RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772559 / HA ZA 25-1295
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.W. Morot,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. de Falco.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 juli 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met productie,
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie,
- de akte rectificatie van conclusie van antwoord,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de akte vermeerdering van eis met aanvullende productie zijdens de vrouw,
- de akte n.a.v. vermeerdering van eis tevens uitlating nieuwe producties houdende wijziging conventionele eis zijdens de man,
- de akte houdende verandering c.q. vermeerdering van eis tevens houdende aanvullende producties zijdens de vrouw,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben 17 jaar lang een affectieve relatie met elkaar gehad en (informeel) samengewoond. Partijen hebben drie minderjarige kinderen.
Op 18 juli 2024 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan de [adres] voor € 1.750.000 (hierna: de woning).
In december 2024 is de relatie van partijen geëindigd. Op 4 juli 2025 heeft de vrouw de woning verlaten.
3. Het geschil
in conventie
De vrouw vordert na vermeerdering van eis - samengevat – dat de vrouw primair wordt gemachtigd om over te kunnen gaan tot verkoop van de woning. Subsidiair vordert zij een veroordeling tot medewerking aan de verkoop van de woning op straffe van een dwangsom van € 25.000. Daarnaast vordert zij dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de verdeling van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypotheek, makelaarskosten en terugbetaling van haar inleg bij aankoop van de woning van € 160.000. Ook dient ieder de helft van de verkoopkosten te dragen. Tot slot vordert de vrouw dat bepaalde inboedelgoederen aan haar worden toegedeeld zonder nadere verrekening en de man te veroordelen deze goederen zo snel mogelijk, uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan levering, aan de vrouw af te geven.
De vrouw legt daaraan kort gezegd ten grondslag dat de woning, mede in het belang van de kinderen, onmiddellijk moet worden verkocht. Met de verkoopopbrengst kan zij een nieuwe woning kopen, zodat ook zij de kinderen kan huisvesten. Haar huidige huurwoning is daarvoor niet geschikt. Op grond van artikel 3:174 BW dient zij daarom te worden gemachtigd tot het te gelde maken van de woning. Bij afwijzing van de primaire vordering, dient de man te worden veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning. Hierbij zijn dwangsommen als pressiemiddel noodzakelijk, aangezien hij weigert mee te werken aan de verkoop. Ook dient de vrouw de mogelijkheid te hebben om het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats te laten treden voor de benodigde wilsverklaring van de man. Verder maakt zij aanspraak op een vergoedingsvordering in verband met ongelijke financiering bij aankoop van de woning, omdat partijen dit zijn overeengekomen dan wel op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).
De man voert verweer. Allereerst dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans te worden afgewezen, omdat de vrouw een verzoekschrift had moeten indienen met een verzoek tot machtiging. Verder is het volgens de man niet in het belang van de kinderen om de woning nu te verkopen. De dochter zit in de laatste twee schooljaren en de middelste zoon is 6 jaar geleden ernstig ziek geweest. Op langere termijn, over één jaar, is de man wel bereid mee te werken aan de verkoop van de woning. De man betwist dat partijen afspraken hebben gemaakt omtrent de (terug)betaling van een deel van de aankoopprijs door de vrouw uit haar privévermogen. Verder dient afgifte van de aan haar toe te delen inboedel binnen 30 dagen na verkoop van de woning plaats te vinden en zijn dwangsommen prematuur en onnodig. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
De man vordert na eiswijziging – samengevat– in reconventie primair dat de rechtbank de verkoop van de woning voor de duur van minimaal één jaar uitstelt. Ook vordert de man een bevel tot afgifte van de sleutels van de auto. Subsidiair vordert de man dat partijen gezamenlijk een makelaar kiezen alsmede een verklaring voor recht dat € 50.000 door de man uit eigen vermogen is gebruikt voor aankoop van de woning en uit de verkoopopbrengst aan de man (na aflossing hypotheek en overige verkoopkosten) moet worden voldaan. Tot slot vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld tot onvoorwaardelijke medewerking aan bovengenoemde betaling.
De man legt daaraan kort gezegd ten grondslag dat het niet in het belang is van de kinderen om de woning nu te verkopen. Daarbij heeft de man tot op heden, ondanks inspanningen daartoe, geen nieuwe baan gevonden en is de kans dat hij op korte een hypotheek kan verkrijgen nagenoeg uitgesloten.
Volgens de vrouw is het niet in het belang van de kinderen om de verkoop van de woning uit te stellen. Zijn belangen om de woning onverdeeld te laten zijn niet groter dan de belangen van de vrouw die door de verdeling worden gediend. Ook betwist zij dat de man € 50.000 uit privévermogen heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en daarmee een vergoedingsrecht zou hebben. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en reconventie
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Verdeling van de woning
Tussen partijen is niet in de geschil dat de woning aan een derde moet worden verkocht. Wel is in geschil op welke wijze en wanneer tot verdeling moet worden overgegaan. Ook twisten partijen over de vraag of zij ieder een vergoedingsrecht hebben in verband met inleg van bedragen uit eigen vermogen bij aankoop van de woning.
Geen machtiging
De vrouw vordert primair dat zij wordt gemachtigd om de woning te gelde te maken. Zij wenst op die manier zo spoedig mogelijk te worden ontslagen uit de aansprakelijkheid van de hypotheekschuld en woonlasten zonder daarbij afhankelijk te zijn van de medewerking van de man.
Volgens de man moet de vordering van de vrouw niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij de procedure verkeerd heeft ingeleid. Een verzoek tot machtiging had bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, aldus de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de wisselbepaling van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan aan de partij die een verzoek doet in een dagvaarding, de gelegenheid krijgen om de dagvaarding om te zetten in een verzoekschrift. Dat zou hier moeten gebeuren. De rechtbank zal daar niet toe overgaan, omdat zij de vordering/het verzoek zal afwijzen. Die beslissing steunt op het volgende.
Een partij kan de rechter verzoeken om een machtiging om een gemeenschappelijk goed te gelde maken in verband met de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen (artikel 3:174 lid 1 en 2 BW). Die gewichtige redenen kunnen liggen in leegstand en een daardoor optredend gevaar voor waardevermindering. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te komen, zoals de vrouw heeft aangevoerd, vormt niet een gewichtige reden als bedoeld in artikel 3:174 BW. Daarvoor biedt artikel 3:185 BW uitkomst. De rechtbank zal de primaire vordering van de vrouw ook daarom afwijzen.
Geen geslaagd beroep op artikel 3:178 lid 3 BW – geen uitstel van een jaar voor verkoop
De vrouw vordert subsidiair een veroordeling tot medewerking aan de verkoop van de woning op straffe van een dwangsom. De man heeft gevorderd dat de rechtbank de verdeling van de woning voor de duur van minimaal één jaar zal uitstellen op grond van artikel 3:178 lid 3 BW.
Gelet op hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht in het kader van haar vordering, waaronder de stelling dat zij niet langer in onverdeeldheid wenst te blijven, vat de rechtbank de vordering van de vrouw op als een vordering tot verdeling op grond van artikel 3:185 BW. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd.
Artikel 3:178 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Artikel 3:178 lid 3 BW bepaalt dat de rechter een vordering tot verdeling voor maximaal drie jaar kan uitsluiten als de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling zijn gediend. Bij de beantwoording van de vraag of de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling zijn gediend, moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval. Op de man rust, nu hij op deze uitzondering een beroep doet, de stelplicht en de bewijslast.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat niemand kan worden gedwongen in een onverdeelde gemeenschap te blijven (artikel 3:178 lid 1 BW). De relatie tussen partijen is ruim 1,5 jaar geleden geëindigd en de vrouw verblijft sinds een jaar in een gemeubileerde huurwoning met een tijdelijk huurcontract en onvoldoende ruimte om de kinderen te huisvesten. De rechtbank begrijpt dat de man en kinderen van een verhuizing (wat betreft de dochter mede in combinatie met het komende examenjaar) stress zullen ervaren, maar acht dit van onvoldoende gewicht om van het uitgangspunt tot verdeling af te wijken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gezin in het verleden meerdere keren is verhuisd. De kinderen zijn dan ook gewend dat een woonsituatie, zij het in dit geval door de beëindiging van de relatie, kan wijzigen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de kans klein is dat de man op korte termijn een hypotheek kan verkrijgen voor de aankoop van een nieuwe geschikte woning. Dat het tot op heden niet is gelukt bij de man om een (geschikte) nieuwe baan te vinden, behoort niet voor rekening van de vrouw te komen. Daarbij geldt dat de man met de verkoopopbrengst van de woning weer financiële middelen tot zich heeft voor de aankoop van een nieuwe woning. Bovendien is niet onderbouwd waarom de man de verwachting heeft binnen een jaar wel een nieuwe betrekking te hebben gevonden en wel een hypotheek zal kunnen verkrijgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld dat zijn belangen om de woning voorlopig onverdeeld te laten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling worden gediend.
Dit betekent dat de tegenvordering van de man zal worden afgewezen en de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, conform het zogenaamde spoorboekje, zoals hierna in de beslissing staat vermeld. Daarbij zal de vrouw drie makelaars uitkiezen, waarna de man daarvan één kiest die de verkoop ter hand zal nemen. De uiteindelijke netto-opbrengst zal gelijkelijk tussen partijen worden gedeeld, met inachtneming van het hiernavolgende. Aan de veroordelingen zal geen dwangsom worden verbonden, zoals de vrouw vordert. Op dit moment is niet te verwachten dat de man aan een rechterlijk vonnis geen uitvoering zal willen geven.
Inleg bij aankoop woning gaat terug naar degene die het geld inlegde
Ten aanzien van de vorderingen tot (terug)betaling van privéinvesteringen in de woning is de rechtbank van oordeel dat aan de vrouw € 160.000 en aan de man € 40.000 toekomt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De vrouw stelt dat zij haar eigen geld, te weten € 160.000, dat zij heeft ingelegd bij de aankoop van de woning moet terugkrijgen uit de netto-verkoopopbrengst voordat het restant tussen partijen wordt verdeeld. De man betwist niet dat de vrouw € 160.000 heeft ingelegd bij aankoop van de woning, maar stelt dat partijen nooit de afspraak hebben gemaakt dat deze inleg bij verkoop van de woning aan haar zou worden terugbetaald uit de verkoopopbrengst. Ook betwist de man dat er sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde verrijking.
Niet in geschil is dat partijen voor gelijke delen eigenaar zijn van de woning. Tussen partijen bestaat dan ook een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW. Bij verdeling van de gemeenschap heeft in beginsel iedere deelgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Het bedrag van € 160.000 is aan te merken als privé-investering door de vrouw, waarmee de woning is verkregen. Voor dit bedrag bestaat dus een vergoedingsrecht uit hoofde van revindicatie.
De man voert aan dat hij ook een bedrag, te weten € 50.000, heeft ingelegd bij de aankoop van de woning. Hij verwijst in dat kader naar een bankafschrift waaruit blijkt dat hij € 50.000 van zijn privébankrekening heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw erkend dat de man € 40.000 heeft ingelegd bij de koop van de woning. Zij verwijst in dat kader naar WhatsApp-berichten en bankafschriften van partijen. De vrouw heeft toegelicht dat partijen € 201.203,66 moesten betalen aan de notaris. De vrouw heeft haar inleg, € 160.000, in drie delen overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen. De man heeft vervolgens deze geldbedragen in één keer vanaf deze rekening overgemaakt naar de Nederlandse gezamenlijke rekening van partijen, zodat zij maar één keer transactiekosten hoefden te betalen. Vervolgens heeft de vrouw het bedrag voor de notaris naar haar rekening overgemaakt en het totaalbedrag, te weten € 160.000 uit het privévermogen van de vrouw en € 40.000 uit het privévermogen van de man, naar de derdenrekening van de notaris overgemaakt.
De man heeft onvoldoende weersproken en onvoldoende onderbouwd dat zijn inleg meer dan € 40.000 bedraagt. De enkele overschrijving van € 50.000 van zijn privébankrekening naar de gezamenlijke rekening is daartoe – mede in het licht van de toelichting van de vrouw – onvoldoende.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende vast komen te staan dat de vrouw € 160.000 en de man € 40.000 heeft ingelegd bij de koop van de woning. Dit betekent dat zij ieder ter hoogte van dat bedrag een vergoedingsrecht hebben. De vordering in conventie van de vrouw ten aanzien van het vergoedingsrecht zal daarom worden toegewezen. De vordering in reconventie van de man ten aanzien van het vergoedingsrecht zal daarom worden toegewezen ter hoogte van het bedrag van € 40.000.
Verdeling inboedel
Partijen twisten verder over de verdeling van goederen die zij gezamenlijk in bezit hebben. De vrouw heeft een lijstje overgelegd met goederen die zij wenst toebedeeld te krijgen. De man heeft zich (zij het voorwaardelijk) bereid verklaard een aantal goederen uit dit lijstje aan de vrouw toe te delen. Het (voorwaardelijke) akkoord van de man heeft niet tot een minnelijke verdeling van alle inboedel geleid. Dat brengt mee dat partijen om beurten mogen kiezen welk goed zij toebedeeld krijgen. Zij zullen moeten loten of een dobbelsteen opgooien om te bepalen wie als eerste mag kiezen. Deze verdeling van de inboedel zal, overeenkomstig de vordering van zowel de vrouw als de man, zonder nadere verrekening plaatsvinden.
Partijen twisten ook over het moment waarop de aan de vrouw toebedeelde goederen aan haar moeten worden afgegeven. De man heeft niet onderbouwd waarom deze afgifte uiterlijk 30 dagen na verkoop en levering van de woning dient plaats te vinden, zodat de rechtbank het standpunt van de vrouw volgt. Dit betekent dat de man zal worden veroordeeld om de door de vrouw gekozen goederen zo snel mogelijk, uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de levering van de woning, aan de vrouw af te geven.
Autosleutels
Tot slot vordert de man afgifte van de sleutels van de auto, een Peugeot met kenteken 02-KVL-6. Los van de discussie over de vraag wie het juridisch eigendom bezit van de auto, heeft de vrouw zich bereid verklaard om de autosleutels aan de man af te geven. De vordering van de man zal daarom worden toegewezen zoals hierna in de beslissing staat vermeld.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
gelast de wijze van verdeling van de onroerende zaak aan de [adres] als volgt:
de vrouw dient binnen zeven dagen na afgifte van dit vonnis schriftelijk drie erkende NVM-makelaars aan de man te noemen, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de vrouw niet binnen de termijn van zeven dagen drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen,
partijen dienen binnen zeven dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht te geven om de woning te verkopen. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken,
bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt,
bepaalt dat de man de adviezen en instructies van de makelaar met betrekking tot - onder meer - het onderhouden en opruimen van de woning, toestaan van bezoek van potentiële kopers, meewerken aan open huizen dagen etc. zal opvolgen,
bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. Als partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en bindend bepalen,
bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n),
bepaalt dat als er een geschikte koper is gevonden die bereid en in staat is om de vastgestelde verkoopprijs te voldoen en de man niet meewerkt aan de verkoop en levering van het pand aan [adres] dit vonnis in de plaats zal treden van de voor de verkoop en levering van die woning vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man,
bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald, € 160.000 aan de vrouw wordt betaald en € 40.000 aan de man, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen,
bepaalt dat partijen, zonder nadere verrekening, om de beurt mogen kiezen welk goed zij toebedeeld willen krijgen, bij loting of het hoogste aantal ogen op een dobbelsteen wordt bepaald wie als eerste mag kiezen,
bepaalt dat de man de door de vrouw gekozen goederen uiterlijk 14 dagen vóór de levering van de woning aan de vrouw afgeeft,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
bepaalt dat de vrouw de autosleutels aan de man afgeeft op het moment dat de man de door de vrouw gekozen goederen aan haar afgeeft,
verklaart voor recht dat het bedrag van € 40.000, door de man uit het eigen vermogen gebruikt voor de aankoop van de te verdelen woning, aan de man uit de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire lening en van de overige verkoopkosten, wordt betaald zoals vervat in de beslissing onder 5.1.7,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart het vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.1, 5.2. tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.