RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773407 / HA ZA 25-1345
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. V.C. van der Velde.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2026 waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en de daarin genoemde stukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben tot 6 september 2024 samengewoond. Uit de relatie is op [geboortedatum] 2018 de minderjarige [minderjarige] geboren.
Partijen hebben op 24 december 2014 de gezamenlijke eigendom verkregen van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De aankoop werd mede gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO bank (met leningnummer [nummer 1] ) van € 157.000,00. Hierop is deels afgelost. [gedaagde] heeft voor het aanschaffen van de woning daarnaast uit zijn privé vermogen € 100.000,00 ingebracht.
Partijen hebben eveneens op 24 december 2014 een lening afgesloten bij de ouders van [gedaagde] , voor een bedrag van € 125.425,00, tegen een rente van 5% per jaar. In de leningovereenkomst staat dat een bedrag van € 50.000,00 in depot wordt gehouden ten behoeve van verbouwingskosten.
Op 9 juni 2015 zijn partijen een samenlevingsovereenkomst aangegaan waarin onder meer staat:
“(…)
2. Draagplicht van de kosten van de huishouding
1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide
partners worden betaald naar evenredigheid van hun inkomens. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die ten laste van de inkomens uit vermogen, naar evenredigheid van die inkomsten. Voor zover ook die inkomsten ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens.
(…)
2. Wanneer een van de partners meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het in
het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat een recht om het te veel betaalde terug te vorderen.
Het recht op verrekening vervalt in ieder geval zes maanden na het einde van de samenleving.
(…)
6. Woning in gemeenschappelijke eigendom
1. De woning aan de [adres] (…) behoort toe aan beide partners, ieder voor de
onverdeelde helft.
De partners wensen de waardevermeerdering van de (…) woning vanaf het moment
van het sluiten van deze overeenkomst als volgt te verdelen:
- aan de partner onder 1 genoemd [ [gedaagde] ] zal (…) (65%) van de overwaarde worden toegekend; en
- aan de partner onder 2 genoemd [ [eiser] ] zal (…) (35%) van de overwaarde worden toegekend.
De partners stellen vast dat de (…) woning per vandaag een waarde heeft van (…) (€ 322.000,00).
De waarde bij het einde van de samenleving zal in onderling overleg of door een door de partners gezamenlijk aan te wijzen taxateur worden vastgesteld.
(…)
2. Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de (…) woning, die niet
onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van de in lid 5
bedoelde hypothecaire geldlening, de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beide partners naar evenredigheid van hun inkomen, terwijl zij ieder evenredig aan hun aandeel in die woning delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of waardevermindering van die woning.
3. Als de partners niet naar evenredigheid van hun aandeel in de gemeenschappelijke
woning bijdragen in de hiervoor onder 2 bedoelde investeringen, kosten en lasten of als de partners voor de aanschaf van die woning niet in overeenstemming met deze verhouding uit eigen middelen bijdragen of hebben bijgedragen, ontstaat voor degene die meer bijdraagt dan waartoe hij op grond van zijn aandeel gehouden is, een vordering op de andere partner gelijk aan dat meerdere.
Door de partner onder 1 genoemd is een bedrag van (…) (€ 100.000,00) uit eigen middelen bijgedragen aan die woning, terwijl door de partner onder 2 genoemd geen bedrag uit eigen middelen is bijgedragen. Op grond hiervan heeft de partner onder 1 genoemd een vordering op de partner onder 2 genoemd van (…) (€ 50.000,00).
4. De vordering bedoeld in lid 3 is opeisbaar bij:
(…)
- het einde van de samenwoning;
(…)
5. a. Als voor de financiering van de gemeenschappelijke woning een
hypothecaire lening wordt aangegaan, worden de rentelasten beschouwd als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 1 gedragen.
(…)
7. Roerende zaken
1. De partners worden geacht voor gelijke delen eigenaar te zijn van de inboedel, die nu of in de toekomst in de door de partners gezamenlijk bewoonde woning aanwezig is, behoudens tegenbewijs.
2. Voor zover voormelde zaken niet al gemeenschappelijk eigendom zijn, leveren en aanvaarden de partners op grond van dit samenlevingscontract over en weer aan elkaar de onverdeelde helft in die zaken. (…)
3. Kleding en sieraden worden geacht toe te behoren - behoudens tegenbewijs – aan degene die deze in gebruik heeft of tot wiens gebruik deze bestemd zijn.
4. Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is niet van toepassing op:
a. zaken die zijn verkregen krachtens erfrecht of schenking;
5. In alle gevallen waarin tussen de partners verschil van mening bestaat over de eigendom van een zaak en geen van beiden het eigen recht daarop kan bewijzen, wordt die zaak geacht aan ieder voor de helft in eigendom toe te behoren. Het enkele feit dat een van de partners na het einde van de samenleving zaken onder zich heeft, kan die partner geen bewijsrechtelijk voordeel opleveren.
(…)
8. En/of-rekening
Als de partners een bankrekening op beider naam hebben, is ieder van hen voor de onverdeelde helft tot het saldo op deze rekening gerechtigd.
(…)
10. Einde overeenkomst
Deze overeenkomst is ontbonden:
(…)
d. als uit feitelijke omstandigheden blijkt dat de samenwoning is geëindigd;
(…)
12. Einde van de samenleving anders dan door overlijden
(…)
2.
(…)
b. Als een woning gemeenschappelijk eigendom is, zal bij de verdeling de woning worden toebedeeld tegen een waarde in onbewoonde staat, aan degene die de woning blijft bewonen, onder verplichting de eventuele geldlening(en), aangegaan voor de financiering van de woning, geheel over te nemen en de eventuele vordering wegens overbedeling te voldoen. De verdeling (…) zal pas worden voltooid nadat de vertrekkende partner door de hypothecaire financier(s) van die woning van iedere aansprakelijkheid voor de desbetreffende lening(en) is ontslagen.
(…)
3. Als de redelijkheid dit gebiedt, is degene die de bewoning voortzet verplicht een financiële bijdrage te leveren aan de verhuis- en herinrichtingskosten van de ander.
(…)”
Op de woning is op 19 maart 2024 een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO bank gevestigd met leningnummer [nummer 2] van € 120.000,00. Hiermee heeft [gedaagde] een appartement in Spanje gefinancierd. Dit appartement behoort tot zijn privé vermogen.
Op 6 september 2024 is de samenleving verbroken. [eiser] heeft toen de woning verlaten. [gedaagde] is in de woning blijven wonen.
Op 14 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] in een e-mail geschreven waarop [gedaagde] meent aanspraak te hebben, zoals betaling door [eiser] voor de vaste lasten op grond van artikel 2.2. en 6.3 van de samenlevingsovereenkomst.
[gedaagde] heeft vooruitlopend op de afwikkeling van de samenleving op 5 maart 2025 € 10.000,00 aan [eiser] betaald.
3. Het geschil
in conventie
[eiser] vordert na wijziging van eis (in een akte wijziging van eis en tijdens de mondelinge behandeling) - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht te verklaren dat in de onderlinge verhouding tussen partijen alleen [gedaagde] draagplichtig is voor de rente en de aflossing verbonden aan de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 3] van € 120.000,00;
te bepalen dat [gedaagde] ervoor moet zorgdragen dat [eiser] binnen vier maanden na de datum van het vonnis uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 3] zal worden ontslagen;
de wijze van verdeling van de woning te gelasten, aldus dat de woning aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen € 900.000,00, onder de ontbindende voorwaarde dat [eiser] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning gevestigde hypothecaire geldleningen bij de ABN AMRO bank met de leningnummers [nummer 3] en [nummer 1] , onder de verplichting aan [gedaagde] om de beide hypothecaire geldleningen geheel als eigen schuld te voldoen en onder de verplichting van [gedaagde] om bij de notariële overdracht van de woning aan [eiser] € 161.000,00 te voldoen vanwege haar aandeel van 50% in de waarde van de woning tot € 322.000,00 alsmede 35% van de getaxeerde waarde van de woning boven € 322.000,00 minus haar aandeel van € 35.290,39 in de restschuld van de op de woning gevestigde hypothecaire geldleningen;
te bepalen dat, als de taxatie is verricht en [gedaagde] drie maanden na ontvangst van het taxatierapport niet kan aantonen dat hij het aandeel van [eiser] kan overnemen of niet wenst over te nemen, de woning zal worden verkocht en daarbij [gedaagde] te veroordelen zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop te verlenen en daartoe de vereiste toestemming en verkoopopdracht te verstrekken aan een door [gedaagde] uit drie door [eiser] voorgestelde makelaars te kiezen makelaar en daarbij te bepalen dat als [gedaagde] zijn medewerking daaraan niet (tijdig) verleent, [eiser] de verkoopmakelaar kiest en het vonnis in de plaats komt van de vereiste medewerking en toestemming, de wilsverklaring en de handtekening van [gedaagde] voor de verkoop van de woning, waarbij de door de makelaar gehanteerde vraag- en laatprijs wordt gehanteerd;
te bepalen dat, als [gedaagde] de woning niet overneemt en de woning aan derden wordt verkocht, de waarde van de woning tot € 332.000,00 tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en de verkoopwaarde daarboven in de verhouding 35% voor [eiser] en 65% [voor [gedaagde] , rb] is en te bepalen dat op het aandeel van [eiser] in mindering komt € 35.216,79 vanwege haar aandeel in de restschuld van de hypothecaire geldleningen en € 185.402,65 op het aandeel van [gedaagde] vanwege zijn draagplicht/aandeel in de hypothecaire geldleningen;
[gedaagde] te veroordelen tot het voldoen van een gebruikersvergoeding aan [eiser] , met ingang van de datum van de beëindiging van de samenleving op 6 september 2024 tot de datum van de notariële levering van de woning, welke vergoeding dient te worden vastgesteld op 2% van het aandeel van [eiser] in de getaxeerde waarde van de woning minus haar aandeel in de restschuld van de hypothecaire geldlening, geschat op € 345.289,61, derhalve € 575,48 per maand;
[gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis een verhuis- en herinrichtingsvergoeding van € 10.000,00 aan [eiser] te betalen;
[gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis aan [eiser] af te geven: het eigendomscertificaat van de ring van [eiser] , een boek met de naam van de minderjarige, (oven)schalen en kommen, de skischoenen, het certificaat van de ring van de oma van [eiser] , de Cartier horlogedoos, de boeddha op de kast in de keuken, de mand in het toilet beneden, de lantaarns voor kerst en bij de tv, de kerst huislantaarn gang, het boek van [minderjarige] op naam, de ijsmaak machine, 2 keer ligbedjes, waxinelichtjes standaard, de gietijzeren pan, de kussens op de bank en het Guess horloge, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;
I. te bepalen dat de inboedelgoederen aan [gedaagde] worden toebedeeld onder vergoeding aan [eiser] van de helft van de waarde en [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis aan [eiser] € 10.000,00 te voldoen;
de wijze van verdeling van de overige roerende zaken te gelasten, zodanig dat aan [gedaagde] de boot en de scooter worden toebedeeld onder de verplichting om binnen veertien dagen na het vonnis aan [eiser] 50% van de waarde, € 19.500,00, te voldoen;
te bepalen dat de saldi van de en/of rekeningen bij de SNS bank [rekeningnummer 1] en de ABN AMRO bank [rekeningnummer 2] tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, zodanig dat de bankrekeningen met saldi aan [gedaagde] worden toebedeeld onder de verplichting om binnen veertien dagen na het vonnis aan [eiser] de helft van het saldo van de ABN AMRO bank rekening van € 1.06,44 te voldoen alsmede de helft van het vast te stellen saldo van de rekening bij de SNS bank, waarbij [gedaagde] bewijs van het saldo op 6 september 2025 (2024, rb) in het geding moet brengen;
[gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis de som van € 7.000,00 terug te storten naar de bankrekening van [minderjarige] bij de ABN AMRO bank met rekeningnummer [rekeningnummer 3] en
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van een deel van de vorderingen van [eiser] en veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] verzet zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzend vonnis.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[eiser] te veroordelen tot het betalen van de helft van de door [gedaagde] betaalde eigenaarslasten over de duur van de samenleving, althans deze te verrekenen met enig recht van [eiser] op een gebruiksvergoeding;
[eiser] te veroordelen tot het voldoen van de volgende bedragen en die te vermeerderen met rente vanaf de dag van de dagvaarding:
a. € 75.600,00 voor de vaste lasten;
b. € 19.220,95 voor de door [gedaagde] betaalde hypotheekaflossing;
c. € 50.000,00 voor de helft van de extra inbreng van [gedaagde] in de woning;
d. € 16.000,00 in verband met de financiering van de kapperszaak en
e. € 13.500,00 voor de dagwaarde van de VW Golf;
3. voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk een leningsovereenkomst zijn aangegaan op 24 december 2014, groot € 125.425,00, dat de overeengekomen rente 5% bedraagt en dat deze vordering thans toebehoort aan [gedaagde] als rechtsopvolger onder algemene titel;
4. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van het (resterende) bedrag van de lening onder 3;
5. [eiser] te veroordelen tot het betalen aan [gedaagde] van het verschuldigde deel van de lening van € 62.712,50 plus achterstallige contractuele rente over de looptijd van de lening;
6. voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk een leningsovereenkomst zijn aangegaan op 21 juni 2020, groot € 50.000,00, dat de overeengekomen rente 6% bedraagt en dat deze vordering thans toebehoort aan [gedaagde] als rechtsopvolger onder algemene titel;
7. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van het (resterende) bedrag van de lening onder 6;
8. [eiser] te veroordelen tot het betalen aan [gedaagde] van het verschuldigde deel van de lening van € 25.000,00 plus achterstallige rente over de looptijd van de lening en
9. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen hebben met elkaar samengeleefd. Zij hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten. De samenleving is op 6 september 2024 verbroken. Dit betekent dat wat partijen gezamenlijk in eigendom hebben, moet worden verdeeld en dat moet worden vastgesteld welke vorderingen partijen over en weer op elkaar hebben. [eiser] en [gedaagde] hebben beiden vorderingen ingesteld die hierna worden beoordeeld, eerst de vorderingen van [eiser] (in conventie) en daarna die van [gedaagde] (in reconventie).
Artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechter (op vordering van een van partijen) de verdeling vaststelt, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank neemt daarbij de samenlevingsovereenkomst als uitgangspunt.
in conventie
woning en verdeling (over)waarde
[eiser] en [gedaagde] vinden beiden dat de woning moet worden verdeeld. Ook zijn zij het eens over het uitgangspunt dat de woning wordt ‘toegedeeld’ aan [gedaagde] en dus dat [gedaagde] het aandeel van [eiser] in de woning zal overnemen. De woning is in mei 2026 getaxeerd. [eiser] kon eerst niet instemmen met deze taxatie en zij vorderde dat de woning opnieuw zou worden getaxeerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] die vordering ingetrokken en stemt zij in met de getaxeerde waarde van de woning. Dat betekent dat bij toedeling van de woning aan [gedaagde] zal worden uitgegaan van de getaxeerde waarde van € 900.000,00.
Partijen zijn het ook eens over het volgende:
- [gedaagde] is draagplichtig voor de op de woning rustende hypothecaire lening bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 3] van € 120.000,00 die [gedaagde] heeft aangewend voor de aankoop van een appartement in Spanje. [gedaagde] moet ervoor zorgdragen dat [eiser] binnen vier maanden na dit vonnis wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire lening en [gedaagde] moet deze lening geheel voor eigen rekening nemen;
- de waarde van de woning wordt tot een bedrag van € 322.000,00 gelijk tussen partijen verdeeld (artikel 6 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst);
- de waardevermeerdering boven € 322.000,00 wordt verdeeld in de verhouding 35% voor [eiser] en 65% voor [gedaagde] (artikel 6 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst) en
- op het deel dat [eiser] ontvangt, moet een bedrag van € 50.000,00 in mindering worden gebracht vanwege de inbreng van € 100.000,00 door [gedaagde] (artikel 6 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst);
- bij toedeling van de woning aan [gedaagde] , zal [gedaagde] ook zorgdragen voor het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 1] , de hypothecaire lening die partijen hebben afgesloten om de aankoop van de woning te financieren.
De restantschuld op de hypothecaire geldlening met leningnummer [nummer 1] , bedraagt € 100.619,41. Partijen zijn het niet eens over de onderlinge draagplicht voor het restant van de schuld. Volgens [eiser] volgt uit artikel 6.2 van de samenlevingsovereenkomst dat zij voor 35% draagplichtig is en [gedaagde] voor 65%. Volgens [gedaagde] wordt in artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst verwezen naar lid 5 van artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst. In lid 5 wordt de hypothecaire lening niet genoemd als behorende tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Daaruit volgt dat de verdeling van 35/65 niet geldt voor de restantschuld en dat partijen die schuld ieder bij helfte moeten dragen, aldus [gedaagde] .
De rechtbank stelt vast dat partijen elk een andere uitleg geven aan de overeenkomst. [gedaagde] verwijst naar lid 5 van artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst. Daarin staat: ‘Als voor de financiering van de gemeenschappelijke woning een hypothecaire lening wordt aangegaan, worden de rentelasten beschouwd als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 1 gedragen.’ Hierin staat echter niets over de manier waarop het restant van de hypothecaire lening onderling moet worden gedragen. Dat ligt anders voor wat betreft lid 2 van artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst. Daarin staat onder meer: ‘Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van de in lid 5 bedoelde hypothecaire lening, de aflossing daarvan (..)), komen voor rekening van beide partners naar evenredigheid van inkomen, terwijl zij ieder evenredig aan hun aandeel in die woning delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of waardevermindering van die woning).’ De hoofdsom en de aflossing worden naar evenredigheid van de inkomens van partijen gedragen, zo volgt uit dit tweede lid. De verwijzing in lid 2 naar lid 5 is bedoeld om duidelijk te maken om welke hypothecaire lening het gaat, maar dat ziet niet op de onderlinge draagplicht. Een verdeling bij helfte zou ook niet in de rede liggen, gelet op het uitgangspunt dat [eiser] voor 35% deelt in een eventuele waardevermeerdering. Dat betekent dat de restantschuld van de hypothecaire lening moet worden gedragen in de verhouding 35% voor [eiser] en 65% voor [gedaagde] .
Als [gedaagde] het aandeel van [eiser] in de woning kan overnemen, zal [gedaagde] wegens overbedeling een bedrag moeten betalen aan [eiser] van € 278.083,20. [gedaagde] zal worden veroordeeld om dat bedrag aan [eiser] te betalen. Het bedrag wordt als volgt berekend:
50% van € 322.000,00 (waarde woning op de datum van de samenlevingsovereenkomst)
€ 161.000,00
35% van de waardestijging van € 578.00,00
202.300,00+
Eigen inbreng [gedaagde]
50.000,00 -
35% restantschuld
35.216,80 -
Totaal
€ 278.083,20
[gedaagde] krijgt na de datum van dit vonnis vier maanden de tijd om te onderzoeken of hij de woning kan financieren onder ontslag van [eiser] uit de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. In het geval dat [gedaagde] binnen vier maanden na dit vonnis schriftelijk aan [eiser] verklaart dat hij haar aandeel in de woning kan en wil overnemen en kan zorgdragen voor het ontslag van [eiser] uit de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen, wordt de woning binnen één maand nadat [gedaagde] dat heeft bericht, aan hem toegedeeld. Dit onder de verplichting voor [gedaagde] om uiterlijk bij het transport van de woning bij de notaris, aan [eiser] € 278.083,20 te voldoen en daarnaast zorg te dragen voor haar ontslag uit de hypothecaire geldleningen en haar ter zake te vrijwaren. De kosten van het transport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.
In het geval dat [gedaagde] zich niet binnen uiterlijk vier maanden na dit vonnis bereid en in staat verklaart het aandeel van [eiser] in de woning over te nemen, moet de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. De hypothecaire geldlening die partijen hebben afgesloten om de woning te financieren zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning en [gedaagde] moet ervoor zorgdragen dat de lening die hij is aangegaan om een appartement in Spanje te kopen, wordt afgelost. Voor deze laatste lening is [gedaagde] voor het geheel aansprakelijk.
De waarde van de woning tot € 322.000,00 wordt bij helfte tussen partijen gedeeld. Aan [eiser] komt 35% van de waardevermeerdering toe en aan [gedaagde] 65% (het verschil tussen € 322.000,00 en de verkoopprijs). [eiser] moet 35% van de restantschuld van de hypothecaire geldlening [nummer 1] dragen en [gedaagde] 65%. [eiser] moet daarnaast € 50.000,00 aan [gedaagde] voldoen wegens de eigen inbreng van [gedaagde] . Het staat de rechter vrij om de wijze van verdeling vast te stellen. In het dictum is het spoorboekje opgenomen dat partijen moeten volgen als de woning wordt verkocht.
gebruiksvergoeding
De vordering van [eiser] om een gebruiksvergoeding te betalen, zal worden afgewezen. De rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 BW in verbinding met artikel 6:2 BW). Volgens artikel 3:169 BW is, tenzij een andere regeling is overeengekomen, iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen. Als een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, kan dat aanleiding zijn om laatstgenoemde een vergoeding toe te kennen voor gederfd gebruiksgenot. [eiser] vordert een bedrag van € 575,48 per maand, uitgaande van 2% van het aandeel van [eiser] in de getaxeerde waarde van de woning minus haar aandeel in de restschuld van de hypothecaire geldlening. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij € 807,00 per maand aan hypotheeklasten heeft en € 200,00 per maand aan verzekeringen. [eiser] vraagt zich af of de hypotheeklasten netto of bruto zijn, maar zij betwist de gestelde bedragen verder niet. [gedaagde] betaalt sinds het uiteengaan van partijen alle vaste lasten verbonden aan de woning, ook het aandeel van [eiser] daarin van 35%. [gedaagde] woont in de woning, dus dat is op zich niet vreemd. Maar daarbij past het niet, ook gezien de hoogte van de maandelijkse vaste lasten, dat hij ook nog een gebruiksvergoeding aan [eiser] moet betalen.
verhuis- en inrichtingskosten
In artikel 12 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst staat dat als de redelijkheid dat gebiedt, degene die de bewoning voortzet verplicht is een financiële bijdrage te leveren aan de verhuis- en inrichtingskosten van de ander. [eiser] heeft onderbouwd dat zij verhuis- en inrichtingskosten zal hebben als zij een woning betrekt (zij woont nu bij haar ouders) en dat ligt ook voor de hand. [eiser] vordert dat [gedaagde] € 10.000,00 aan haar betaalt. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] al een keer € 10.000,00 aan [eiser] heeft betaald als voorschot op de totale afwikkeling van de samenleving. De rechtbank zal (zoals besproken op zitting) dat bedrag toerekenen aan de post gevorderde verhuis- en inrichtingskosten, zodat [eiser] geen zelfstandig belang meer heeft bij dit onderdeel van de vordering en die wordt afgewezen.
(persoonlijke) spullen
[gedaagde] betwist niet (langer) dat de persoonlijke zaken van [eiser] aan haar moeten worden teruggegeven. [gedaagde] zal daartoe worden veroordeeld.
[eiser] betwist gemotiveerd dat zij het boek op naam van [minderjarige] al heeft ontvangen. [gedaagde] moet het boek dan ook aan haar teruggegeven.
[eiser] moet stellen en onderbouwen dat het Guess horloge door de moeder van [gedaagde] aan haar is geschonken. [eiser] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , niets gesteld waaruit blijkt dat het horloge aan haar is geschonken. Daarom wordt de vordering tot teruggave niet toegewezen voor zover het gaat om dit horloge.
Voor het overige wordt hetgeen weergegeven onder 3.1 H toegewezen en aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden die zal worden gemaximeerd.
inboedel
[eiser] vordert een vergoeding voor de in de woning achtergebleven inboedel die volgens [eiser] aan ieder van partijen voor de helft toebehoort, op grond van artikel 7.1 en 7.2 van de samenlevingsovereenkomst. [gedaagde] betwist dat de inboedel van partijen gezamenlijk is. De inboedel behoort tot zijn vermogen, omdat hij alle inboedelgoederen heeft gekocht.
Uit artikel 7.1 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat de inboedel (nu en in de toekomst) van partijen gezamenlijk is, voor gelijke delen. In artikel 7.2 van de samenlevingsovereenkomst staat dat voor zover voormelde zaken (de inboedel) niet al gemeenschappelijk eigendom zijn, partijen over en weer aan elkaar de onverdeelde helft leveren. Hieruit volgt dat de inboedelgoederen, ook die partijen al bezaten voordat zij de samenlevingsovereenkomst sloten, gezamenlijk eigendom zijn (ieder voor de helft). Het maakt dus niet uit wie hiervoor heeft betaald. Lid 5 van artikel 7 waarin staat dat wanneer verschil van mening bestaat over de eigendom van een zaak en geen van beiden het eigen recht daarop kan bewijzen, die zaak wordt geacht aan ieder voor de helft in eigendom toe te horen, kan niet zien op het bepaalde in lid 1 van artikel 7. Daarin is voor wat betreft de inboedel al bepaald dat partijen beiden eigenaar zijn. De situatie uit lid 5 dat de eigendom van een zaak niet duidelijk is, kan zich dus niet voordoen bij de inboedel en daarom komt geen betekenis toe aan lid 5 van artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst.
De inboedel is van partijen gezamenlijk, ieder voor de helft. [gedaagde] heeft en houdt de gehele inboedel. Hij moet de helft van de waarde vergoeden aan [eiser] . [eiser] stelt de waarde op € 20.000,00 en vordert [gedaagde] te veroordelen om € 10.000,00 te betalen. [eiser] koppelt een relatief hoge waarde aan de inboedel. Met [gedaagde] constateert de rechtbank dat [eiser] heeft nagelaten te omschrijven welke inboedelgoederen in de woning waren toen zij deze verliet. De rechtbank matigt daarom het gevorderde bedrag en schat de waarde van de inboedel op € 10.000,00. [gedaagde] moet aan [eiser] € 5.000,00 betalen.
de boot
[eiser] vordert dat [gedaagde] de helft van de waarde van de boot type Sporty 24 aan haar vergoedt. [gedaagde] betwist dat de boot van partijen gezamenlijk is. De boot is aangeschaft met de opbrengst van een andere boot en die boot is door [gedaagde] betaald, aldus [gedaagde] .
Artikel 7.1 en 7.2 van de samenlevingsovereenkomst zijn niet van toepassing, omdat het niet gaat om inboedel in de door de partners gezamenlijk bewoonde woning. Het is dus niet zo dat de boot van partijen gezamenlijk is, ongeacht wie deze heeft betaald. [eiser] heeft tegenover het verweer van [gedaagde] niet concreet laten zien dat de boot ook haar eigendom is. Haar vermelding op de verzekeringspolis zegt onvoldoende over het eigenaarschap. Verder blijkt uit een bankafschrift uit juli 2020 dat de boot is betaald vanaf de privé rekening van [gedaagde] . [eiser] heeft niet laten zien dat zij (ook) financiële middelen heeft ingebracht om de boot aan te schaffen. De vordering wordt daarom afgewezen.
de scooter
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de scooter kan worden toegedeeld aan [gedaagde] , zonder nadere verrekening. De vordering van [eiser] om de scooter aan [gedaagde] toe te delen wordt toegewezen. De vordering om aan [eiser] de helft van de waarde te voldoen, zal worden afgewezen.
gezamenlijke rekening
Partijen zijn het tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat op de peildatum (de datum waarop de samenleving werd verbroken) enkel nog een saldo stond op de rekening bij de ABN AMRO bank en dat dat saldo moet worden verdeeld. [gedaagde] moet aan [eiser] € 1.064,44 te betalen. De rekening bij de ABN AMRO bank wordt toegedeeld aan [gedaagde] . De SNS-rekening was op de peildatum opgeheven en de vordering van [eiser] die daarop ziet, wordt afgewezen.
de spaarrekening van [minderjarige]
[gedaagde] heeft een bedrag van € 7.000,00 onttrokken van de rekening van [minderjarige] . [eiser] vordert dat [gedaagde] dit bedrag terugstort naar de rekening van [minderjarige] . [eiser] treedt in dit geval op als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] omdat het geld op de sparrekening van hem is en niet van [eiser] . Voor het optreden van een ouder als wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige in rechte, is een voorafgaande machtiging van de kantonrechter nodig (artikel 1:253k BW in verbinding met artikel 1:349 lid 1 BW). Die machtiging ontbreekt en daarom wordt [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in de door haar namens [minderjarige] ingestelde vordering.
Dit neemt niet weg dat tussen partijen niet in geschil is dat het geld van [minderjarige] is en aan hem moet worden teruggegeven. Dat is ook zo voor wat betreft het bedrag van € 1.000,00 dat [eiser] van de rekening heeft afgehaald. Partijen hebben op zitting met elkaar afgesproken dat zij beiden een rekening zullen openen voor [minderjarige] en dat op beide rekeningen een bedrag zal staan van € 4.000,00. Het komt de rechtbank praktisch voor dat [eiser] de bestaande rekening van [minderjarige] voortzet en aanvult met € 1.000,00 en [gedaagde] met € 3.000,00 en dat [gedaagde] een nieuwe rekening voor [minderjarige] opent waarop hij € 4.000,00 stort, maar het staat partijen vrij om hierover zelf andere afspraken te maken.
uitvoerbaar bij voorraad
Tot slot voert [gedaagde] verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. [gedaagde] heeft dit niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van een vordering tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eiser] om over te gaan tot het afwikkelen van de samenleving weegt zwaarder dan het (kennelijke) belang van [gedaagde] bij het voorlopig behouden van de huidige toestand. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in reconventie
verrekening aflossing en huishoudelijke uitgaven
[gedaagde] stelt dat hij een vordering heeft op [eiser] , omdat hij tijdens de samenleving meer dan zijn aandeel heeft bijgedragen in de eigenaarslasten, OZB, hypotheekrente en aflossing. [eiser] moet nog € 19.220,95 betalen (35% van de door [gedaagde] betaalde aflossingen op de hypothecaire lening van in totaal € 54.917,00). Aan gezamenlijke vaste lasten/huishoudelijke uitgaven heeft [gedaagde] € 216.000,00 bijgedragen. [eiser] moet aan huishoudelijke uitgaven nog € 75.600,00 betalen (35%).
[gedaagde] heeft met de e-mail van 14 januari 2025 (2.7) binnen de vervaltermijn van zes maanden (artikel 2.2. van de samenlevingsovereenkomst) een beroep gedaan op verrekening van de huishoudelijke kosten. Het beroep op verrekening van de huishoudelijke kosten is anders dan [eiser] betoogt, daarom niet komen te vervallen.
Partijen hebben afgesproken om in evenredigheid bij te dragen in de lasten (35/65). [gedaagde] heeft bankafschriften overgelegd van zijn rekening en hij stelt dat daaruit blijkt dat hij meer heeft bijgedragen dan waartoe hij was gehouden op grond van de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de lasten van de woning werden betaald vanuit de en/of rekening en dat ook [eiser] naar die rekening bedragen heeft overgemaakt vanaf haar privé rekening. In de betreffende periode heeft [eiser] € 17.100,00 overgemaakt en [gedaagde] € 31.135,00. [gedaagde] heeft daar tegenover niet onderbouwd dat hij meer dan 65% heeft bijgedragen. [gedaagde] heeft ook niet laten zien dat met name zijn overmakingen zijn gebruikt voor de lasten verbonden aan de woning en die van [eiser] vooral voor de kosten van de huishouding/de uitgaven voor het gezin. Dat is hetzelfde voor wat betreft de huishoudelijke uitgaven. [eiser] heeft de afschriften van haar privé rekening overgelegd waarop zichtbaar is dat zij heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. [eiser] voert verder aan dat zij tijdens de samenleving vrijwel alle boodschappen betaalde, de kosten van [minderjarige] en de kosten van de auto. Zij heeft dat aangetoond met bankafschriften en [gedaagde] heeft niet concreet de door [eiser] benoemde uitgaven betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] daarentegen verklaard dat [eiser] veelal de kosten van de huishouding voldeed. Dat maakt dat niet is gebleken dat [gedaagde] meer dan 65% heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. De vorderingen van [gedaagde] kunnen niet worden toegewezen.
lening kapperszaak
[gedaagde] heeft aan [eiser] geld geleend. Daarmee heeft [eiser] haar kapperszaak kunnen opzetten. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat [gedaagde] niet langer € 16.000,00 vordert, maar € 1.500,00. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat hij aan de hand van de stukken niet verder komt dan een aan [eiser] geleend bedrag van € 1.500,00. [eiser] erkent dat zij dit bedrag moet terugbetalen. De vordering van [gedaagde] is toewijsbaar tot een bedrag van € 1.500,00. [gedaagde] vordert wettelijke rente en [eiser] voert daar geen verweer tegen. De wettelijke rente wordt toegewezen, waarbij niet wordt aangesloten bij de gevorderde ‘datum van de dagvaarding’, maar bij de datum waarop de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie is genomen, omdat [gedaagde] toen de vordering heeft ingesteld.
de auto
De vordering van [gedaagde] om [eiser] te veroordelen de dagwaarde van de VW Golf aan hem te vergoeden, wordt afgewezen. [gedaagde] stelt dat hij de auto met zijn geld heeft gekocht en dat [eiser] de dagwaarde moet vergoeden, omdat zij de auto gebruikt. [eiser] voert daartegen aan dat zij ervan uitging dat de auto aan haar is geschonken.
[eiser] rijdt vanaf 2013 in de auto. Tijdens de samenleving maakte vooral [eiser] gebruik van de auto, in ieder geval meer dan [gedaagde] . Bij het uiteengaan van partijen heeft [eiser] de auto meegenomen. [gedaagde] heeft nooit gevraagd om de auto ‘terug te geven’. Hij heeft verklaard dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] in een goede auto wordt vervoerd. Dit alles bij elkaar maakt dat [eiser] ervan mocht uitgaan dat de auto van haar is.
lening ouders I
Partijen zijn met de ouders van [gedaagde] een leningovereenkomst aangegaan op 24 december 2014 voor een bedrag van € 125.425,00, waarvan € 50.000,00 in depot werd gehouden voor verbouwingskosten.
[gedaagde] vordert dat [eiser] aan restantschuld € 62.712,50 betaalt en de rente vanaf 24 december 2014.
Dat in het jaar 2023 in de IB-aangiften van partijen de lening op nihil is gesteld, betekent niet dat de lening niet meer opeisbaar is, zoals [eiser] aanvoert. Deze is door erfopvolging op [gedaagde] overgegaan en moet worden terugbetaald. Dat heeft tot gevolg dat [eiser] aan [gedaagde] haar aandeel in de lening moet terugbetalen.
[eiser] heeft onbetwist gesteld dat partijen tot 31 december 2022 op de lening € 31.104,00 hebben afgelost en daarna nog € 3.511,32. Daarmee wordt rekening gehouden.
[gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat de woning is verbouwd (dakkapellen) en dat daarvoor het bouwdepot van € 50.000,00 is gebruikt. [eiser] betwist dat het bouwdepot is aangewend, maar zij betwist niet dat de woning is verbouwd en zij heeft ook niet kunnen uitleggen hoe de verbouwing is gefinancierd. [eiser] heeft de concrete stellingen van [gedaagde] niet voldoende weersproken. Daarom wordt ervan uitgegaan dat het bouwdepot is uitgekeerd.
De restschuld is € 90.809,68 (€ 125.425 - € 31.104 - € 3.511,32). [eiser] is draagplichtig voor 35% (zie rechtsoverweging 4.6.), omdat de lening betrekking heeft op de aankoop van de woning. Dat betekent dat [eiser] aan [gedaagde] € 31.783,39 moet betalen.
Volgens [eiser] hebben partijen tot aan 6 september 2023 (de datum van het overlijden van de vader van [gedaagde] ) rente betaald. Dat heeft [gedaagde] niet weersproken. De gevorderde en door [eiser] verschuldigde rente is daarom toewijsbaar vanaf die datum en enkel voor wat betreft het aandeel van [eiser] .
lening ouders II
[gedaagde] stelt dat partijen op 21 juni 2020 gezamenlijk een lening zijn aangegaan bij de ouders van [gedaagde] . De lening is gebruikt om een belastingschuld te betalen. Die schuld was van beide partijen. Na het overlijden van zijn ouders, heeft [gedaagde] als enig erfgenaam de lening geërfd. [eiser] moet de helft van de lening, dus € 25.000,00, plus rente vanaf 21 juni 2020 aan [gedaagde] betalen, aldus [gedaagde] .
De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Nu [eiser] het bestaan van de lening betwist, moet [gedaagde] feiten en omstandigheden stellen en onderbouwen waaruit blijkt van het bestaan van de lening en van de aansprakelijkheid van [eiser] voor de helft van de hoofdsom en de rente. Dat heeft [gedaagde] niet voldoende gedaan. De leningovereenkomst die hij heeft overgelegd, is niet ondertekend. Op 28 juni 2020 en op 29 juni 2020 hebben de ouders van [gedaagde] € 25.000,00 overgemaakt naar de privé rekening van [gedaagde] . [eiser] betwist gemotiveerd dat de overmakingen zagen op een lening; het gaat volgens [eiser] niet om een echte lening, maar om een fiscale constructie om geen erfbelasting of schenkingsbelasting te moeten betalen. Bij de overschrijvingen staat ‘Aflossing lening 1’ en ‘Aflossing lening 2’. Die omschrijvingen bieden geen houvast om te kunnen aannemen dat geld is geleend. Die omschrijvingen duiden er eerder op dat de ouders van [gedaagde] een lening hebben afgelost en dus dat zij geld hebben geleend. Als dat niet zo is, zouden de omschrijvingen ook steun kunnen geven aan het verweer van [eiser] dat sprake is van een fiscale constructie. Tot slot heeft [gedaagde] niet laten zien dat partijen gezamenlijk een belastingschuld hadden én dat die schuld is afgelost met geld dat partijen van de ouders van [gedaagde] hebben geleend.
Kosten in conventie en in reconventie
Omdat partijen ex-partners zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd en draagt iedere partij de eigen kosten.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
verklaart voor recht dat in de onderlinge verhouding tussen partijen alleen [gedaagde] draagplichtig is voor de rente en de aflossing verbonden aan de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 4] van € 120.000,00,
bepaalt dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat [eiser] binnen vier maanden na de datum van dit vonnis uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN AMRO bank met leningnummer [nummer 4] zal worden ontslagen,
stelt de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] als volgt vast:
bij toedeling aan [gedaagde]
bepaalt dat de woning binnen één maand nadat [gedaagde] schriftelijk aan [eiser] heeft bericht dat hij de woning kan en wil overnemen en kan zorgen voor het ontslag van [eiser] uit de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen een waarde van € 900.000,00, onder de voorwaarde dat [eiser] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning gevestigde hypothecaire geldleningen bij de ABN AMRO bank met leningnummers [nummer 4] en [nummer 5] en onder de verplichting van [gedaagde] om de beide hypothecaire leningen geheel als eigen schuld te voldoen en onder de verplichting van [gedaagde] om bij de notariële overdracht van de woning aan [eiser] € 278.083,20 te voldoen,
bepaalt dat partijen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en van de overige kosten van de verkoop en de levering van de woning aan [gedaagde] dragen,
bij verkoop van de woning aan een derde
bepaalt dat als [gedaagde] niet binnen vier maanden na dit vonnis kan aantonen dat hij het aandeel van [eiser] kan of wil overnemen, de woning zal worden verkocht aan een derde, waaraan [gedaagde] zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking moet verlenen en de vereiste toestemming en verkoopopdracht moet verstrekken aan een door [gedaagde] uit drie door [eiser] voorgestelde makelaars te kiezen makelaar, waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs bindend zal vaststellen,
bepaalt dat als [gedaagde] niet binnen vier weken, nadat hij te kennen heeft gegeven of nadat is gebleken dat [gedaagde] het aandeel van [eiser] in de woning niet overneemt, meewerkt aan het kiezen van een makelaar en het verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar, [eiser] de verkoopmakelaar kiest en dit vonnis in de plaats komt van de vereiste toestemming en medewerking van [gedaagde] voor de verkoop van de woning, waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs bindend zal vaststellen,
bepaalt dat partijen aan de makelaar alle medewerking moeten verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning,
bepaalt dat de hypothecaire geldlening [nummer 5] zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning en dat [gedaagde] zorg draagt voor de aflossing van de hypothecaire geldlening [nummer 4] (zoals staat in 5.1. en 5.2.) en dat partijen:
- de waarde van de woning tot € 322.000,00 bij helfte delen,
- aan [eiser] 35% van de waardevermeerdering van de woning toekomt en aan [gedaagde] 65% (het verschil tussen € 322.000,00 en de verkoopprijs),
- [eiser] 35% van de restantschuld van de hypothecaire geldlening [nummer 5] draagt en [gedaagde] 65% en
- [eiser] € 50.000,00 aan [gedaagde] voldoet,
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser] af te geven: het eigendomscertificaat van de ring van [eiser] , een boek met de naam van de minderjarige, (oven)schalen en kommen, de skischoenen, het certificaat van de ring van de oma van [eiser] , de Cartier horlogedoos, de boeddha op de kast in de keuken, de mand in het toilet beneden, de lantaarns voor kerst en bij de tv, de kerst huislantaarn gang, het boek van [minderjarige] op naam, de ijsmaak machine, 2 keer ligbedjes, waxinelichtjes standaard, de gietijzeren pan en de kussens op de bank,
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] (na veertien dagen na dit vonnis) nalaat om aan de veroordeling onder 5.4 te voldoen, met een maximum van € 5.000,00,
bepaalt dat de inboedelgoederen aan [gedaagde] worden toegedeeld en veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] € 5.000,00 te betalen,
deelt de scooter toe aan [gedaagde] , zonder nadere verrekening,
bepaalt dat het saldo op de en/of rekening bij de ABN AMRO bank [rekeningnummer 2] tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, veroordeelt [gedaagde] om € 1.064,44 binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser] te betalen en bepaalt dat de rekening wordt toegedeeld aan [gedaagde] ,
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vordering die ziet op de bankrekening van de minderjarige zoon van partijen,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart het bepaalde onder 5.2 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 1.500,00 in verband met de financiering van de kapperszaak, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 september 2025 tot aan de dag van algehele betaling,
verklaart voor recht dat partijen gezamenlijk een leningsovereenkomst zijn aangegaan op 24 december 2014 van € 125.425,00, dat de overeengekomen rente 5% per jaar bedraagt en dat de vordering nu toebehoort aan [gedaagde] als rechtsopvolger onder algemene titel,
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] € 31.783,39 te betalen als haar aandeel in de restschuld van de lening plus achterstallige contractuele rente van 5% per jaar over haar aandeel van 35% in die lening, vanaf 6 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart het bepaalde onder 5.12 en 5.14 uitvoerbaar bij voorraad en
in conventie en in reconventie
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.