RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/774511 / HA ZA 25-1417
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. I.A.M. Zoutberg,
tegen
1. [gedaagde 1] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] , en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. M.W. Renzen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 14 augustus 2025, met producties, - de akte overlegging producties 27 en 28 aan de kant van [eiser] ,- de akte overlegging productie 29 aan de kant van [eiser] , - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties, - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte vermeerdering van eis en overlegging producties 41 t/m 46 aan de kant van [eiser] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 juni 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] was tot september 2024 enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is de heer [naam 1] .
[gedaagde 1] is een onderneming die zich bezighoudt met het verkrijgen en beheren van aandelen en van certificaten van aandelen in andere vennootschappen. Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is de Belgische vennootschap [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Bestuurders van [bedrijf 2] zijn de heren [naam 2] en [naam 3] alsmede mevrouw [naam 4] . [naam 5] is naast indirect bestuurder van [gedaagde 1] ook enig bestuurder van [gedaagde 2] .
[gedaagde 2] houdt zich bezig met advies op het gebied van bedrijfsvoering en overig managementadvies.
Partijen zijn begin 2024 in onderhandeling getreden over de verkoop van 100% van de aandelen die [eiser] destijds hield in [bedrijf 1] . Partijen zijn daarbij bijgestaan door hun financieel adviseurs: [eiser] door [naam 6] en [gedaagden] door [naam 7].
[eiser] heeft een voorstel gedaan van € 2.750.000,00 gebaseerd op de behaalde resultaten van [bedrijf 1] over de boekjaren 2022 en 2023 en een multiple op de EBITDA van 5,5. Uiteindelijk hebben partijen de koopprijs van de aandelen bepaald op
€ 2.100.000,- (met een earn out te verhogen tot € 2.350.000,-), waarbij het resultaat van [bedrijf 1] over 2021 ook is meegenomen en een multiple op de EBITDA van 4,5.
Op 30 juni 2024 schrijft [naam 5] aan [naam 6]:
“Ik heb vrijdag eindelijk het lijstje gekregen van de documenten die [naam 8] nodig heeft om onze leningsaanvraag voor de machines in gang te zetten. Ik wil 300.000 euro lenen voor de machines. Ik heb alle documenten die hij vraagt behalve de volgende 2:
De resultaatsprognose van [bedrijf 1] voor 2024 / 2025
De verkoopovereenkomst voor de machines
Kan jij mij deze documenten bezorgen”
Op 1 juli 2024 heeft [naam 6] de volgende mail gestuurd naar [naam 5]:
“De (concept)projecties heb ik vandaag verder geactualiseerd en ter akkoord ook aan [naam 1] [ [eiser] ] toegezonden. Na zijn reactie/akkoord zal ik die met je delen. De (concept)overeenkomsten verwacht ik eerdaags te ontvangen. Die kunnen we dan ook met jullie delen om tot een ondertekening te komen.”
Op 5 juli 2024 ontvangt [naam 5] de prognose van [bedrijf 1] over 2024 en 2025.
Op 16 augustus 2024 hebben partijen de koopovereenkomst gesloten. Partijen hebben daarbij afgesproken dat de levering van de aandelen in twee tranches zou plaatsvinden.
In bijlage 4 van de koopovereenkomst staat:
“ 17. Algemeen 17.1 Alle door of namens Verkoper en de Vennootschap aan Koper en/of haar adviseurs gegeven informatie is juist, volledig en niet misleidend. De DD Documenten bevatten alle informatie die, voor zover bij Verkoper bekend, relevant kan zijn voor een koper van de Aandelen.
Aan verkoper zijn geen feiten of omstandigheden bekend die niet bij de totstandkoming van deze Overeenkomst aan Koper ter kennis zijn gebracht en waarvan Verkoper in redelijkheid behoort te weten dat kennisneming daarvan door Koper van invloed zou zijn geweest op de bereidheid van Koper om de Aandelen te kopen en de Transactie te effectueren.
Verkoper is niet met feiten of omstandigheden bekend die leiden of zullen leiden tot een Inbreuk op één of meer van de Garanties.”
Op 2 september 2024 is conform afspraak 50% van de aandelen overgedragen.
Op 1 juli 2025 zouden als tweede tranche de overige 50% van de aandelen overgaan. Tot op heden heeft deze overdracht niet plaatsgevonden.
3. Het geschil
in conventie
[eiser] vordert - samengevat – en na vermeerdering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte houdende levering door [eiser] aan haar van de aandelen 91 t/m 170 in het kapitaal van [bedrijf 1] , tegen betaling aan [eiser] van de koopprijs ad € 933.333,33 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2025, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag tot een maximum van € 1.000.000,-;
II. [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte houdende levering door [eiser] aan haar van de aandelen 171 t/m 180 in het kapitaal van [bedrijf 1] , tegen betaling aan [eiser] van de koopprijs ad € 116.666,67 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2025, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag tot een maximum van € 1.000.000,-;
III. [gedaagden] te veroordelen om volledige medewerking te verlenen aan het nemen van het besluit tot dividenduitkeringen van € 99.602,-, gelijk te verdelen over alle uitstaande aandelen, tijdens een algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf 1] , op straffe van een dwangsom € 7.500,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;
IV. [gedaagden] te veroordelen om zich te onthouden van het frustreren of op andere wijze belemmeren van de uitvoering door het bestuur van [bedrijf 1] van het dividendbesluit over het eerste half jaar van 2025, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;
V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.775,-, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst gesloten. Daarbij is afgesproken dat de tweede tranche aandelen door [gedaagden] zou worden afgenomen tegen betaling van de koopprijs en dat heeft zij niet gedaan. Hierdoor is zij toerekenbaar tekortgeschoten. [eiser] wil dat [gedaagden] alsnog nakomen.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] doen daarbij een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de koopovereenkomst, omdat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling, dan wel bedrog tot stand is gekomen. [eiser] heeft namelijk:
I. voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst willens en wetens onjuiste inlichtingen verstrekt aan [gedaagden] over de omzet van [bedrijf 1] . De prognose die [gedaagden] in dat kader hebben ontvangen is dan ook onjuist, terwijl [eiser] wist dat de prognose cruciaal was voor [gedaagden] om een koopovereenkomst te sluiten. Bij een juiste voorstelling van zaken zouden [gedaagden] de koopovereenkomst niet hebben gesloten.
II. haar mededelingsplicht geschonden. [eiser] had de verplichting om te melden dat één van de klanten van [bedrijf 1] , [naam 9], kenbaar had gemaakt dat zij geen nieuwe afnamegarantie zou afgeven en zelfs dat het onzeker was of er nog bestellingen zouden volgen. Bovendien geldt dat [eiser] ook een mededelingsplicht had op grond van de garanties opgenomen in bijlage 4 van de koopovereenkomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagden] vorderen - samengevat – bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel ontbonden en [eiser] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [gedaagden] hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. Subsidiair de koopovereenkomst te vernietigen wegens bedrog, dan wel dwaling, althans te ontbinden en [eiser] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [gedaagden] hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. Zowel primair als subsidiair [eiser] te veroordelen om:
a) aan [gedaagden] te voldoen een bedrag van € 1.050.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 2 september 2024;
b) binnen vier weken na vonnisdatum mee te werken aan de levering van het door [gedaagden] gehouden aandelenbelang in [bedrijf 1] en in dat kader al het nodige te doen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-, met een maximum van € 5.000.000,-;
IV. Meer subsidiair te verklaren voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de garantieverklaringen 17.1 tot en met 17.3 en haar te veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagden] hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
V. op te heffen de ten laste van [gedaagden] gelegde beslagen;
zowel in conventie als in reconventie
[eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure plus de wettelijke rente.
[gedaagden] leggen aan de vordering ten grondslag dat zij de koopsom onverschuldigd hebben betaald. Zij hebben de overeenkomst immers buitengerechtelijk vernietigd.
[eiser] betwist dat er aan de vereisten van dwaling of bedrog is voldaan, dan wel dat garantieverplichtingen zijn geschonden. Daarbij hebben partijen afstand gedaan van de bevoegdheid om de koopovereenkomst te ontbinden of te vernietigen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Het zwaartepunt van het geschil is de vraag of [eiser] willens en wetens onjuiste inlichtingen heeft verstrekt aan [gedaagden] , dan wel of [eiser] haar mededelingsplicht heeft geschonden met betrekking tot [naam 9]. Het antwoord op beide punten is nee. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Geen afnamegarantie [naam 9]
[gedaagden] stellen dat de koopprijs van € 2.100,000,- is gebaseerd op het resultaat van [bedrijf 1] over 2021, 2022 en 2023. Een groot deel van die omzet is in 2022 en 2023 gerealiseerd bij één opdrachtgever, namelijk [naam 9]. Zo was [naam 9] in 2023 goed voor een omzet van € 985.000,-. Daarbij stellen [gedaagden] dat [bedrijf 1] en [naam 9] in het verleden werkten op basis van een afnamegarantie. [gedaagden] hebben dit onderbouwd met de brief van [bedrijf 1] aan [naam 9] van 15 juni 2023 waarin letterlijk wordt geschreven dat het gaat om een afnamegarantie:
“Hierbij stuur ik u onze afnamegarantie voor onze complete Air Boosters. Deze wordt geleverd in een kist en bestaat uit onderstaande onderdelen.
Artikel
Omschrijving
Jaarprognose
Afnameovereenkomst
Prijs
101.469.950
[naam 9] Air Booster(…)
144 stuks
72 stuks
EUR 2264.43 per stuk
[…]
[naam 9] bestelt de Air Booster in kist per 12 stuks op een inkooporder. [bedrijf 1] brengt [naam 9] op de hoogte indien er nog 12 stuks te leveren zijn op deze afroep. [bedrijf 1] en [naam 9] zullen dan overleggen of er weer een nieuwe overeenkomst afgesloten kan worden voor de Air Booster. Indien het afgesproken aantal Air Boosters binnen 12 maanden niet zijn afgenomen treden [bedrijf 1] en [naam 9] in overleg wanneer het restant wordt opgebruitk dan wel wordt gefactureerd aan [naam 9].”
Nadat de koopovereenkomst was gesloten bleek echter dat [naam 9] aan [eiser] had aangegeven dat er voorlopig veel minder besteld zou gaan worden en dat er nog geen zekerheid was wanneer er meer besteld zou worden. [eiser] heeft dit voor [gedaagden] verzwegen. Als gevolg van dit zwijgen is deze verandering ook niet verdisconteerd in de afgegeven prognose. Daardoor is er in de prognose een veel te mooi beeld geschetst van [bedrijf 1] .
[eiser] betwist dat er sprake is van een ‘afnamegarantie’. De brief van 15 juni 2023 gaat namelijk om een eenmalige leveringsgarantie op verzoek van [naam 9] zelf. [naam 9] wilde namelijk haar activiteiten uitbreiden richting Amerika en zij wilde zeker weten dat [bedrijf 1] kon leveren. Enkel om die reden heeft [bedrijf 1] de brief van 15 juni 2023 opgesteld. Daarbij heeft [eiser] aangevoerd dat [bedrijf 1] überhaupt niet werkt met afnamegaranties, niet bij [naam 9] en ook niet bij andere opdrachtgevers.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel in de brief van [bedrijf 1] inderdaad het woord afnamegarantie voorkomt, is dit onvoldoende voor de conclusie dat [naam 9] had gegarandeerd dat haar jaaromzet hetzelfde niveau zou houden. [eiser] heeft dit voldoende gemotiveerd betwist. Uit de brief van 15 juni 2023 blijkt dat de garantie geldt voor 72 Air Boosters van € 2.264,43 = € 163.038,96. Hoewel dat op zichzelf een flink bedrag is, moet dit worden gezien in het licht van de totale omzet van [bedrijf 1] over 2023, namelijk € 2.255.356,- (aldus 7,2%). Verder schrijft de bedrijfsleider van [bedrijf 1] bij mail van 25 augustus 2025 aan [naam 5] dat “we, op één uitzondering na, zonder afnamegaranties met onze klanten” werken.
Bovendien blijkt uit de jaarstukken van [bedrijf 1] dat de omzet van [naam 9] fluctueerde. In 2023 kwam een groot deel van de omzet vanuit [naam 9], namelijk 43,7%. Het jaar daarvoor was het echter 15,1% en in 2021 2,4%. [gedaagden] was hiervan op de hoogte en heeft dit ook verdisconteerd in de koopprijs van € 2.100.000,-. Het is namelijk op haar verzoek geweest dat 2021 werd meegenomen bij het vaststellen van de koopprijs om ‘tot een meer realistische koopprijs voor de aandelen’ te komen.
Koop niet afhankelijk van prognose
[gedaagden] stellen dat een ‘realistische prognose’ van de resultaten van [bedrijf 1] over 2024 en 2025 een harde eis voor hen was om in zee te gaan met [eiser] . [gedaagden] hebben de prognose ontvangen per mail van 5 juli 2024. Deze prognose vermeldt een netto omzet van € 2.335.811,-, met een winst na belasting over 2024 van € 449.000,-. De koopovereenkomst is gesloten nadat [gedaagden] de uitkomst van het uitgevoerde due diligence onderzoek ontvingen, waarin geen afwijkingen naar voren zijn gekomen.
De eerste tranche aandelen is vervolgens geleverd met de akte van 2 september 2024. In december 2024 heeft [naam 5] gekeken naar de financiële administratie van [bedrijf 1] . Hieruit bleek dat het resultaat van de maanden juli 2024 tot 26 december 2024 uitkwam op een verlies van € 36.500,- terwijl de door [eiser] overgelegde prognose van die periode een winst voorspelde van € 405.000,-. Inmiddels is ook duidelijk dat er grote verschillen zijn tussen de cijfers van [bedrijf 1] en de prognose over de periode van de tweede helft van 2024, namelijk een winst van € 35.780 tegenover een prognose van € 405.000,- en voor de eerste negen maanden van 2025 een winst van € 70.800,- tegenover een prognose van € 870.000,‑.
[eiser] betwist dat een ‘realistische prognose’ een harde voorwaarde was voor [gedaagden] voor het aangaan van de koopovereenkomst. Daarbij stelt [eiser] dat de prognose pas is opgesteld nadat tussen partijen overeenstemming was bereikt over de essentialia van de koopovereenkomst. De prognose is niet opgesteld omdat dit een voorwaarde was voor [gedaagden] , maar omdat [gedaagden] deze prognose nodig hadden voor een leningsaanvraag bij de bank. [eiser] heeft dit onderbouwd met de e-mail van 17 mei 2024 waarin [naam 6] [naam 7] heeft gemaild met een indicatief bod voor [bedrijf 1] . Hierop heeft [naam 7] op 19 mei 2024 gereageerd met “We hebben een akkoord. Morgen of dinsdag zal de tekst elektronisch klaargezet worden.” Vervolgens heeft [naam 7] op 21 mei 2024 een bijlage gemaild met daarin de Information Request list voor de toekomstige due diligence onderzoek met het verzoek om dezelfde dag de Letter of Intent af te werken. In de koopovereenkomst en ook tijdens het due diligence onderzoek is vervolgens niks te vinden met betrekking tot een prestatieverplichting en prognoses.
Uit dit verloop blijkt volgens de rechtbank voldoende duidelijk dat een prognose geen harde voorwaarde is geweest voor [gedaagden] om de koopovereenkomst aan te gaan, nog los van het feit dat een prognose geen garantie is.
Naast het mailverkeer blijkt tevens uit het chronologisch verloop dat de prognose pas is gemaakt, nadat de koopprijs al vaststond tussen partijen en dat deze is gemaakt met het doel om financiering te krijgen van de bank en niet als voorwaarde voor het sluiten van de overeenkomst. Dit is te lezen in de e-mail van [naam 5] aan [naam 6] van 30 juni 2024, waarin hij schrijft: “Ik heb vrijdag eindelijk het lijstje gekregen van de documenten die [naam 8] [rb: medewerker ABN AMRO] nodig heeft om onze leningsaanvraag voor de machines in gang te zetten. Ik wil 300.000,- euro lenen voor de machines. Ik heb alle documenten die hij vraagt behalve de volgende 2: De resultaatprognose van [bedrijf 1] voor 2024 / 2025”. Vervolgens is de prognose op 5 juli 2024 aan [naam 5] verstrekt.
Nu geen van de verweren van [gedaagden] slagen betekent dit dat ook de vorderingen in reconventie worden afgewezen. De overige verweren in reconventie kunnen onbesproken blijven..
De vorderingen in conventie onder I. en II. zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn van 10 dagen wordt verlengd naar acht weken. Dit is een redelijkere termijn gezien de zomerperiode en gezien de financiering die nodig zal zijn om aan de veroordelingen te voldoen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat er sprake is van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Op grond van artikel 611a, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan daarvoor geen dwangsom worden opgelegd.
De vorderingen in conventie onder III. en VI. worden afgewezen. Zoals [gedaagden] hebben betoogd is er nog geen uitnodiging voor een vergadering van aandeelhouders, is er geen uitkeringstoets van een accountant en is de conceptjaarrekening nog niet vastgesteld.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.775,- worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Beslagkosten en proceskosten
[eiser] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden op grond van de overgelegde beslagstukken tot op heden begroot op:
- verschotten
€
2.225,20
- griffierecht
€
735,00
(1 rekest x tarief € 735,00)
- salaris advocaat
€
4.631,00
(1 punt × € 4.631,00)
Totaal
€
7.591,00,
[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagden] in de werkelijke proceskosten. [eiser] voert hierbij aan [gedaagden] onwaarheden hebben aangevoerd waardoor [eiser] aanvullende kosten heeft moeten maken ter hoogte van € 11.258,25. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar een e-mail van [naam 5] die buiten de producties is gelaten en naar een herschreven e-mail van de bedrijfsleider van [bedrijf 1] .
De rechtbank overweegt dat veroordeling in werkelijk gemaakte kosten slechts voor toewijzing in aanmerking komt, indien er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanvangen van een procedure. Het gaat aldus om een hoge drempel waarbij terughoudendheid gepast is. De rechtbank is van oordeel dat deze drempel niet is bereikt. Dat een mail van [naam 5] buiten de producties is gelaten is daarvoor onvoldoende. Daarbij weegt mee dat de betreffende mail geen verschil in de beoordeling teweeg zou hebben gebracht. Voor de herschreven mail van de bedrijfsleider geldt hetzelfde. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten zal dan ook worden afgewezen. Wel zullen [gedaagden] worden veroordeeld in de gebruikelijke proceskosten, inclusief nakosten.
Ook zal de rechtbank bij de proceskosten een halve punt optellen omdat [gedaagden] in hun conclusie van antwoord een volledig onjuist citaat hebben opgenomen uit het arrest DSM/Fox:
Deze bewoordingen zijn niet in het genoemde arrest te vinden, en ook niet elders in gepubliceerde rechtspraak. [eiser] stelt daarom dat [gedaagden] voor het opstellen van haar conclusie van antwoord gebruik heeft gemaakt van artificial intelligence, die is gaan hallucineren. De raadsman van [gedaagden] heeft dit ontkend maar heeft niet kunnen achterhalen hoe de passage wel in de conclusie van antwoord terecht is gekomen.
De rechtbank vindt dit laatste niet beslissend. Het als citaat opnemen van niet bestaande rechtspraak acht de rechtbank kwalijk, want dit heeft zowel [eiser] als de rechtbank nodeloos extra tijd en aandacht gekost. De rechtbank begroot de daarmee gemoeide kosten op een halve punt in de proceskostenveroordeling (€ 2.315,50).
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
9.474,00
- salaris advocaat
€
13.893,00
(3,5 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
26.100,85
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten en de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt, hoeft de ander niet meer te betalen.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen acht weken na betekening van dit vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte houdende levering door [eiser] aan haar van de aandelen 91 t/m 170 in het kapitaal van [bedrijf 1] , tegen betaling aan [eiser] van de koopprijs ad € 933.333,33 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2025,
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen acht weken na betekening van dit vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte houdende levering door [eiser] aan haar van de aandelen 171 t/m 180 in het kapitaal van [bedrijf 1] , tegen betaling aan [eiser] van de koopprijs ad € 116.666,67 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2025,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 7.591,00,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het anders of meer gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen af,
verder in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 26.100,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de veroordelingen onder 5.9 en 5.10 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.