,-.
- bepaalt dat het college het griffierecht van 2 x € 187,- (in totaal € 374,-) aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.400,- aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr.N. Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.