RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12224763 \ KK EXPL 26-291
Vonnis in kort geding van 11 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. J.G.N. Zincken,
tegen
STIBBE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: werkgeefster,
gemachtigde: mr. P.A. Charbon.
De zaak in het kort
Werkneemster is in dienst bij werkgeefster. Zij is ziek uitgevallen, mede vanwege een werkconflict. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan. Omdat werkneemster de gesprekken alleen wil voeren binnen het kader van mediation (met geheimhouding), heeft werkgeefster haar loon stop gezet. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster dit niet had mogen doen. De loonvordering wordt dan ook toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.
1. De procedure
Bij dagvaarding van 19 mei 2026, met producties, heeft werkneemster een voorziening gevorderd. Werkgeefster heeft daarop geantwoord, met producties. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen nadere producties ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026. Werkneemster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens werkgeefster zijn [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
De gemachtigde van werkneemster heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Daarna is, na aanhouding op verzoek van partijen, een datum voor vonnis bepaald.
2. De uitgangspunten
Werkgeefster is een internationaal advocaten- en notarissenkantoor.
Werkneemster is op 1 april 2018 in dienst getreden bijwerkgeefster, in de functie van [functie 3] . Het salaris bedraagt momenteel € 4.778,48 bruto per maand.
De afdeling waar werkneemster werkt, [afdeling], staat onder leiding van [naam 3] (hierna: de leidinggevende). Op die afdeling werkt onder meer [naam 4] (hierna: [naam 4] ), met wie werkneemster een kamer deelt.
Op enig moment is bij werkneemster het vermoeden ontstaan dat [naam 4] meerdere keren zijn lunch niet had betaald en bij het uitdelen van chocolade-attenties rond de feestdagen, zich meerdere doosjes toe-eigende. Werkneemster heeft daarvan op 16 april 2025 melding gemaakt bij HR.
In mei 2025 is op de afdeling een doosje paasbonbons (dat voor iemand anders bestemd was) verdwenen. [naam 4] heeft op 21 mei 2025 desgevraagd aan werkneemster toegegeven dat hij het verdwenen doosje had weggepakt. Werkneemster heeft dit incident niet bij HR gemeld maar [naam 4] per e-mail laten weten dat zij dat bij een volgend incident wel zou doen.
Op 17 december 2025 was [naam 4] verantwoordelijk voor het uitdelen van de kerstchocolaatjes. Werkneemster heeft op die dag in het ladeblok van het bureau en de tas van [naam 4] gekeken en gezien dat daarin doosjes met chocolade lagen. Werkneemster heeft daarvan melding gemaakt bij haar leidinggevende, waarna [naam 4] daarmee geconfronteerd is.
De leidinggevende heeft vervolgens (op 19 en rond 23 december 2025) met werkneemster en [naam 4] afzonderlijk telefonisch gesproken. Daarin is besproken dat partijen over en weer een vertrouwensbreuk ervaarden. De leidinggevende heeft daarna voorgesteld om in januari 2026 een gezamenlijk gesprek in te plannen. Werkneemster was daar (uiteindelijk) toe bereid, mits dit gesprek alleen zou gaan over hoe partijen samen verder kunnen en er niet over het verleden gesproken zou worden.
Op 13 januari 2026 heeft werkneemster aan werkgeefster te kennen dat zij zich aan haar lot overgelaten voelt en dat het voelt alsof zij als aanstichtster wordt gezien. Werkneemster heeft zich vervolgens per 14 januari 2026 ziekgemeld.
Op 28 januari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster haar leidinggevende en een medewerkster van HR. Na dat gesprek heeft werkneemster bij e-mail van 29 januari 2026 aan werkgeefster laten weten dat haar vertrouwen ernstig was geschaad en dat zij het gevoel had dat haar positie was verschoven van melder van het incident naar betrokkene bij dat incident.
Werkgeefster heeft vervolgens meermaals geprobeerd om een gesprek tussen werkneemster en [naam 4] in te plannen. Omdat partijen het niet eens konden worden over de doelstellingen van dit gesprek, heeft dit gesprek (in eerste instantie) niet plaatsgevonden.
Op 4 februari 2026 heeft werkneemster met de bedrijfsarts gesproken. De bedrijfsarts heeft daarvan op 5 februari 2026 een terugkoppeling gegeven, waarin staat vermeld dat werkhervatting op de korte termijn niet haalbaar was. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om na te denken over de invulling en aanpak van terugkeer in eigen werk.
Werkneemster heeft op 26 februari 2026 opnieuw gesproken met de bedrijfsarts. Naar aanleiding daarvan heeft de bedrijfsarts, in de probleemanalyse en het advies van 27 februari 2026, geconcludeerd dat werkneemster tijdelijk arbeidsongeschikt was vanwege onder meer werkgerelateerde omstandigheden. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om de werkgerelateerde problemen aan te pakken door met elkaar in gesprek te gaan om zo een passende oplossing te vinden.
Werkneemster heeft bij e-mails van 26 februari en 3 maart 2026 aan werkgeefster laten weten dat zij het niet voor zich zag om in haar eigen functie terug te keren en daarom wilde spreken over andere re-integratie mogelijkheden. Ook heeft zij aangegeven dat zij niet inzag hoe een gesprek met [naam 4] kon bijdragen aan een oplossing. Een medewerkster van HR heeft vervolgens bij e-mail van 10 maart 2026 aan werkneemster medegedeeld dat haar loon stopgezet zou worden als zij niet met [naam 4] in gesprek zou gaan. Werkneemster heeft daarop bij e-mails van 13 en 18 maart 2026 bericht dat zij zich niet gehoord voelde, maar bereid was om in gesprek te gaan met [naam 4] .
Op 19 maart 2026 hebben partijen met elkaar (en [naam 4] ) gesproken. Werkneemster heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat zij het geen probleem vond om met [naam 4] samen te werken. Met haar leidinggevende en de betrokken medewerkster van HR wilde zij niet samenwerken.
Op 26 maart en 9 april 2026 heeft werkneemster weer met de bedrijfsarts gesproken, waarna hij steeds geadviseerd heeft om samen in gesprek te gaan over de invulling van de re-integratie (wel of geen terugkeer bij werkgeefster). Werkneemster en werkgeefster hebben daarover op 27 maart en 13 april 2026 met elkaar gesproken.
Bij e-mail van 13 april 2026 heeft werkneemster aan werkgeefster laten weten in haar eigen functie terug te willen keren. Zij heeft daar bij aangegeven dit onder begeleiding van een mediator te willen doen. Werkgeefster heeft daarop gereageerd bereid te zijn om in gesprek te gaan onder leiding van een gespreksleider (zoals een vertrouwenspersoon), maar niet binnen het kader van mediation. Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de invulling van het gesprek, maar zijn daar niet uitgekomen.
Werkgeefster heeft per 18 april 2026 het loon van werkneemster stopgezet.
In april 2026 heeft werkneemster opnieuw met de bedrijfsarts gesproken, waarna de bedrijfsarts op 23 april 2026 onder meer geadviseerd heeft om: “deze gesprekken op korte termijn te arrangeren en te laten plaatsvinden onder leiding van een externe gespreksleider met een onafhankelijke rol, bij voorkeur iemand met een mediation achtergrond en met aandacht voor de (machts)balans en een veilige sfeer.”
Na het advies van de bedrijfsarts heeft werkgeefster voorgesteld om het gesprek plaats te laten vinden onder leiding van een mediator, maar niet in de rol van mediator. Werkneemster heeft dit geweigerd, opnieuw verzocht om mediation en gevraagd om de loonstop op te heffen. Werkgeefster was daartoe niet bereid, omdat zij mediation een te zwaar middel vond.
Vervolgens heeft werkneemster in mei 2026 een vordering tot loonbetaling ingesteld.
3. Het geschil
Werkneemster vordert, kort gezegd, dat werkgeefster bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld om:
de salarisbetaling te hervatten vanaf 18 april 2026,
aan werkneemster te betalen:
i. € 2.070,52 bruto aan salaris over de maand april 2026, met wettelijke verhoging en rente,
ii. € 3.492,53 bruto aan restant vakantiegeld over 2026, met wettelijke verhoging en rente,
iii. de verdere salarisbetalingen vanaf mei 2026, met wettelijke verhoging en rente,
mee te werken aan mediation tussen werkneemster, de betrokken HR medewerkster en de leidinggevende met toepassing van de Mfn mediationregels, (primair) met de door werkneemster gekozen mediator ( [naam 5] ) of (subsidiair) een door die mediator gekozen mediator,
de proceskosten, met rente, te betalen.
Werkneemster legt aan de vorderingen ten grondslag dat er geen deugdelijke grond is om het loon stop te zetten. Zij heeft geen redelijke voorschriften geweigerd en haar verzoek om het gesprek binnen het (veilige) kader van mediation plaats te laten vinden is redelijk. Daarnaast betaalt werkgeefster het vakantiegeld in april steeds voor het volledige jaar vooruit, en is dit jaar slechts een deel van het vakantiegeld betaald. Verder heeft werkneemster er belang bij dat er mediation plaatsvindt en werkgeefster moet daaraan meewerken, aldus steeds werkneemster.
Werkgeefster voert verweer. Zij stelt kort gezegd dat werkneemster haar re-integratie belemmert door niet (in lijn met het advies van de bedrijfsarts) in gesprek te willen gaan met de voorgestelde gespreksleider. Werkneemster blijft vasthouden aan mediation, terwijl de bedrijfsarts geen mediation geadviseerd heeft. Werkgeefster mocht daarom het loon stop zetten. Verder kan mediation niet afgedwongen worden, omdat dat op vrijwillige basis dient plaats te vinden. Tot slot is het vakantiegeld (bij vooruitbetaling) alleen verschuldigd over de maanden waarover loon verschuldigd is. Omdat het loon stop gezet is, is over die periode ook geen vakantiebijslag verschuldigd, zo betoogt steeds werkgeefster.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang 4.1. In een kort gedingprocedure moet beoordeeld worden of de eisende partij een spoedeisend belang heeft. Dit betekent dat het belang van werkneemster zodanig moet zijn dat van haar niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan sprake is. Het gaat in dit geval namelijk om een loonvordering en die heeft naar haar aard een spoedeisend karakter, aangezien een werknemer met het loon in zijn levensonderhoud voorziet.
Loonstop
Het uitgangspunt is dat een werknemer tijdens ziekte gedurende 104 weken aanspraak heeft op (ten minste 70% van het) loon. Dit volgt uit artikel 7:629 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In sommige gevallen heeft een werknemer geen recht op loon tijdens ziekte. Bijvoorbeeld als een werknemer zijn herstel belemmert of zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke voorschriften of getroffen maatregelen (van de werkgever of een aangewezen deskundige) om hem passende arbeid te laten verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 7:629 lid 3 aanhef en onder b en d BW.
Werkgeefster betoogt dat werkneemster haar herstel belemmert en weigert mee te werken aan het advies van de bedrijfsarts. Werkgeefster wordt in dat standpunt niet gevolgd. Werkneemster is bereid geweest om in gesprek te gaan, maar wilde dat bij die gesprekken geheimhouding werd afgesproken. Zij heeft meermaals aan werkgeefster toegelicht (en dit ter zitting herhaald) dat de reden hiervoor is dat haar vertrouwen in haar leidinggevende en HR is geschaad als gevolg van de wijze waarop zij met haar melding zijn omgegaan en dat zij tijdens de gesprekken met werkgeefster daarover geen veilige sfeer heeft ervaren. Werkgeefster heeft daartegenover onvoldoende over het voetlicht weten te brengen welke gerechtvaardigde bezwaren zij heeft tegen het afspreken van geheimhouding en waarom het bezwaarlijk is dat personen die niet bij het gesprek aanwezig zijn dan de inhoud daarvan niet kennen.
Daarnaast blijkt uit het advies van de bedrijfsarts niet dat het gesprek zonder geheimhouding zou moeten plaatsvinden. De bedrijfsarts heeft partijen vrij gelaten in de invulling van de gesprekken, maar wel de voorkeur voor een mediator uitgesproken. Van weigering zijdens werkneemster om mee te werken aan het advies van de bedrijfsarts is dan ook geen sprake. Dat werkneemster de door werkgeefster voorgestelde mediator heeft afgewezen, maakt dit niet anders. Werkgeefster wilde namelijk dat de mediator het gesprek zou leiden, zonder toepassing van de bij mediation gebruikelijke geheimhouding. Daar hoefde werkneemster, zoals uit het voorgaande blijkt, naar voorlopig oordeel niet mee in te stemmen. Daarnaast heeft werkneemster voldoende toegelicht dat zij – aangezien werkgeefster een advocatenkantoor is – het gesprek graag wil laten leiden door iemand die geen (voormalig) advocaat is, terwijl de zijdens werkgeefster aangedragen gespreksleider wel advocaat is geweest.
Het voorgaande leidt ertoe dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie waarin werkneemster het herstel belemmerd heeft, of waarin zij zonder deugdelijke grond een redelijk voorschrift van de bedrijfsarts heeft geweigerd. Dit betekent dat werkgeefster geen loonstop had mogen opleggen. Om die reden zal de vordering tot doorbetaling van het loon worden toegewezen, zoals vermeld in de beslissing.
Vakantiebijslag
Omdat werkgeefster vanaf 18 april 2026 het loon (met terugwerkende kracht) weer moet betalen, is zij over dat loon ook de vakantiebijslag verschuldigd. Werkgeefster heeft de hoogte van de gevorderde vakantiebijslag niet betwist. Daarom wordt de resterende vakantiebijslag over 2026 toegewezen zoals gevorderd.
Wettelijke verhoging en rente
Werkgeefster heeft het loon en de vakantiebijslag niet (op tijd) betaald, zodat ook de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente wordt toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om het maximum van de verhoging te matigen tot 25%. Zowel de wettelijke verhoging als de rente worden toegewezen steeds vanaf de dag van opeisbaarheid van het loon dan wel de vakantiebijslag.
(Verplichte) mediation
De gevorderde veroordeling om aan mediation deel te nemen wordt afgewezen. Mediation vindt in beginsel plaats op basis van vrijwilligheid, zodat werkgeefster daartoe niet verplicht kan worden. Het is dan ook niet aannemelijk dat werkgeefster in een eventuele bodemprocedure veroordeeld zal worden om mee te werken aan mediation. Dit neemt niet weg dat, in dit geval, naar het oordeel van de kantonrechter wel in redelijkheid van werkgeefster verwacht kan worden dat zij de door de bedrijfsarts geadviseerde gesprekken binnen het kader van mediation (dus met geheimhouding) voert.
De proceskosten
Werkgeefster is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werkneemster worden begroot op: € 1.141,67, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 155,67), het griffierecht (€ 265,-), het salaris van de gemachtigde (€ 577,-) en de nakosten (€ 144,-). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt werkgeefster om, binnen 48 uur na vandaag, de loonbetaling vanaf 18 april 2026 te hervatten in die zin dat zij aan werkneemster betaalt:
€ 2.070,52 bruto aan loon over de maand april 2026,
het maandelijkse loon vanaf mei 2026 tot de dag waarop werkgeefster geen loon(door)betalingsverplichting meer heeft,
€ 3.492,53 bruto aan restant vakantiegeld over 2026,
veroordeelt werkgeefster om aan werkneemster over de hiervoor onder 5.1. sub a tot en met c toegewezen bedragen te betalen:
de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW tot een maximum van 25%, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt werkgeefster in de proceskosten, aan de zijde van werkneemsters begroot op € 1.141,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkgeefster niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 11 augustus 2026.
64183