RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Strafrecht
Parketnummers: 13/115422-26 (zaak A), 13/025369-26 (zaak B; ter zitting gevoegd) en 13/298239-25 (zaak C; ter zitting gevoegd)
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres],
hierna te noemen: verdachte.
1. Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A (13/115422-26), zaak B (13/025369-26) en zaak C (13/298239-25) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is in zaak A – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 18 april 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. het voorhanden hebben van een pistool;
2. het opzettelijk aanwezig hebben van 61,96 gram cocaïne en 0,75 gram heroïne.
Daarnaast is aan de verdachte in zaak B – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 24 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. het opzettelijk aanwezig hebben van 29,61 gram cocaïne en 13,66 gram heroïne;
2. het voorhanden hebben van een pistool met bijpassend patroonmagazijn;
3. het voorhanden hebben van 46 stuks munitie.
Tot slot is aan de verdachte in zaak C – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 29 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. heling van een fatbike;
2. het opzettelijk aanwezig hebben 13,70 gram cocaïne en 6,68 gram heroïne;
3. het dragen van een (vlees)mes.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van heling van de fatbike in zaak C (feit 1). De overige tenlastegelegde feiten in de zaken A, B en C kunnen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde feiten in zaak A en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten in zaak B vrij te spreken. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verbalisanten onrechtmatig de woning zijn binnengetreden door achter de verdachte aan te lopen toen hij zijn identiteitsbewijs ging pakken. Hierdoor is er volgens haar sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dient bewijsuitsluiting te volgen van de resultaten die uit dit onrechtmatige optreden zijn verkregen, te weten het aantreffen van de verdovende middelen (feit 1), het vuurwapen met patroonmagazijn (feit 2) en de munitie (feit 3).
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorend patroonmagazijn (feit 2) omdat het forensisch DNA-onderzoek van [naam instantie] als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt. De raadsvrouw acht de “chain of custody” niet sluitend omdat uit het procesdossier niet kan worden herleid dat de bemonsteringen die door [naam instantie] zijn onderzocht ook de bemonsteringen betreffen die van het aangetroffen vuurwapen zijn afgenomen.
Indien de rechtbank het resultaat van het forensisch DNA-onderzoek niet uitsluit van het bewijs, dient de verdachte volgens de raadsvrouw alsnog te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen met patroonmagazijn en de 46 stuks munitie (feiten 2 en 3), wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van dat voorhanden hebben.
Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van de tenlastegelegde feiten in zaak C eveneens primair verzocht om vrijspraak omdat op een onjuiste manier gebruikgemaakt is van de bevoegdheid tot preventief fouilleren door specifiek de verdachte te selecteren. De verdachte is aangehouden in een veiligheidsrisicogebied waardoor preventief fouilleren en controleren geoorloofd is. Bij de verdachte was echter eerder sprake van opsporing, omdat verbalisanten enkel de verdachte controleerden en anderen in het veiligheidsrisicogebied niet. Hierdoor is eveneens sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en dient bewijsuitsluiting te volgen van de resultaten die uit het onrechtmatige optreden zijn verkregen, te weten het aantreffen van de fatbike (feit 1), de verdovende middelen (feit 2) en het (vlees)mes (feit 3). De raadsvrouw heeft subsidiair ten aanzien van zaak C verzocht de verdachte vrij te spreken van de heling van de fatbike (feit 1) vanwege onvoldoende bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van zaak C, feit 1
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling van een fatbike onvoldoende bewijs is. Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting kan niet vastgesteld worden dat de verdachte op het moment dat hij de fatbike heeft verworven of voorhanden heeft gekregen, wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.
Ten aanzien van zaak A
De rechtbank stelt op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en de andere bewijsmiddelen die in bijlage II staan, vast dat de verdachte op 18 april 2026 in Amsterdam zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, namelijk 61,96 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 0,75 gram van een materiaal bevattende heroïne. Gelet hierop komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de in zaak A tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van zaak B
Vormverzuimverweer
De rechtbank stelt naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw omtrent de rechtmatigheid van het binnentreden van de woning het volgende vast.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]), [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (hierna: [verbalisant 3]) volgt dat de verdachte in de woning van [adres] werd aangetroffen door voornoemde verbalisanten nadat zij een melding hadden gekregen over een mogelijke ruzie. De verdachte opende de deur en gaf toestemming aan de verbalisanten voor het binnentreden van de woning. Hierop liepen de verbalisanten achter de verdachte aan de woonkamer in. De verdachte werd gevraagd of hij zijn identiteitsbewijs wilde pakken, waarop de verdachte aangaf dat dit in zijn slaapkamer zou liggen. De verdachte liep vervolgens in de richting van deze slaapkamer om zijn identiteitsbewijs te pakken, terwijl [verbalisant 1] achter hem aan liep. Ondertussen hoorde [verbalisant 1] dat [verbalisant 3] vier goudkleurige patronen had zien liggen in de slaapkamer waar de verdachte zijn identiteitsbewijs was gaan halen. [verbalisant 3] was op dat moment de woning aan het controleren op de aanwezigheid van andere personen. De verbalisanten hebben deze situatie vervolgens uitgelegd aan de hulpofficier van justitie. Deze zou ter plaatse komen voor een doorzoeking van de woning en gaf aan dat de verdachte aangehouden kon worden op grond van de Wet wapens en munitie. Hierop is de verdachte aangehouden. Hierna is een machtiging tot binnentreden in woning afgegeven, dat zich in het procesdossier bevindt.
Naar het oordeel van de rechtbank was onder deze omstandigheden sprake van het rechtmatig binnentreden van de woning, aangezien de verdachte zelf daarvoor aan de verbalisanten toestemming heeft verleend. Dat een verbalisant vervolgens achter de verdachte is aangelopen terwijl hij zijn identiteitsbewijs ging pakken, acht de rechtbank niet onrechtmatig. Zij is daarom van oordeel dat zich geen vormverzuim heeft voorgedaan en verwerpt het verweer van de verdediging.
Bewezenverklaring van feit 1
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na zijn aanhouding werd onderworpen aan een vervoersfouillering voordat hij werd overgebracht naar het cellencomplex. Tijdens deze fouillering werd door de verbalisant een bol gevoeld in de linkerbroekzak van de verdachte. Hierop benoemde de verdachte dat dit drugs betrof. Vervolgens is in deze linkerbroekzak een sok met daarin vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. Het NFI heeft de middelen onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat het in totaal ging om 29,61 gram cocaïne en 13,66 gram heroïne. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze harddrugs bewaarde voor een vriend. Gelet op bovengenoemde komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1.
“Chain of custody” ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het forensisch DNA-onderzoek van [naam instantie] als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, omdat de “chain of custody” niet sluitend is.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen twijfel over het feit dat de bemonsteringen die zijn onderzocht door [naam instantie], de bemonsteringen betreffen van het aangetroffen wapen. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] blijkt dat het vuurwapen is veiliggesteld en in beslag genomen. De kennisgeving van dit in beslaggenomen vuurwapen bevindt zich in het procesdossier, daaruit blijkt dat het vuurwapen in beslag is genomen onder het goednummer PL1300-2026018477-6765355. Uit het proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] blijkt daarnaast dat het vuurwapen is gekoppeld aan SIN-nummer AARU3034NL. Vervolgens is door [naam instantie] onderzoek gedaan naar de bemonstering aan de binnenzijde van de loop van het vuurwapen (SIN AAQO5815NL), de ruwe en scherpe delen (SIN AAQO5816NL) en de randen van de vulopening van het patroonmagazijn (SIN AAQO5817NL). Hierop is DNA van de verdachte aangetroffen. Dit rapport van het forensisch DNA-onderzoek van [naam instantie] bevat tevens een referentie-opdrachtgevernummer dat gekoppeld kan worden aan het procesdossier van onderhavige zaak. Uit het dossier volgt geen indicatie dat de resultaten in het DNA-onderzoek van andere bemonsteringen afkomstig zijn dan de bemonsteringen van het aangetroffen vuurwapen.
De “chain of custody” acht de rechtbank gelet op bovengenoemde sluitend. Het forensisch DNA-onderzoek van [naam instantie] kan daarmee gebruikt worden als bewijs.
Desalniettemin acht de rechtbank het slordig en onwenselijk dat een proces-verbaal ontbreekt waarin zoals gebruikelijk de concrete koppeling wordt gemaakt tussen de afgenomen bemonsteringen en de SIN-nummers die genoemd zijn in het forensisch DNA-onderzoek van [naam instantie].
Bewezenverklaring van feiten 2 en 3
Daarmee komt de rechtbank – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd – eveneens tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 2 en 3. De rechtbank overweegt als volgt.
Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie is vereist dat de verdachte een meer of mindere mate van bewustzijn van de aanwezigheid van het wapen en/of de munitie had en dat hij de feitelijke macht over het wapen en/of de munitie kon uitoefenen. Voor het bewijs van dergelijk bewustzijn geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Op 24 januari 2026 kwamen verbalisanten aan bij [adres]. Dit betreft een [woningbouwvereniging] flatwoning, waar meerdere mensen toegang tot hebben. Daar troffen zij melder [persoon] (hierna: [persoon]) aan voor de flat. Hij zei de eigenaar te zijn van de woning maar niet meer in het bezit te zijn van de sleutel. [persoon] verklaarde dat de verdachte vanaf 20 december 2025 continu in de woning van [persoon] verbleef. De verdachte zou de woning hebben overgenomen omdat [persoon] schulden bij hem zou hebben. Hierbij zou de verdachte de sleutel van [persoon] hebben afgepakt. [persoon] heeft daarnaast verklaard dat hij heel af en toe naar binnen mocht komen om zijn spullen te pakken. De verdachte zou altijd in de achterste kamer die tegen het balkon grenst, slapen maar in principe in de gehele woning verblijven. Een HVO-begeleider heeft later bevestigd dat [persoon]’s traject een aantal dagen eerder was beëindigd. [persoon] sliep volgens hem in slaapkamer 2, de kamer in de hal bij het balkon. Volgens de HVO-begeleider zou er momenteel niemand verblijven.
Toen de verbalisanten op de deur van de woning klopten, deed de verdachte open. De verdachte vertelde dat hij alleen in de woning woonde. Er zou ook een andere man verblijven, maar deze had sinds een aantal dagen het huis verlaten. De verdachte verklaarde deze man te hebben weggestuurd. De verdachte is vervolgens naar zijn slaapkamer gegaan om zijn identiteitsbewijs te halen, dit was de laatste slaapkamer aan de rechterzijde van de gang. Op de deur van deze slaapkamer zat een sticker met het nummer 2. Een verbalisant heeft hierop nogmaals gevraagd aan de verdachte of dit de verdachte zijn kamer betrof, hierop heeft de verdachte wederom bevestigend antwoord gegeven.
Op de grond van slaapkamer 2 hebben de verbalisanten vervolgens vier goudkleurige patronen aangetroffen. In de gang voor de deur van slaapkamer 2 lag ook een goudkleurig patroon. Op het bed in slaapkamer 2 lagen meerdere patronen, een doosje met patronen, een patroonhouder en een veer. In slaapkamer 3, die grenst aan slaapkamer 2, is vervolgens in een openstaande tas een zwart vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen had geen patroonhouder. Uit onderzoek blijkt dat het bijbehorende patroonmagazijn op het bed in slaapkamer 2 lag. Verder blijkt dat het vuurwapen van oorsprong een gas- en alarmpistool betrof, maar dat het ten tijde van de inbeslagname was getransformeerd naar scherpschietend. Er is een nieuwe loop geplaatst en het vuurwapen is geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelmunitie. Het DNA van de verdachte is aangetroffen op verschillende delen van het vuurwapen.
In zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij al zo’n twee tot drie weken in de woning verbleef. Ook heeft hij daarbij verklaard geen vaste slaapkamer te hebben en voornamelijk in de woonkamer te hebben geslapen. Hij heeft hierbij nogmaals benoemd dat [persoon] een paar dagen geleden was vertrokken en de verdachte alleen in de woning verbleef. Verder heeft de verdachte over de patronen verklaard dat deze er altijd al zijn geweest. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij in alle kamers van het huis heeft gelegen.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat buiten redelijke twijfel is dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht had over het wapen, patroonhouder en de aantroffen munitie. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij niks van het vuurwapen af wist en de munitie niet heeft opgemerkt, acht de rechtbank niet aannemelijk aangezien deze in het zicht lagen. Dit maakt dat het voorhanden hebben van een vuurwapen met patroonmagazijn en munitie bewezen is.
Ten aanzien van zaak C, feiten 2 en 3
Vormverzuimverweer
De rechtbank stelt naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw omtrent de rechtmatigheid van de fouillering het volgende vast.
Op 29 augustus 2025 bevond de verdachte zich binnen het veiligheidsrisicogebied [gebied]. Hier was met ingang van 15 augustus 2025 tot 29 augustus 2025 een last afgegeven tot het uitoefenen van bevoegdheden met betrekking tot de Wet wapens en munitie. De verbalisanten voerden blijkens het proces-verbaal van bevindingen een aselectieve controle uit op alle aanwezigen op bovengenoemde locatie. Hierbij hebben ze rond 02.10 uur de verdachte opgehouden, gefouilleerd en gecontroleerd. De verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij een mes bij zich had en dit is vervolgens in zijn rugtas aangetroffen.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier die erop zouden kunnen wijzen dat sprake was van een selectieve controle bij de verdachte of een concrete opsporingsactie ten aanzien van de verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat zich geen vormverzuim heeft voorgedaan en zij verwerpt het verweer van de verdediging.
Bewezenverklaring feiten 2 en 3
De rechtbank stelt op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en de andere bewijsmiddelen die in bijlage II staan, vast dat de verdachte op 29 augustus 2025 te Amsterdam een (vlees)mes voorhanden heeft gehad. Tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte is daarnaast een hoeveelheid verdovende middelen in de kleding van de verdachte aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat dit in totaal 13,70 gram cocaïne en 6,68 gram heroïne betrof. Gelet hierop komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte:
Zaak A
1
op 18 april 2026 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Retay, model 17, kaliber 9x17 mm (synoniem 9 mm kort/.380 auto, origineel 9 mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
2
op 18 april 2026 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 48,24 gram cocaïne, en
- 0,77 gram cocaïne, en
- 8,96 gram cocaïne, en
- 3,99 gram cocaïne, en
- 0,26 gram heroïne, en
- 0,49 gram heroïne,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak B
1
op 24 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,66 gram heroïne en 29,61 gram cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
op 24 januari 2026 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een pistool, van het merk BBM, model 315 Auto, kaliber 6,35 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en
- een voor dat vuurwapen bedoeld en bestemd patroonmagazijn;
3
op 24 januari 2026 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 46 stuks, van het merk Fiocchi, van het kaliber 6.35 mm Browning voorhanden heeft gehad;
Zaak C
2
op 29 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 6,68 gram heroïne en
- 13,70 gram cocaïne,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
op 29 augustus 2025 te Amsterdam een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en te dreigen, heeft gedragen.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft daarbij aansluiting gezocht bij de voor deze feiten geldende OM-richtlijnen en heeft rekening gehouden met het uittreksel Justitiële Documentatie waaruit volgt dat de verdachte eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde feiten in zaken B en C. Mocht de rechtbank – naast een bewezenverklaring van de feiten in zaak A – ook tot een bewezenverklaring komen van de feiten in zaken B en C, dan heeft de raadsvrouw verzocht een gevangenisstraf op te leggen conform de LOVS-oriëntatiepunten. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht het aangetroffen vuurwapen in zaak B aan te merken als een vuurwapen van een lichtere categorie dan een pistool, aangezien het een omgebouwd gas- en alarmpistool betrof. Zij heeft verzocht voor dit omgebouwde gas- en alarmpistool ten hoogste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op te leggen.
Mocht de rechtbank dit niet volgen en beide vuurwapens (in zaken A en B) als pistool aanmerken, dan heeft de raadsvrouw verzocht aan de verdachte ten hoogste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden op te leggen en een taakstraf van 240 uur, in overeenstemming met de LOVS-richtlijnen. De raadsvrouw acht verder de door reclassering geadviseerde voorwaarden niet passend en verzoekt deze dan ook niet op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen, te weten twee vuurwapens en een (vlees)mes. Het (vlees)mes en één van de vuurwapens droeg de verdachte bij zich op straat om zich naar eigen zeggen veilig te houden. Het andere vuurwapen is in het huis aangetroffen waar de verdachte op dat moment verbleef. Het ongecontroleerde bezit van wapens kan in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Het in het openbaar dragen van dergelijke wapens vergroot daarnaast de kans dat ze daadwerkelijk gebruikt gaan worden en brengt een extra groot risico voor de veiligheid van personen mee.
De verdachte heeft zich daarnaast drie keer schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, te weten cocaïne en heroïne. Dit betrof een totale hoeveelheid van 126,36 gram. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaken. Harddrugs zijn sterk verslavend en schadelijk voor de gezondheid. Dit geldt voor heroïne nog meer dan voor andere harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen bijgedragen aan de ondermijnende criminaliteit die gepaard gaat met georganiseerde drugshandel.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 14 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds 1998 veelvuldig in beeld is gekomen bij politie en justitie. De afgelopen jaren lijkt er een patroon te zijn van veroordelingen voor wapen- en drugsbezit. De verdachte is hier in april 2024 nog voor veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 14 juli 2026 dat over de verdachte is opgesteld. Er spelen bij de verdachte problemen op meerdere leefgebieden, zo heeft hij geen huisvesting en zinvolle dagbesteding en is sprake van psychische en verslavingsproblematiek. De verdachte heeft eerdere hulpverlening van de reclassering in het verleden afgehouden maar heeft voor de totstandkoming van dit advies wel zijn medewerking verleend. De verdachte heeft bij de reclassering aangegeven bereid te zijn mee te werken en zijn leven weer op te bouwen. De reclassering ziet dan ook aanknopingspunten voor een traject begeleid door de reclassering. Zij adviseert daarom bij een deels voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dagbesteding op te leggen. Hierbij wordt de ambulante behandeling gericht op de psychische en verslavingsproblematiek van de verdachte, met een mogelijkheid tot een kortdurende opname van zeven weken. Het risico op het onttrekken aan de voorwaarden wordt door de reclassering op gemiddeld ingeschat. Daarnaast wordt het recidiverisico als hoog ingeschat, mede doordat de verdachte heeft aangegeven drugs te willen blijven gebruiken. Dit middelengebruik zorgt volgens de reclassering voor problemen op vrijwel alle leefgebieden en heeft ook invloed op het delictgedrag van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven te willen meewerken met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met uitzondering van de ambulante behandeling voor zijn middelenverslaving, aangezien hij naar eigen zeggen geen middelenverslaving heeft en zijn middelengebruik voor hem geen belemmering vormt in zijn dagelijkse leven.
Straf
Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten die de strafrechters landelijk hebben afgesproken (de LOVS-oriëntatiepunten). In de oriëntatiepunten geldt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool in een openbare ruimte als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Op het voorhanden hebben van dergelijk vuurwapen in een woning staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Daarnaast geldt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 126,36 gram aan harddrugs een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat bij de verdachte sprake is van recidive op het gebied van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De rechtbank acht het zorgelijk dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten en nu drie keer in een jaar is aangetroffen met wapens en harddrugs. Verder weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee dat de procesdossiers aanwijzingen bevatten dat de verdachte als drugsdealer opereerde. Hij is telkens aangetroffen met meer dan een gebruikershoeveelheid harddrugs, waarbij de verdachte op 18 april 2026 (zaak A) zelfs meer dan 60 gram cocaïne bij zich droeg. Eveneens weegt de rechtbank strafverzwarend mee dat de verdachte op 18 april 2026 (zaak A) een schietklaar vuurwapen op straat binnen handbereik droeg. Ook is strafverzwarend dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid munitie, te weten 46 patronen (zaak B), voorhanden heeft gehad. Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting weinig verantwoordelijkheid getoond ten aanzien van de gepleegde feiten. Gelet op bovenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat op de door de verdachte gepleegde misdrijven niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur. Anders dan door de officier van justitie geëist, zal de rechtbank geen voorwaardelijk deel opleggen met daaraan gekoppeld de geadviseerde voorwaarden. De regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling geeft immers de mogelijkheid om concrete voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte. Het is de rechtbank op dit moment onvoldoende duidelijk of de bijzondere voorwaarden – gezien de houding van de verdachte – al dan niet gewenst en uitvoerbaar zijn. Tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte kan daarnaast nog gekeken worden of andere voorwaarden nodig en gewenst zijn op het moment van vrijlating zelf.
Alles overwegende komt de rechtbank daarom tot het oordeel dat aan de verdachte voor de bewezenverklaarde misdrijven een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Het onder 3 van zaak C bewezenverklaarde feit is een overtreding (artikel 54 jo 56 Wet wapens en munitie). De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een geldboete voor dit feit en zal voor deze overtreding artikel 9a Wetboek van Strafrecht toepassen.
8. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Zaak A
- Ikea-mes (PL1300-2026096724-6802358)
- Hennep (PL1300-2026096724-6802341)
- Verdovende middelen, bruinkleurige substantie (PL1300-2026096724-6802344)
- Verdovende middelen, 4 kleine witte wikkeltjes (PL1300-2026096724-6802348)
- Verdovende middelen, kristalachtige vorm (PL1300-2026096724-6802347)
- Verdovende middelen, witte substantie met kristalachtige vorm (PL1300-2026096724-6802342)
- Verdovende middelen, kristalachtige vorm (PL1300-2026096724-6802345)
- Pistool (PL1300-2026096724-6802333)
- Munitie (PL1300-2026096724-6802334)
- Verdovende middelen, 3 zakjes met groene streep met wit poeder (PL1300-2026096724-6802335)
- Verdovende middelen, 1 zakje met groene streep met beige poeder (PL1300-2026096724-6802339)
- Verdovende middelen, zakje met groene streep met blauwe poeder (PL1300-2026096724-6802343)
- Verdovende middelen, klein zakje groene streep met wit poeder (PL1300-2026096724-6802350)
- Verdovende middelen, 2 zakjes met wit poeder (PL1300-2026096724-6802351)
- Verdovende middelen, zakje met afbeelding Pablo Escobar (PL1300-2026096724-6802353)
- Verdovende middelen, zakje met rode streep met wit poeder (PL1300-2026096724-6802355)
- Verdovende middelen, zakje met wit poeder (PL1300-2026096724-6802357)
- Verdovende middelen, wit Ponypack (PL1300-2026096724-6802359)
- Verdovende middelen, 2 pony packs in zakje (PL1300-2026096724-6802360)
- XTC (PL1300-2026096724-6802361,)
Zaak B
- Patroonhouder (PL1300-2026018477-6765357)
- 3 STK munitie (PL1300-2026018477-6765359)
- 5 STK munitie (PL1300-2026018477-6765360)
- 1 STK munitie (PL1300-2026018477-6765361)
- 1 STK munitie (PL1300-2026018477-6765362)
- 1 STK munitie (PL1300-2026018477-6765362)
- Munitie Fiocchi 6.35 (PL1300-2026018477-6765366)
Zaak C
- Cocaïne Crack (PL1300-2025216751-6703636)
- Heroïne (PL1300-2025216751-6703635)
- Hennep (PL1300-2025216751-6703641)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen kunnen worden onttrokken aan het verkeer.
De raadsvrouw heeft zich hier niet tegen verzet en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de verschillende feiten zijn begaan en de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 55 en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak C onder 1 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2, B onder 1, 2 en 3 en C onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Ten aanzien van zaak A, feit 2, zaak B feit 1 en zaak C, feit 2:
Telkens: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van zaak B, feiten 2 en 3:
Eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Ten aanzien van zaak C, feit 3:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden, met bevel dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat voor het bewezenverklaarde feit 3 onder zaak C geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Beslag
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in rubriek 8 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.L. Briejer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2026.