RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772340 / HA ZA 25-1281
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
MH DIENSTVERLENING EN HANDEL B.V.,
gevestigd te Heerhugowaard,
eisende partij,
hierna te noemen: MH Dienstverlening,
advocaat: mr. I. Epe,
tegen
HAVENSERVICE ROZENBURG B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HSR,
advocaat: mr. S.M.P. Jacobs.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 mei 2026,
- de akte uitlating na tussenvonnis van MH Dienstverlening van 1 juni 2026,
- de akte verzoek tot heroverweging/verbetering kennelijke fout van MH Dienstverlening d.d. 1 juni 2026,
- de akte indiening nadere productie van MH Dienstverlening d.d. 16 juni 2026,
- de akte uitlating na tussenvonnis van HSR d.d. 24 juni 2026,
- de antwoordakte inzake verzoek tot heroverweging en nadere punten van HSR d.d. 24 juni 2026,
- de antwoordakte overleggen productie van HSR d.d. 1 juli 2026,
- het B16-formulier d.d. 3 juli 2026 met verzoek van MH Dienstverlening om de gelegenheid te geven integraal op de akte van HSR te reageren, voor zover ook de punten die HSR heropend heeft worden meegenomen in het vonnis,
- het B11-formulier d.d. 3 juli 2026 waarin HSR aangeeft dat verzoek van MH Dienstverlening d.d. 3 juli 2026 moet worden afgewezen en dat als het wel wordt toegewezen, HSR gelegenheid moet worden geboden daarop te reageren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 13 mei 2026 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat de tussen MH Dienstverlening en HSR bestaande rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, dat HSR deze overeenkomst heeft opgezegd en daarbij een redelijke opzegtermijn van zes maanden in acht had moeten nemen en dat HSR gehouden is de winst te vergoeden die MH Dienstverlening gedurende die opzegtermijn zou hebben gemaakt. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat HSR zich met haar e-mails van 7 mei 2024 en 25 juni 2024 onrechtmatig jegens MH Dienstverlening heeft uitgelaten en dat zij een schadevergoeding moet betalen van € 7.994,75. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat MH Dienstverlening in beginsel recht heeft op betaling van haar openstaande facturen. Het beroep van HSR op verrekening slaagt gedeeltelijk tot een bedrag van € 97.806,34. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
De rechtbank heeft MH Dienstverlening bij het tussenvonnis opgedragen haar standpunten op twee punten nader te onderbouwen. In de eerste plaats diende zij, door middel van een nadere specificatie van Fiks Accountants (hierna: Fiks), toe te lichten hoe de in de schadeberekening gehanteerde winstmarge van 24,2% tot stand is gekomen en of de (vertraagde) gunning van het project Slakzand daarin was verwerkt. Voor zover dat het geval was, diende MH Dienstverlening de winstmarge opnieuw te berekenen zonder die gunning en, met inachtneming van de door de rechtbank vastgestelde opzegtermijn van zes maanden, haar vordering tot schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn opnieuw te berekenen. In de tweede plaats diende MH Dienstverlening de facturen over te leggen die betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam] (hierna: [naam]), voorzien van een specificatie van de gewerkte uren voor zover deze niet reeds uit de facturen bleek, en haar vordering uit hoofde van de openstaande facturen te herberekenen op basis van het door de rechtbank vastgestelde uurtarief van € 38,- (in plaats van € 45,-) voor diens werkzaamheden. HSR is vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop bij antwoordakte te reageren.
Naast de inhoudelijke reactie op de door de rechtbank opgedragen nadere onderbouwing heeft MH Dienstverlening een afzonderlijke akte genomen strekkende tot heroverweging van de rechtsoverwegingen 5.58, 5.59 en 5.64 van het tussenvonnis, alsmede tot herstel van een aantal kennelijke schrijf- en rekenfouten.
HSR heeft vervolgens zowel inhoudelijk op de nadere onderbouwing van MH Dienstverlening als op het verzoek tot heroverweging en herstel van kennelijke fouten gereageerd. Daarnaast heeft ook HSR de rechtbank verzocht om een aantal punten uit het tussenvonnis te heroverwegen, te weten de rechtsoverwegingen (i) 1.2, 5.12, 5.13, (ii) 2.1, (iii) 3.12, (iv) 5.3 tot en met 5.22, (v) 5.31 en 5.37 en (v) 5.61. De rechtbank zal eerst deze verzoeken beoordelen en vervolgens ingaan op de schadeberekening en de uren van [naam].
Kennelijke verschrijvingen
Partijen hebben de rechtbank erop gewezen dat het tussenvonnis op een aantal punten kennelijke verschrijvingen bevat. De rechtbank overweegt dat zij ingevolge artikel 31 Rv bevoegd is een kennelijke reken-, schrijf- of andere fout die zich voor eenvoudig herstel leent, te verbeteren. Van dergelijke gevallen is hier sprake. De rechtbank zal de verzoeken dan ook grotendeels toewijzen, zoals vermeld in het dictum. De gevraagde correctie van de verwijzing naar de e-mail van 24 juni 2025 naar 24 juni 2024 in overwegingen 1.2 en 5.39 zal ook in overweging 5.41 worden toegepast.
Partijen hebben gewezen op vermeende rekenkundige onjuistheden in rechtsoverweging 1.2 en rechtsoverweging 5.49 van het tussenvonnis. De rechtbank ziet geen aanleiding deze rechtsoverwegingen te verbeteren. Anders dan partijen hebben aangevoerd, worden in (de minuut van) het tussenvonnis de bedragen € 97.806,34 respectievelijk € 135.758,94 genoemd. Deze bedragen zijn in overeenstemming met de berekeningen en de overige overwegingen in het tussenvonnis. Van een kennelijke reken- of schrijffout in het tussenvonnis is daarom geen sprake. Voor zover in een digitale weergave of een doorzoekbare versie van de uitspraak de bedragen € 91.806,34 en € 135.158,94 voorkomen, berust dit kennelijk op een fout bij de digitale weergave van de uitspraak, waarbij het cijfer 7 ten onrechte als een 1 is weergegeven. Dat levert geen grond op voor verbetering van het tussenvonnis op de voet van artikel 31 Rv.
Terugkomen op bindende eindbeslissingen?
MH Dienstverlening heeft de rechtbank verzocht terug te komen van de bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis voor zover deze betrekking hebben op de verrekening van een bedrag van € 80.000,- aan brandstofkosten, de onderbouwing van de kosten van gereedschappen en PBM’s en het daarop voortbouwende oordeel over de omvang van de verrekenbare vordering (zie 2.3 hiervoor). Volgens MH Dienstverlening berusten deze beslissingen op een onjuiste waardering van de overgelegde stukken.
HSR heeft de rechtbank eveneens verzocht terug te komen van een aantal bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Volgens HSR berusten deze beslissingen op feitelijke en juridische misslagen. De verzoeken hebben onder meer betrekking op de weergave van het procesverloop en de feiten, de beëindiging en kwalificatie van de duurovereenkomst, de vastgestelde opzegtermijn, de uitgangspunten van de schadeberekening, het oordeel over de onrechtmatige uitlatingen en de zeefmolenkosten (zie 2.4 hiervoor).
De rechtbank stelt voorop dat een rechter, die in een tussenuitspraak op een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding is gebonden (Hoge Raad 4 mei 1984, NJ 1985/3). De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gebaseerd op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, die zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. De rechter dient - ook - in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is (Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521).
De rechtbank ziet in hetgeen door partijen is aangevoerd geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om terug te komen van bindende eindbeslissingen. De aangevoerde bezwaren zien in wezen op een door de rechtbank in het tussenvonnis gegeven waardering van feiten, uitleg van de overgelegde stukken of juridische beoordeling daarvan. Het enkele feit dat een procespartij het daar niet mee eens is (of zelfs hartsgrondig mee oneens is) maakt niet dat daarom dus sprake is van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het verzoek om gebruik te maken van de bevoegdheid om terug te komen van een gegeven bindende eindbeslissing dient er niet toe om die beslissingen in een vonnis waar een partij het niet mee eens is, in dezelfde instantie ter discussie te stellen. Daarvoor bestaat de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep.
Voor zover het tussenvonnis partijen heeft opgedragen bepaalde onderdelen van hun stellingen nader te onderbouwen, zoals de schadeberekening, beoordeelt de rechtbank die nadere onderbouwing hierna. Dat betreft geen heroverweging van een bindende eindbeslissing, maar de uitvoering van de in het tussenvonnis gegeven onderbouwingsopdracht.
Schadeberekening vanwege niet-inachtneming opzegtermijn
MH Dienstverlening heeft overeenkomstig de opdracht in het tussenvonnis de door Fiks gehanteerde brutowinstmarge nader toegelicht, onder verwijzing naar een brief van Fiks van 28 mei 2026. Fiks heeft daarin uiteengezet dat de in de oorspronkelijke schadeberekening gehanteerde brutowinstmarge van 24,2% was gebaseerd op de ten tijde van die schadeberekening beschikbare conceptcijfers over het boekjaar 2024. Nadat de definitieve jaarrekening 2024 beschikbaar was gekomen, heeft Fiks de berekening gecontroleerd aan de hand van die definitieve cijfers. Dat heeft geleid tot een beperkte neerwaartse bijstelling van de brutowinstmarge naar 23,7%. Volgens Fiks wordt deze correctie uitsluitend verklaard door een hogere post ‘kostprijs omzet/inhuur van zzp’ers’ in de definitieve jaarrekening. Verder heeft Fiks toegelicht dat zowel de oorspronkelijke marge van 24,2% als de definitieve marge van 23,7% uitsluitend zijn gebaseerd op de gerealiseerde bedrijfsresultaten over 2024 en dat de definitieve gunning van het project Slakzand, die eerst in mei 2025 heeft plaatsgevonden, in geen van beide berekeningen is betrokken. Uitgaande van de door de rechtbank in het tussenvonnis vastgestelde jaaromzet van € 3.000.000,- en een opzegtermijn van zes maanden heeft MH Dienstverlening de schade wegens gederfde winst vervolgens herberekend op € 355.500,-.
HSR heeft aangevoerd dat deze aangepaste schadeberekening onvoldoende controleerbaar is. Volgens haar is de gehanteerde brutowinstmarge niet verifieerbaar, omdat niet de volledige administratie is overgelegd, waaronder de grootboekadministratie, kostenspecificaties, urenregistraties en de volledige jaarrekeningen. Daarnaast stelt HSR dat de berekening uitgaat van een bedrijfsbrede brutowinstmarge, terwijl de schade uitsluitend betrekking heeft op de werkzaamheden voor HSR. Volgens HSR had daarom rekening moeten worden gehouden met een projectspecifieke marge. Voorts heeft HSR aangevoerd dat niet zonder meer van een gelijkblijvende omzet kan worden uitgegaan. Doordat de vraag naar personeel bij Tata Steel in 2024 afnam, lag de omzet van HSR bij Tata Steel dat jaar circa 45% lager dan in 2023 en 2022, aldus HSR. Ten slotte heeft HSR erop gewezen dat Fiks eerder verschillende schadeberekeningen heeft opgesteld die van elkaar afwijken.
De rechtbank stelt voorop dat zij in het tussenvonnis bindend heeft geoordeeld dat voor de berekening van de schade wegens het niet in acht nemen van de redelijke opzegtermijn moet worden uitgegaan van een jaaromzet van € 3.000.000,- en een opzegtermijn van zes maanden. De door HSR aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de afgenomen vraag naar arbeid en de omzetontwikkeling bij Tata Steel zien op de omzet, terwijl het uitgangspunt daarvan in het tussenvonnis dus al is vastgesteld (een jaaromzet van € 3.000.000,-). Hetzelfde geldt voor het betoog van HSR over de inzet van Shoveldiensten. Zoals de rechtbank in overweging 5.17 en 5.18 van het tussenvonnis heeft toegelicht, is dat aspect al verdisconteerd in de door de rechtbank vastgestelde opzegtermijn van zes maanden. Zonder die inzet had de rechtbank immers een langere opzegtermijn passend geacht. De door HSR aangevoerde omstandigheden zien daarmee in wezen op al beoordeelde uitgangspunten van de schadeberekening en geven geen aanleiding om op de bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis terug te komen. De rechtbank blijft daarom bij de in het tussenvonnis gehanteerde uitgangspunten.
Voor zover HSR aanvoert dat MH Dienstverlening is uitgegaan van een bedrijfsbrede brutowinstmarge, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat Fiks de brutowinstmarge heeft berekend aan de hand van de totale bedrijfsomzet over 2024 en niet uitsluitend op basis van de omzet en marge die betrekking hebben op de werkzaamheden die MH Dienstverlening voor HSR verrichtte. Dat gegeven maakt de gehanteerde berekeningswijze echter niet zonder meer onjuist. Tegenover de door MH Dienstverlening en Fiks verstrekte toelichting heeft HSR onvoldoende concreet onderbouwd waarom in dit geval had moeten worden uitgegaan van een afzonderlijke projectspecifieke brutowinstmarge, bijvoorbeeld vanwege de unieke kenmerken van dit project. HSR heeft hier ruimschoots gelegenheid voor gehad. De rechtbank beschikt hierdoor niet over concrete handvatten om te oordelen dat een bedrijfsbrede brutowinstmarge in dit geval tot een onjuiste schadeberekening leidt.
De rechtbank acht daarnaast voldoende toegelicht dat de definitieve gunning van het project Slakzand geen invloed heeft gehad op de gehanteerde brutowinstmarge. Uit de door Fiks verstrekte toelichting volgt dat zowel de oorspronkelijke marge van 24,2% als de gecorrigeerde marge van 23,7% uitsluitend zijn gebaseerd op de gerealiseerde cijfers over 2024, terwijl de definitieve gunning van het project Slakzand pas in mei 2025 heeft plaatsgevonden. De door HSR geuite twijfel dat de marge mede door dit project zou zijn beïnvloed, vindt daarom geen steun in de overgelegde stukken.
De rechtbank zal daarom uitgaan van de door Fiks berekende brutowinstmarge van 23,7%. Uitgaande van de in het tussenvonnis vastgestelde jaaromzet van € 3.000.000,- en een opzegtermijn van zes maanden bedraagt de door HSR te vergoeden schade wegens gederfde winst € 355.500,- (€ 3.000.000,- × 6/12 × 23,7%). De vordering zal in zoverre worden toegewezen.
Uren [naam]
In het tussenvonnis is geoordeeld dat voor de werkzaamheden van de heer [naam] een uurtarief van € 38,- dient te worden gehanteerd. Naar aanleiding van de opdracht uit het tussenvonnis heeft MH Dienstverlening de facturen die zijn opgenomen in de overzichten in producties 11 en 12 bij de dagvaarding waarop de werkzaamheden van [naam] betrekking hebben en de bijbehorende urenspecificaties overgelegd. Daarbij heeft zij toegelicht dat de factuur voor week 13 en een gedeelte van de factuur van week 14 door verrekening met de onbetwiste tegenvordering van HSR van € 42.568,16 (zie overweging 5.49 van het tussenvonnis) teniet is gegaan. Voor de factuur van week 14 vordert MH Dienstverlening desalniettemin alleen betaling van het gecorrigeerde uurtarief, ook als de betreffende uren door voornoemde verrekening niet meer openstaan. Dat betekent dat de vordering tot betaling van openstaande facturen van MH Dienstverlening, voor zover deze betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam], beperkt is tot de facturen voor weken 14 tot en met 17 van 2024 en dat de door de rechtbank vastgestelde correctie dient te worden toegepast op het totaal aantal uren dat de heer [naam] in deze weken heeft gewerkt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft MH Dienstverlening met het overleggen van de betreffende facturen en urenspecificaties voldoende inzichtelijk gemaakt hoeveel uren [naam] heeft gewerkt en welke correctie uit het in het tussenvonnis gegeven oordeel voortvloeit. HSR heeft deze vordering niet gemotiveerd betwist. Dat betekent dat de vordering van MH Dienstverlening tot betaling van de openstaande facturen ten aanzien van de werkzaamheden van de heer [naam], na correctie, voor toewijzing in aanmerking komt. Zoals volgt uit onderstaande figuur 3, bedraagt deze vordering in totaal € 9.044,-.
Figuur 3 (doorgenummerd vlg. tussenvonnis): vordering MH Dienstverlening uit hoofde van uren van de heer [naam]
Factuurnr.
Week
Uren [naam]
Totaal o.b.v. oorspronkelijk tarief (€ 45,-)
Totaal o.b.v. gecorrigeerd tarief (€ 38,-)
Verschil
2024-277
14
60
€ 2.700,-
€ 2.280,-
€ 420,-
2024-298
15
70
€ 3.150,-
€ 2.660,-
€ 490,-
2024-339
16
60
€ 2.700,-
€ 2.280,-
€ 420,-
2024-350
17
48
€ 2.160,-
€ 1.824,-
€ 336,-
Totaal
€ 10.710,-
€ 9.044,-
€ 1.666,-
Het verschil tussen het eerder gevorderde tarief en het gecorrigeerde tarief bedraagt € 1.666,-. Dit betekent dat de totale vordering van MH Dienstverlening uit hoofde van openstaande facturen (zie overwegingen 5.49-5.54 van het tussenvonnis) neerkomt op een bedrag van € 135.758,94 – € 1.666 = € 134.092,94.
Anders dan MH Dienstverlening, is de rechtbank van oordeel dat ook het gecorrigeerde tarief voor week 13 (factuur 2024-259) voor vergoeding in aanmerking komt, nu HSR een beroep doet op verrekening en de vordering, aan de hand van de door MH Dienstverlening overgelegde factuur en urenspecificatie voor week 13, eenvoudig kan worden vastgesteld. Zoals volgt uit onderstaande figuur 4, komt hiermee een bedrag van € 420,- voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat de totale vordering van HSR uit hoofde van verrekening (zie overweging 5.64 van het tussenvonnis) € 97.806,34 + € 420 = € 98.226,34 bedraagt.
Figuur 4: vordering HSR uit hoofde van verrekening voor de uren van de heer [naam]
Factuurnr.
Week
Uren [naam]
Totaal o.b.v. oorspronkelijk tarief (€ 45,-)
Totaal o.b.v. gecorrigeerd tarief (€ 38,-)
Verschil
2024-259
13
60
€ 2.700,-
€ 2.280,-
€ 420,-
Daarmee zal een bedrag van € 134.092,94 - € 98.226,34 = € 35.866,60 aan MH Dienstverlening worden toegewezen uit hoofde van de openstaande facturen.
De buitengerechtelijke incassokosten
MH Dienstverlening maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-. MH Dienstverlening heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, berekend over de toegewezen hoofdsom uit hoofde van de openstaande facturen van € 35.866,60. Dat bedrag beloopt € 1.133,67.
De proceskosten
HSR is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van MH Dienstverlening worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,34
- griffierecht
€
10.188,00
- salaris advocaat
€
9.307,50
(2,5 punten × € 3.723,-)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
19.806,84
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 1.2, 5.39 en 5.41 opgenomen verwijzing naar de e-mail van 24 juni 2025 wordt gewijzigd in 25 juni 2024,
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 2.1 opgenomen zinsnede
“het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, en de daarin genoemde processtukken.”
wordt gewijzigd in
“het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die tot het procesdossier behoren.”
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 5.1 opgenomen verwijzing naar “project Slakland” wordt gewijzigd in “project Slakzand”,
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 5.13 opgenomen verwijzing naar de datum van “26 april 2025” wordt gewijzigd in “26 april 2024”,
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 5.18 opgenomen verwijzing naar “gedaagde” wordt gewijzigd in “eiseres”,
bepaalt dat de in het tussenvonnis onder 5.58 opgenomen verwijzing naar de e-mail van “3 maart 2024” wordt gewijzigd in “3 mei 2024”,
bepaalt dat deze aanvulling en verbetering onder vermelding van de datum 26 augustus 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 13 mei 2026,
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 13 mei 2026 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren,
verklaart voor recht dat HSR zich met haar e-mails van 7 mei 2024 en 25 juni 2024 onrechtmatig jegens MH Dienstverlening heeft uitgelaten,
veroordeelt HSR om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 35.866,60 uit hoofde van de openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat toegewezen bedrag, met ingang van 1 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt HSR om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 355.500,- aan schadevergoeding wegens niet inachtneming van de opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt HSR om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 7.994,75 aan materiele en immateriële schadevergoeding wegens de onrechtmatige uitlatingen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt HSR om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 1.133,67 aan buitengerechtelijke incassokosten kosten,
veroordeelt HSR in de proceskosten van € 19.806,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als HSR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 3.10 tot en met 3.14 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.