RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/128024-26 Parketnummer vordering tul: 16/374734-24
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in [detentieplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
24 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. Bommer, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 30 april 2026 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
(één of meer verpakkingen) sushi, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan winkelbedrijf Albert Heijn (to Go), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de diefstal uit wanhoop heeft gepleegd. Hij had geen onderdak en op deze manier hoopte verdachte te worden aangehouden en een tijdelijke slaapplek (in de cel) te verkrijgen. Het doel van verdachte zag dus niet op het wegnemen van de sushi, maar op het verkrijgen van onderdak.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is op grond van de aangifte en de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd van oordeel dat verdachte de hem ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 30 april 2026 te Amsterdam sushi, die aan winkelbedrijf Albert Heijn to Go toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat verdachte de diefstal heeft gepleegd met als doel een slaapplek voor zichzelf te bewerkstelligen, doet niet af aan de strafbaarheid van zijn handelen.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte kan worden opgelegd, nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een diefstal heeft gepleegd en geen geweldsdelict. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel niet proportioneel en niet noodzakelijk is. De raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van een geldboete.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf.
De persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 juni 2026, volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van diverse strafbare feiten, waaronder gewelds- en vermogensdelicten. Dit heeft hem er niet van weerhouden onderhavig feit te plegen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 8 juli 2026, opgemaakt door [medewerker GGZ] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
De leefgebieden van verdachte zijn instabiel en hij heeft een zeer uitgebreid delictverleden, waarbij geweld vaak een component is. Ondanks reclasseringstoezichten, lopende proeftijden en andere straffen is verdachte niet gestopt met het plegen van strafbare feiten. Hij lijkt zijn problematiek te bagatelliseren en zich enkel te willen focussen op huisvesting, maar er is veel meer nodig om te komen tot gedragsverandering en vermindering van het recidiverisico, te beginnen met een intensieve behandeling en begeleiding ten aanzien van zijn middelengebruik en psychosociaal functioneren. In de afgelopen periode heeft verdachte wederom laten zien dat hij zich niet weet te conformeren aan gemaakte afspraken en opgelegde bijzondere voorwaarden. Door zijn houding zijn er geen hulpverleningstrajecten van de grond gekomen en alle interventies gericht op gedragsverandering en recidivevermindering zijn uitgeput. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar aan verdachte op te leggen.
Ter terechtzitting is reclasseringswerker [medewerker GGZ] als deskundige gehoord. Zij heeft de inhoud van het rapport bevestigd en heeft verklaard dat het advies van de reclassering tot oplegging van een ISD-maatregel onveranderd is. Zij acht het herhalingsgevaar in geval van een toezicht met bijzondere voorwaarden groot.
De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport en neemt het advies van de reclassering over.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële documentatie van 15 juni 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 30 april 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juni 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Zowel de geweldsfeiten als de vermogensdelicten tellen mee voor het vaststellen van het aantal gepleegde misdrijven. Deze feiten leveren namelijk allemaal een gevaar voor de veiligheid van personen of goederen op.
De (deels) voorwaardelijke straffen die aan verdachte zijn opgelegd hebben niet geleid tot gedragsverandering. Wanneer hem begeleiding wordt aangeboden, bijvoorbeeld recent in de vorm van een langdurig klinisch behandeltraject, toont verdachte zich eerst bereidwillig, maar weigert hij hieraan uiteindelijk zijn medewerking te verlenen. Volgens de reclassering is dit een patroon bij verdachte en is hij niet in staat gebleken om zich aan reclasseringsvoorwaarden te houden. Dit beeld wordt bevestigd door de voortijdig negatieve beëindiging van een eerder toezicht in december 2025; verdachte wilde niet meer meewerken aan de opgelegde voorwaarden omdat deze zijn toekomstplannen zouden doorkruisen. De rechtbank constateert dat een strikter drangkader voor verdachte noodzakelijk is om te komen tot de nodige gedragsverandering en om de maatschappij voldoende te kunnen beschermen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISD-maatregel daarnaast wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren: het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij. Zij zal daarom aan verdachte de ISD-maatregel opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu uit het dossier volgt dat de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland op 5 december 2025 reeds de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen in de zaak met parketnummer 16/374734-24 heeft bevolen en deze straffen ook al ten uitvoer zijn gelegd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straffen, voor zover deze voorwaardelijk zijn opgelegd bij vonnis van 24 december 2024 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/374734-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.A. Baaijens en M.C. Lieberwirth, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.
[…]