RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12083774 \ EA VERZ 26-134
Beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van
ITPROPOSAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: ITproposal,
gemachtigde: mr. J.C. van Norden,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.
1. De procedure
ITproposal heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift met producties ingediend, strekkende tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Voor ITproposal is [naam 1] ([functie 1]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is ook verschenen, vergezeld door zijn broer. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is beschikking bepaald.
2. De feiten
[verweerder] is op 3 juni 2025 in dienst getreden bij ITproposal in de functie van [functie 2]. Er is een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend door beide partijen. In artikel 1 onder 4 van de arbeidsovereenkomst staat dat “De werknemer wordt aangenomen voor bepaalde tijd en het dienstverband zal van rechtswege eindigen op 28 Feb 2026 […]”. In de arbeidsovereenkomst is een tussentijds opzegbeding opgenomen, waarbij een opzegtermijn van dertig dagen geldt. Het laatstgenoten salaris van [verweerder] was € 2.600,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 40-urige werkweek.
Op 2 december 2025 heeft [verweerder] per e-mail aan [naam 1] van ITproposal gestuurd:
“Tijdens onze eerste afspraken én volgens mij TWV [tewerkstellingsvergunning, ktr] is duidelijk aangegeven dat de werkperiode 6 maanden bedraagt. Toch staat in het contract dat mij – met aanzienlijke vertraging van ongeveer 25 dagen – werd overhandigd, een duur van 9 maanden vermeld. […]
Op basis van bovenstaande punten verzoek ik u om een officiële schriftelijke bevestiging dat mijn arbeidsovereenkomst per direct wordt beëindigd.”
[verweerder] heeft na 2 december 2025 geen werkzaamheden meer verricht.
3. Het verzoek en het verweer
ITproposal verzoekt om [verweerder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 2.808,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2026 en de kosten van deze procedure.
ITproposal legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerder] schadeplichtig is omdat hij de voor hem geldende opzegtermijn van dertig dagen niet in acht heeft genomen. Hij heeft namelijk op 2 december 2025 per direct zijn dienstverband opgezegd. Daarom is hij een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het loon van [verweerder] over de periode van 2 december 2025 tot 2 januari 2026.
[verweerder] verweert zich tegen toewijzing van het verzoek.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes of negen maanden zijn overeengekomen. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor de duur van negen maanden, zou [verweerder] op 2 december 2025 nog in dienst zijn bij ITproposal en heeft hij de arbeidsovereenkomst op die datum per direct opgezegd, zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van negen maanden overeengekomen. Dit wordt als volgt toegelicht.
ITproposal heeft haar stelling dat partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van negen maanden zijn overeengekomen, onderbouwd met de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst. Hier staat duidelijk in dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en het dienstverband van rechtswege zal eindigen op 28 februari 2026. Deze arbeidsovereenkomst geldt als een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte dwingend bewijs op ter onderbouwing van de waarheid van de verklaring die in de akte staat (tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat). Tegen dit dwingende bewijs staat wel tegenbewijs open, dat door [verweerder] moet worden geleverd (artikel 151 lid 2 Rv).
In dat kader voert [verweerder] aan dat de arbeidsovereenkomst was overeengekomen voor de duur van zes maanden. Nadat de arbeidsovereenkomst aan hem werd overhandigd, waarin een duur van negen maanden wordt vermeld, heeft hij contact opgenomen met [naam 2], [functie 3] van ITproposal. Hij zou aan [verweerder] hebben bevestigd dat de arbeidsovereenkomst op 2 december 2025 eindigt. Dit is weersproken door ITproposal en volgt nergens uit. De kantonrechter zal hier dan ook aan voorbij gaan.
[verweerder] voert verder aan dat een collega, [naam 3], tegen hem heeft gezegd dat in het personeelssysteem december 2025 als einddatum van de arbeidsovereenkomst staat vermeld. ITproposal heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist en aan de hand van de laptop laten zien dat in het systeem als einddatum 28 februari 2026 is vermeld. Het is daarom niet vast komen te staan dat in het systeem december 2025 als einddatum staat vermeld, omdat [verweerder] zijn stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd.
Ten slotte voert [verweerder] aan dat zijn tewerkstellingsvergunning geldig was tot 2 december 2025 en dat ITproposal dit wist omdat ITproposal daarvan een kopie heeft ontvangen. Echter is op de zitting gebleken dat de tewerkstellingsvergunning van [verweerder] op papier slechts geldig was tot september 2025. [verweerder] heeft op de zitting verklaard dat hij op basis van een mondelinge toezegging van de IND tot december 2025 mocht werken. Hoe dan ook geldt dat ITproposal dan niet aan de hand van schriftelijke tewerkstellingsvergunning ervan uit kon gaan dat [verweerder] tot 2 december 2025 beschikbaar was, zodat ook dit verweer niet slaagt.
Tussen partijen is niet in geschil dat ITproposal aan [verweerder] een verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft aangeboden. [verweerder] heeft tijdens de zitting de aan hem toegestuurde verlenging van de arbeidsovereenkomst getoond. Uit de tekst van de verlenging blijkt niet per wanneer de verlenging in zou gaan en dus ook niet wanneer de eerste arbeidsovereenkomst zou eindigen. Maar ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst is het niet ongebruikelijk dat enkele maanden van tevoren een verlenging wordt aangeboden. Het enkele feit dat enkele dagen voor 2 december 2025 een verlenging is aangeboden, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat een arbeidsovereenkomst is aangegaan tot 2 december 2025, waarbij wederom de tekst van ondertekende overeenkomst zwaar meeweegt.
Tegen die achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Dat leidt ertoe dat vast is komen te staan dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en zou eindigen op 28 februari 2026. [verweerder] heeft niet betwist dat hij op 2 december 2025 op zijn initiatief per direct is gestopt met werken. Dat betekent dat hij de opzegtermijn van dertig dagen niet in acht heeft genomen. Daarom moet [verweerder] over de opzegtermijn aan ITproposal een schadevergoeding betalen ter hoogte van het verschuldigde loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging nog zou voortduren. Dat blijkt uit artikel 7:672 lid 11 BW. Gelet op de door ITproposal aangehaalde opzegtermijn van dertig dagen is het verzoek van ITproposal tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding van € 2.808,00 (zijnde het maandloon inclusief vakantiegeld) toewijsbaar. Omdat [verweerder] dit bedrag niet op tijd heeft betaald, moet hij ook de wettelijke rente hierover betalen. De kantonrechter zal de wettelijke rente per de verzochte datum toewijzen.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ITproposal worden begroot op: € 721,00, bestaande uit het salaris gemachtigde (€ 577,00) en de nakosten (€ 144,00).
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerder] om aan ITproposal te betalen een bedrag van € 2.808,00 bruto aan gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW,
veroordeelt [verweerder] om aan ITproposal te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het onder 5.1 genoemde bedrag, vanaf 2 januari 2026 totdat het bedrag volledig is voldaan,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van ITproposal begroot op € 721,00, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.